ECLI:NL:RBMNE:2026:534

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
16-252160-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling diefstal fatbike, elektrische fiets en mishandeling machinist NS met voorwaardelijke ISD-maatregel

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van diefstal van een fatbike en een elektrische fiets in Utrecht en mishandeling van een machinist bij de NS. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard, mede op basis van bekentenissen en proces-verbalen van aangiften.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte ernstig strafbaar is, mede gezien zijn justitiële verleden en de aard van de feiten. Verdachte heeft een geschiedenis van verslaving en recidive, waarbij eerdere klinische behandelingen niet tot blijvende gedragsverandering hebben geleid. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, maar de rechtbank koos voor een voorwaardelijke ISD-maatregel vanwege de motivatie van verdachte om zijn leven te beteren en zijn plaats op de wachtlijst voor klinische opname.

De opgelegde maatregel duurt twee jaar met een proeftijd van twee jaar, waarin verdachte zich moet melden bij de reclassering en moet meewerken aan een klinische opname. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot betaling van €450 aan immateriële schade aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank verlengde tevens de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor diefstal en mishandeling en opgelegd een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16-252160-25; 16-222718-25 (gev. ttz; 16-129938-25 (tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaats 1] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 2] ,
hierna te noemen: de verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2025. Het onderzoek ter zitting is, met instemming van de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte, op 9 januari 2026 enkelvoudig gesloten waarna direct uitspraak is gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M.L. Kalsbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. van Oort, advocaat te Utrecht, en mevrouw R. Nobel, reclassering Inforsa, naar voren hebben gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Parketnummer 16-252160-25feit 1 op 8 september 2025 te Utrecht, een fatbike heeft gestolen;
feit 2 op 19 september 2025 te Utrecht, een fiets heeft gestolen;
Parketnummer 16-222718-25
op 11 augustus 2025 in Utrecht [slachtoffer]
(de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ; zie ook hierna)heeft mishandeld, door die [slachtoffer] tegen het hoofd te slaan.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-252160-25 en het onder parketnummer 16-222718-25 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-252160-25 en het onder parketnummer 16-222718-25 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 16-252160-25
De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 december 2025;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , genummerd PL0900-2025315533-2, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina’s 42 en 43 (van het proces-verbaal met nummer PL0900-2025314009);
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , genummerd PL0900-2025321507-2, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 55 (van het proces-verbaal met nummer PL0900-2025314009).
Parketnummer 16-222718-25
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 december 2025;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , genummerd 250811-2003-456, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina’s 5 en 6 (van het proces-verbaal met nummer PL0900-2025271251).

5.BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Parketnummer 16-252160-25
1
op 8 september 2025 te Utrecht, een fatbike, die geheel aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 19 september 2025 te Utrecht, een e-bike die geheel aan [aangever 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 16-222718-25
op 11 augustus 2025 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld, door hem tegen het gezicht te slaan.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Als gevolg van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder parketnummer 16-222718-25 “ [slachtoffer] ” als slachtoffer genoemd, terwijl uit de aangifte onmiskenbaar volgt dat het slachtoffer [slachtoffer] heet.. De rechtbank herstelt deze vergissing. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-252160-25 en onder parketnummer 16-222718-25 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
16-252160-25 feit 1 en feit 2: diefstal;
16-222728-25: mishandeling.

7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) op te leggen voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om verdachte geen ISD maatregel op te leggen, primair omdat aan de daarvoor geldende voorwaarden niet is voldaan. Daartoe heeft de verdediging bepleit dat de richtlijn van het Openbaar Ministerie voor het vorderen van de ISD-maatregel voorschrijft dat die maatregel niet wordt gevorderd indien de verdachte – voor andere strafzaken – nog meer dan vier maanden aan opgelegde maar nog niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf open heeft staan.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit af te zien van oplegging van een ISD-maatregel omdat er een geschikt alternatief is. Verdachte is gemotiveerd om alsnog een klinische behandeling te volgen. De kliniek – de Forensische Verslavingskliniek [kliniek] (hierna: [kliniek] ) – en de reclassering hebben daar ook vertrouwen in. Verdachte is aangemeld en geaccepteerd bij [kliniek] en staat inmiddels bij [kliniek] op de wachtlijst. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal de huidige plaatsing van verdachte op de wachtlijst doorkruisen. Verder is verdachte bereid zich aan alle te stellen voorwaarden te houden.
De verdediging heeft verzocht verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij bijzondere voorwaarden waaronder het meewerken aan een klinische opname. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht verdachte een voorwaardelijke ISD maatregel op te leggen, met daarbij de eerder genoemde bijzondere voorwaarden.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft [slachtoffer] , een machinist bij de NS, in zijn gezicht geslagen, alleen omdat deze verdachte aansprak op het feit dat verdachte over het spoor van perron naar perron liep. De rechtbank acht dit een kwalijk feit: [slachtoffer] sprak verdachte enkel aan op zijn gevaarlijke gedrag en heeft dat moeten bekopen met letsel in zijn gezicht . Ook heeft hij hierdoor angst gekregen bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden.
Verder heeft verdachte een elektrische fiets en een fatbike gestolen. Dergelijke feiten zorgen voor overlast en financiële schade bij de benadeelden.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennisgenomen van:
  • een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 13 november 2025, waaruit volgt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten;
  • een reclasseringsadvies van Tactus verslavingszorg van 4 december 2025, opgemaakt door A.R. de Frens, reclasseringswerker.
Uit het rapport van de reclassering blijkt, samengevat, het volgende.
De reclassering ziet directe verbanden met het delictgedrag op de levensgebieden 'middelengebruik en verslaving' , 'financiën', 'sociaal netwerk' en zijn 'psychosociale
functioneren'. Bij verdachte is op vrijwel alle levensgebieden sprake van instabiliteit. Verdachte is al langdurig verslaafd aan cocaïne. In periodes van gebruik is verdachte vaak slecht bereikbaar voor de reclassering, komt hij zijn afspraken niet na en is hij sneller geagiteerd of agressief in contact met hulpverlening. De reclassering heeft in het verleden meerdere malen trajecten uitgestippeld voor verdachte. Echter lukt het verdachte niet om zich langdurig te conformeren aan de daarin gestelde voorwaarden. Sinds 2023 zijn zes pogingen gedaan om verdachte in een klinische setting te behandelen. Geen van deze pogingen heeft geleid tot blijvende gedragsverandering: verdachte kwam meermaals niet of te laat aan in de kliniek of vertrok na middelengebruik binnen de kliniek of incidenten. Hulpverlening binnen een ambulant kader of gericht op gecontroleerd gebruik bleek de afgelopen jaren niet toereikend en stopte het delictgedrag niet. Hoewel verdachte in detentie tot op heden abstinent is van middelengebruik, is hem dit helaas in een setting met meer vrijheid nog niet gelukt. Tactus Reclassering is van mening dat een strikter kader, met een stok achter de deur, zoals de onvoorwaardelijke isd-maatregel biedt, noodzakelijk is om het patroon van middelengebruik en delictgedrag te kunnen doorbreken. Het middelengebruik en het psychosociale functioneren worden als de belangrijkste criminogene factoren gezien.
De risico’s op recidive, letsel en op onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog.
De reclassering adviseert om verdachte een onvoorwaardelijke isd-maatregel op te leggen
Mevrouw R. Nobel heeft ter zitting het reclasseringsadvies toegelicht.
Verdachte is opnieuw aangemeld bij [kliniek] voor een klinische opname. [kliniek] heeft verdachte geaccepteerd en op de wachtlijst gezet. Ook binnen het kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is een klinische opname bij bijvoorbeeld [kliniek] mogelijk. Het kader van een ISD-maatregel zorgt ervoor dat verdachte, indien hij tijdens zijn opname een terugval in middelengebruik krijgt en om die reden uit de kliniek ontslagen wordt, niet op straat komt te staan. De P.I. waar verdachte uiteindelijk voor een ISD-maatregel geplaatst zal worden zal zelf een plan maken, een traject uitzetten en bepalen of zij een klinische opname nodig vinden en zo ja, bij welke kliniek dit zal zijn.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat verdachte, gelet op zijn justitiële verleden en de huidige bewezenverklaring, voldoetaan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel. Bewezen is verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 13 november 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, te weten op 23 juli 2025 tot een gevangenisstraf van 1 maand, op 14 mei 2025 tot een gevangenisstraf van 1 maand en op 26 september 2024 tot een gevangenisstraf van 5 maanden.
De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage van de reclassering, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank is niet gebleken van redenen om deze maatregel niet op te leggen.
Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Verdachte valt namelijk onder de definitie van stelselmatige dader. Hij is immers een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. De door de verdediging bepleite nadere voorwaarde van een maximum aan openstaande vrijheidsstraffen geldt onder de thans geldende richtlijn niet.
De rechtbank acht oplegging van de ISD-maatregel passend en geboden. De vervolgvraag is of die in onvoorwaardelijke of voorwaardelijke vorm moet worden opgelegd.
Aan verdachte is in een eerder toezicht (onder andere) een klinische opname opgelegd, die voortijdig is afgebroken. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij nu inziet dat hij zijn leven een andere wending moet geven en dat hij bereid is mee te werken aan een klinische opname en andere op te leggen voorwaarden. Verdachte heeft dit eerder ook aan de reclassering aangegeven en heeft een uitgebreide motivatiebrief geschreven aan [kliniek] om daar weer toegelaten te worden. Dit is voor de reclassering aanleiding geweest om verdachte opnieuw aan te melden voor een klinische opname bij [kliniek] , waarvoor verdachte inmiddels een intake heeft gehad en nu op de wachtlijst staat.
Uit hetgeen door de reclasseringswerker ter zitting naar voren is gebracht, volgt dat zij niet met zekerheid kan aangeven of verdachte, indien aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, op deze wachtlijst blijft staan. Niet uitgesloten kan worden dat de Penitentiaire Inrichting waar verdachte in dat geval geplaatst zal worden, een andere visie heeft, of dat een aanmelding door de Penitentiaire Inrichting bij [kliniek] ertoe zal leiden dat hij zijn plaats op de wachtlijst verliest.
De rechtbank constateert dat aan verdachte niet eerder een ISD-maatregel is opgelegd. Gelet op zijn ter terechtzitting uitgesproken motivatie om zijn leven te beteren, is de rechtbank bereid verdachte een (laatste) kans te geven in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel. Bijkomend voordeel daarvan is dat de plek van verdachte op de wachtlijst bij [kliniek] daarmee, zoveel mogelijk, lijkt te worden veiliggesteld.
De rechtbank zal dus een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar aan verdachte opleggen, met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd verbindt de rechtbank als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan een klinische behandeling.
De rechtbank benadrukt dat de op te leggen voorwaardelijke ISD-maatregel een allerlaatste kans is voor verdachte om te laten zien dat hij met de geboden hulp en begeleiding geen overlast meer veroorzaakt voor de maatschappij en geen nieuwe strafbare feiten meer pleegt.

9.BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van
€ 450,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 16-222718-25 ten laste gelegde feit.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vordering niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 11 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 450,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 4 dagen.
De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

10.VORDERING TENUITVOERLEGGING

10.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd, gelet op haar eis om verdachte en onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
10.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen voor 15 dagen, nu verdachte al 105 dagen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 120 dagen heeft uitgezeten.
10.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 14 mei 2025 (parketnummer 16-129938-25 ) is verdachte onder andere 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd.
Anders dan de raadvrouw heeft bepleit volgt uit het strafblad van verdachte en het detentieoverzicht van 11 december 2025 niet dat eerder al de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf is gelast en ook niet dat verdachte deze voorwaardelijke straf (deels) al heeft uitgezeten.
Nu aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel zal worden opgelegd, acht de rechtbank het niet opportuun om, daarnaast, deze gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.
De rechtbank zal in plaats daarvan de eerder vastgestelde proeftijd met één jaar verlengen. Bij die beslissing is rekening gehouden met de persoon en omstandigheden van de verdachte.

11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38m, 38n, 38p, 57, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12.BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-252160-25 en het onder parketnummer 16-222718-25 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-252160-25 en het onder parketnummer 16-222718-25 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
]
Strafbaarheid
- verklaart het onder feit 1 en feit 2 van parketnummer 16-252160-25 en het onder parketnummer 16-222718-25 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging maatregel
-
legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;
- bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van het onderhavige vonnis (telefonisch) zal melden bij de Reclassering Inforsa, Wittevrouwenkade 6 te (3512 CR) Utrecht, telefoonnummer 088 – 161 7480. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;
* mee zal werken aan een klinische opname in [kliniek] , of een soortgelijke kliniek, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt maximaal 12 maanden, of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Verdachte zal zich gedurende behandeling houden aan huisregels van de kliniek en aan de aanwijzingen die hem door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven, waaronder kan vallen het innemen van medicatie. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Voorlopige hechtenis
- heft op het (tijdelijk geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;
Benadeelde partij (parketnummer 16-222718-25)
- wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe tot een bedrag van € 450,-, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 450,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 4 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer16-129938-25
- verlengt de bij vonnis 14 mei 2025 met parketnummer 16-129938-25 door de politierechter in deze rechtbank aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. I.G.C. Bij de Vaate en T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 januari 2026.
Mr. T.M. Sanders is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Parketnummer 16-252160-25
1
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Utrecht, een fiets/fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Utrecht, een fiets/e-bike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht )
Parketnummer 16-222718-25
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld, door hem tegen het hoofd/gezicht te slaan;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )