ECLI:NL:RBMNE:2026:574

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/16/601574 / HA ZA 25-537
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:754 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring wegens schade bij verbouwing

Tijdens de verbouwing van het souterrain van de woning van verweerders is schade ontstaan aan het woonhuis van eisers, hetgeen de hoofdzaak betreft. Verweerders vorderen in dit incident de oproeping in vrijwaring van diverse betrokken bedrijven en adviseurs die volgens hen tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun contractuele verplichtingen of onrechtmatig hebben gehandeld.

Verweerders beroepen zich onder meer op het niet naleven van de waarschuwingsplicht ex artikel 7:754 BW Pro door deze derden. Eisers verwijzen naar het eerdere oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de gronden van verweerders voldoende zijn om de vordering tot oproeping in vrijwaring toe te wijzen.

De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Tevens wordt bepaald dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak pas plaatsvindt nadat de partijen in de vrijwaring van antwoord hebben gediend, en dat beide mondelinge behandelingen gelijktijdig zullen plaatsvinden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring toe en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/601574 / HA ZA 25-537
Vonnis in incident van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[eiseres sub 2],
wonende te [plaats] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. K. Straathof te Alkmaar,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. G.N. van Kooten te Rotterdam,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. G. Bosma te Utrecht,
3.
[gedaagde sub 3],
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. G. Bosma te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ,
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Tijdens de verbouwing van het souterrain/de kelder van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is aan het woonhuis van [eisers] schade ontstaan. Daar gaat de hoofdzaak over. In dit incident vragen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] of ze in vrijwaring mogen oproepen:
  • [bedrijf 1] , hun architect
  • [bedrijf 2] , hun adviseur/constructeur
  • [gedaagde sub 1] B.V., hun aannemer
  • [bedrijf 3] B.V., hun adviseur voor het veilig bouwen van de kelder.
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen dat deze personen/bedrijven zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeenkomsten die er met hen waren, dan wel dat zij onrechtmatig hebben gehandeld tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Zij hebben volgens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten onrechte niet voldaan aan hun waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW Pro.
2.2.
[eisers] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
De rechtbank zal de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring toewijzen. De door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aangevoerde gronden kunnen de vordering dragen.
2.4.
De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
staat toe dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] :
  • [bedrijf 1] uit [plaats] ,
  • [bedrijf 2] uit [plaats] ,
  • [gedaagde sub 1] B.V., statutair gevestigd in [vestigingsplaats] , en
  • [bedrijf 3] B.V., statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
dagvaarden tegen de terechtzitting van 11 maart 2026,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat er pas een mondelinge behandeling wordt gepland als de partijen in de vrijwaring van antwoord hebben gediend en bepaalt dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak gelijktijdig zal plaatsvinden met de mondelinge behandeling in de vrijwaring.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.