ECLI:NL:RBMNE:2026:524

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
16/128986-25, 16/096151-25 (gev. ttz), 23-001160-22 (TUL)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 138 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling, heling en lokaalvredebreuk op Koningsnacht

Op 25 april 2025 heeft de verdachte in Utrecht geprobeerd om het slachtoffer zwaar te mishandelen door hem minutenlang met vuisten en een riem op het hoofd en lichaam te slaan terwijl het slachtoffer op de grond lag. Tevens heeft verdachte een rugtas met een MacBook van een ander voorhanden gehad, waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was. Op 26 maart 2025 drong verdachte wederrechtelijk een winkel binnen ondanks een winkelontzegging.

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen, politieprocessen-verbaal, medische rapporten en videomateriaal. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen omdat niet aannemelijk is dat verdachte eerst zelf werd aangevallen en zich moest verdedigen.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 6 maanden op, met aftrek van het voorarrest. De benadeelde partij krijgt gedeeltelijk gelijk in haar vordering tot schadevergoeding: € 667,21 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat, met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf en gedeeltelijke schadevergoeding wegens poging tot zware mishandeling, heling en lokaalvredebreuk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/128986-25, 16/096151-25 (gev. ttz), 23-001160-22 (TUL)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (Algerije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. Aytemur (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [benadeelde] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. B.C.M. Sprenger.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Parketnummer 16-128986-25
feit 1
Primair
Op 25 april 2025 in Utrecht heeft geprobeerd om [benadeelde] zwaar te mishandelen door
  • hem een klap tegen het hoofd te geven
  • hem (meermalen) met een riem tegen zijn hoofd/lichaam te slaan
  • boven op hem te gaan zitten nadat hij ten val was gekomen en (meermalen) met zijn vuisten tegen zijn hoofd/lichaam te slaan
  • hem (meermalen) te schoppen tegen zijn hoofd/lichaam.
Subsidiairten laste gelegd als mishandeling.
feit 2
Op 25 april 2025 in Utrecht een rugtas en een MacBook van [aangever] heeft gestolen.
Subsidiairten laste gelegd als heling.
Parketnummer 16-096151-25
Op 26 maart 2025 in Utrecht wederrechtelijk is binnengedrongen bij [bedrijf] in Utrecht, terwijl hem de toegang was ontzegd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 subsidiair van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25 heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 16/128986-25 heeft de advocaat geen bewijsverweer gevoerd. Wel verzoekt zij om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweerexces. Dit verweer zal worden besproken onder paragraaf 4.2.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 van parketnummer 16/128986-25
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (poging tot zware mishandeling) en feit 2 (heling) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op volgende bewijsmiddelen: [1]
Een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] , voor zover inhoudende:
Op 25 april 2025 was ik in de binnenstad van Utrecht. Ik voelde een klap op mijn hoofd. Ik weet dat mijn riem werd afgedaan en dat ik hiermee ben geslagen. [2]
Ik weet dat ik mijn telefoon en mijn portemonnee niet meer heb. [3]
Een proces verbaal, voor zover inhoudende:
Ik hoorde [benadeelde] zeggen: Ruzie? Met die man zeker niet ik werd aangevallen(…). [4]
Een proces verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:
Omstreeks 23:15 uur op vrijdag 25 april 2025 kregen wij een spoedmelding om ter plaatse te gaan bij de [straat 1] te Utrecht. Ik hoorde dat het slachtoffer mij de volgende personalia opgaf:
- [benadeelde]
Ik hoorde dat een omstander zei: die jongen is met een riem tegen zijn hoofd aan geslagen. [5]
Een geschrift, inhoudende een verklaring van de huisarts, voor zover inhoudende:
[benadeelde]
29 april 2025
Mond: stuk van R voortand afgebroken, verder gebit intact
Ogen: bdz opp bloeding sclerae, visus ongestoord. Rondom ogen haematomen
Schedel: drukpijn L achter oor
Nek: drukpijn spieren, mn m trapezius
Oren: ADS: bdz cerumen, verder gda
Heupen: bdz haematomen [6]
Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] , voor zover inhoudende
Op 25 april 2025, omstreeks 21:45 uur, was ik bij de [horeca gelegenheid] op het [straat 2] in Utrecht. Ik had mijn lichtgroene tas onder de tafel gelegd. In mijn tas had ik ook nog een MacBook zitten.
Op 25 april 2025, omstreeks 22:00 uur, waren wij klaar met eten. Toen zag ik ineens dat mijn tas verdwenen was. Ik kon mijn laptop volgen met mijn telefoon via FindMyiPhone.
Op 25 april 2025, omstreeks 23:00 uur, was ik op de [straat 1] . Ik zag een voor mij onbekende man met mijn lichtgroene rugtas. Ik zag dat deze man een andere man voor bijna tien (10) minuten lang een andere man aan het slaan was met een riem. Ik zag dat de man met de riem vanaf boven sloeg. [7] Na een tijdje zag ik dat de man met mijn rugtas wegrende richting Vredenburg. Ik heb vervolgens de locatie van mijn MacBook doorgegeven aan de politie. De politie heeft de man later aangehouden. [8]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:
Op 25 april 2025 kregen wij de opdracht om te gaan naar de [straat 3] in Utrecht. Aldaar zou een verdachte lopen die een slachtoffer van zijn laptop had beroofd.
Wij hoorden via de portofoon dat de verdachte het volgende signalement had:
Verdachte één (1):
- man;
- licht getint;
- petje;
- zwarte jas, mogelijk van het merk "Adidas" met witte strepen;
- grijze broek;
- witte schoenen;
- grijze rugzak. [9]
Op het [straat 4] zagen wij, verbalisanten, mannen lopen, die volledig aan de opgegeven signalementen voldeden. Wij zagen dat zij vanaf de groenstrook, tegen het spoor aan, kwamen lopen. Wij zagen dat zij vanaf de genoemde groenstrook, in de richting van de [straat 5] liepen. Wij zagen dat één van de mannen bloedspetters op zijn kleding had. Wij zagen ook dat hij verwondingen aan zijn handen en gezicht had. Op basis van deze feiten en omstandigheden, merkten wij de mannen aan als verdachte van de diefstal en straatroof, eerder die avond gepleegd. Wij stelden de identiteit vast als:
Verdachte één (1): ** [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te Algerije ** [10]
Ik, verbalisant, ontving van een collega een filmpje van het eerste slachtoffer, van de weggenomen laptop. Blijkbaar werd hij bij het traceren van zijn laptop getuige van een tweede diefstal met geweld. Hij filmde het geweld en de verdachte. Ik zag dat de verdachte op het filmpje één en dezelfde man was als verdachte één (1), die ik voor mij had.
Wij hielden de verdachte aan. Wij vroegen ondersteuning van een hondengeleider, om de gestolen laptop op te kunnen sporen. Wij zagen dat deze enkele ogenblikken later ter plaatse kwamen. Wij zagen dat zij in de groenstrook gingen zoeken, waar wij de verdachten vandaan hadden zien komen. Wij hoorden dat zij daar de laptop (
de rechtbank begrijpt: de MacBook)vervolgens aantroffen. [11]
Een proces-verbaal, voor zover inhoudende:
Op 25 april 2025 bevond ik, verbalisant, mij op het evenement Koningsnacht in de binnenstad van Utrecht. Ik hoorde dat er zojuist een beroving met geweld had plaatsgevonden op de [straat 1] te Utrecht en dat er twee (2) slachtoffers van de beroving daar nog ter plaatse waren.
Ik hoorde en zag dat er een man zich bij meldde die zei dat hij had gezien dat de man die op de grond lag zojuist fors was mishandeld door een tot dan toe onbekende verdachte. Deze getuige verklaarde het volgende: "Ik zag zojuist een voor mij onbekende man vele malen slaan op het lichaam en ook meermaals op het hoofd van de man die nu op de grond ligt. Ik stond op ongeveer vijftien (15) meter afstand en had goed zicht. Ik zag dat het er heftig aan toe ging en dat de man op de grond duidelijk het slachtoffer is. De man die deze man in elkaar heeft geslagen is nu weg. [12]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:
Ik vroeg aan [getuige] of hij mij kon vertellen wat hij die avond had gezien van het incident. Ik hoorde dat hij zei: "We stonden ergens toen ik zag dat er twee gasten achter elkaar aan renden. Ik zag dat zij een doodlopend stuk of doodlopende steeg in renden. Ik zag dat de voorste persoon ten val kwam, doordat hij tegen een trappetje of iets aan liep. Daarna zag ik dat de twee personen met elkaar worstelden. Op een gegeven moment zag ik dat één van de twee personen boven op de ander zat. Ik zag dat hij met zijn vuist op de persoon die onder hem lag insloeg. Het duurde naar mijn gevoel erg lang. Ik denk dat het wel zo'n zeven tot acht minuten duurde. Ik zag dat de persoon die bovenop zat, voor zeven tot acht minuten, constant met zijn vuist insloeg op degene die onderop lag. Het geweld dat ik zag, zag er zeker niet uit als zelfverdediging. [13]
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 26 april 2025, voor zover inhoudende:
V: Wat deed je gisteren in Utrecht?
A: We waren met mensen.
V: Als iedereen ergens anders naar toe gaat. Was jij dan alleen?
A: Toen ik vocht was ik alleen. [14]
O: Door een getuige wordt gezien dat er een man een andere man slaat. Deze getuige heeft dit ook gefilmd.
V: De politieagent die jou heeft aangehouden heeft dit filmpje ook gezien en hij herkende jou op het filmpje als de man die sloeg.
O: Wij tonen je nog een foto, foto 2.
V: Wat kan je hierover verklaren?
A: We hadden ruzie. We hadden een gevecht tussen elkaar. [15]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 16/096151-25
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op volgende bewijsmiddelen: [16]
Een proces-verbaal van de uitreiking van de winkelontzegging, voor zover inhoudende:
Op 26 maart 2025 omstreeks 16:15 uur waren wij, verbalisanten, bij de winkel [bedrijf] in Utrecht. Aldaar zagen wij de beveiliging met een verdachte staan. De verdachte bleek later te zijn: * [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te Algerije. *
Wij reikten [verdachte] een winkelontzegging uit voor alle [bedrijf] filialen in Nederland voor de duur van 12 maanden. Wij zeiden tegen hem dat deze ontzegging vanaf vandaag inging op woensdag 26 maart 2025 en dat hij eindigt op woensdag 25 maart 2026. Wij vroegen aan hem of hij dat begreep. Wij hoorden hem zeggen dat hij het had begrepen. Wij zeiden tegen hem dat als hij wel in één van [bedrijf] filialen in Nederland komt, dat hij per direct wordt aangehouden. Wij hoorden hem zeggen dat hij dit begreep. [17]
Een geschrift, te weten een winkelontzegging, voor zover inhoudende:
Landelijke winkelontzegging
Bedrijfsnaam [bedrijf]
Ontzegging aan [verdachte]
Naar aanleiding van uw gedrag in ons bedrijf op woensdag ontzeg ik u, namens de directie van [bedrijf] met ingang van heden, 26 maart 2025, de toegang van al onze winkelfilialen in Nederland voor de duur van 12 maanden. Eindigend op 25 maart 2026.
Datum: 26 maart 2025
Spreekt de man Nederlands: Nee
Hoe is de winkelontzegging uitgereikt: persoonlijk
Heeft de verdachte de uitleg begrepen: ja
Tolknummer: 25340 [18]
Een proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende:
De verdachte bevond zich wederrechtelijk in de winkel [bedrijf] , in Utrecht. Op 26 maart 2025 omstreeks 17:00 uur zag ik een persoon met een winkelverbod in de winkel.
De persoon kan ik als volgt omschrijven:
- man;
- licht getint;
- 20-25 jaar
- 1,80 cm;
- tenger postuur;
- zwarte jas;
- licht grijze joggingsbroek
- witte Nike sneakers met oranje logo
Deze man herkende ik van eerder deze middag. Wij hebben toen een winkelontzegging uitgereikt voor de duur van 12 maanden voor alle [bedrijf] in Nederland. [19] Wij hebben de man mee naar achter genomen op afwachting van de politie. [20]
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:
Op woensdag 26 maart 2025 omstreeks 17.30 uur kwamen wij ter plaatse in een filiaal van [bedrijf] . Wij zagen dat [verdachte] zich bevond in het magazijn. [21]
3.3.2
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 van parketnummer 16/128986-25
Poging zwaar lichamelijk letsel (feit 1)
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bij poging tot zware mishandeling moet het vereiste opzet gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bewuste bedoeling had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). Van voorwaardelijke opzet is sprake indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Door minutenlang op het hoofd van het slachtoffer te slaan – onder andere met een riem – terwijl het slachtoffer op de grond lag, heeft de verdachte een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (aanmerkelijke kans) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het hoofd van het slachtoffer in het leven geroepen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan de gedraging van de verdachte worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dat letsel, dat het niet anders kan zijn dat dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
Schuldhelding (feit 2)
De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet had kunnen weten en ook niet had moeten vermoeden dat de rugzak (met daarin een Macbook) afkomstig was van diefstal. De rechtbank verwerpt dit verweer. Aangever ziet de verdachte – één uur nadat hij de rugzak is kwijtgeraakt – met zijn rugzak op zijn rug. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de rugzak van iemand heeft gekregen die hij niet kent en die hem zei dat hij maar even moest kijken of hij die wilde kopen. Onder deze omstandigheden had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de rugzak van diefstal afkomstig was en had hij onderzoek moeten doen naar de herkomst van de rugtas (met inhoud). Nu hij dit niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.
Ten aanzien van het feit onder parketnummer 16/096151-25
Lokaalvredebreuk
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet begreep dat hij niet in de winkel van [bedrijf] mocht komen. Hoewel de winkelontzegging is uitgereikt met een tolk, heeft hij de tolk niet begrepen. De advocaat vindt dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken. De rechtbank concludeert dat uit het proces-verbaal volgt dat het winkelverbod is uitgereikt met behulp van een tolk en dat de verdachte meerdere malen heeft verklaard dat hij het verbod en de gevolgen daarvan begreep. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte de tolk niet begreep en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich bevond in [bedrijf] , terwijl hem de toegang was ontzegd.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Ten aanzien van parketnummer 16/128986-25
Feit 1
op 25 april 2025, te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [benadeelde] een klap tegen het hoofd heeft gegeven en
- die [benadeelde] meermalen met een riem tegen het hoofd heeft geslagen en
- nadat die [benadeelde] ten val was gekomen bovenop die [benadeelde] is gaan zitten en meermalen met zijn vuisten op/tegen het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
op 25 april 2025 te Utrecht,
een rugtas en een MacBook, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Ten aanzien van parketnummer 16/096151-25
op 26 maart 2025 te Utrecht
in het besloten lokaal bij [bedrijf] , wederrechtelijk is binnengedrongen
immers was hem, verdachte, met ingang van 26 maart 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ( [bedrijf] ) ontzegd voor de duur van 1 jaar.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van parketnummer 16/128986-25
Feit 1 poging tot zware mishandeling
Feit 2 schuldheling
Ten aanzien van parketnummer 16/096151-25
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
4.2
Strafbaarheid feit en verdachte
4.3.1
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging vindt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Namens de verdachte heeft de advocaat aangevoerd dat de worsteling is begonnen met zelfverdediging en dat de verdachte eerst zelf is geslagen, voordat hij het slachtoffer sloeg. De verdachte had eerder moeten stoppen met het inslaan op het slachtoffer, waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dit valt volgens de advocaat onder noodweerexces. De advocaat benadrukt dat de getuigen geen uitgebreide verklaring hebben afgelegd en slechts een (laatste) deel van de worsteling hebben gezien.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat niet aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweerexces is voldaan. Er was (kortgezegd) geen sprake van een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
4.3.2
Oordeel van de rechtbank
Bij het beoordelen van het verweer dient de rechtbank allereerst te onderzoeken of een noodweersituatie voldoende aannemelijk is geworden. Pas als hier sprake van is, kan worden beoordeeld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
De rechtbank gaat uit van het scenario zoals uit de bewijsmiddelen volgt. Daar komt bij dat getuige [getuige] heeft verklaard dat hij iemand zag vallen, dat de verdachte boven op het slachtoffer zat en dat het handelen van de verdachte er niet uitzag als zelfverdediging.
Daarnaast heeft aangever verklaard dat hij werd aangevallen door verdachte. De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte bij de politie niets heeft verklaard over zelfverdediging en dat hij pas maanden later op zitting met dit verweer komt. De verdachte heeft ook niet uitgelegd hoe deze noodweersituatie er concreet uitzag en waarom hij zich genoodzaakt zag om zichzelf tegen het handelen van het slachtoffer te verdedigen. De rechtbank oordeelt daarom dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte eerst zelf door het slachtoffer is aangevallen en dat hij zich daartegen moest verdedigen. De noodweersituatie is daarom niet aannemelijk geworden, waardoor hem ook geen geslaagd beroep op noodweerexces kan toekomen.
Conclusie
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer(exces). De feiten en de verdachte zijn dus strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om niet een langere straf op te leggen dan de duur van 6 maanden die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Zij voert daartoe aan dat de voorlopige hechtenis eerder is opgeheven op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden op. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft op koningsnacht op straat geprobeerd om een willekeurig persoon zwaar te mishandelen door hem te slaan op zijn lichaam en hoofd, waarbij hij ook een riem heeft gebruikt. De verdachte heeft daarmee op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Wat een feestelijke avond had moeten zijn, heeft geresulteerd in flinke verwondingen bij het slachtoffer, waarna hij met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Dat deze gebeurtenis een forse impact heeft gehad op het slachtoffer en gevoelens van angst heeft veroorzaakt, blijkt ook uit de vordering tot schadevergoeding en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling en daarmee bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. Tot slot heeft hij zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk bij [bedrijf] , door ondanks een winkelverbod bij de winkel binnen te gaan. Verdachte heeft er blijk van gegeven zich niets aan te trekken van de bevoegdheid die de eigenaar van een winkel toekomt om personen te weren die zich in de winkel misdragen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 26 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten (LOVS). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Deze oriëntatiepunten noemen voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van één of meer kopstoten of trappen tegen het hoofd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank acht het trappen weliswaar niet bewezen maar stelt wel vast dat verdachte, terwijl hij boven op hem zat, minutenlang op het hoofd van het slachtoffer heeft ingeslagen. Voor heling en lokaalvredebreuk zijn geen oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend is. Verdachte is inmiddels het land uitgezet en hij heeft de straf in voorarrest uitgezeten.
6 Vordering benadeelde partij [benadeelde] (parketnummer 16/128986-25, feit 1)
6.1
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.439,59 voor feit 1 van parketnummer 16/128986-25, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag is als volgt onderbouwd: €887,21 voor vergoeding van materiële schade en € 3.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Nieuw telefoonhoesje € 8,95
Screenprotector € 9,95
Nieuwe iPhone 14: € 399,-
Nieuw identiteitsbewijs € 78,50
Tandarts eigen bijdrage tweevlaksvulling € 19,91
Tandarts eigen bijdrage röntgenfoto’s € 10,62
Eigen risico zorgverzekering € 360,28
In de toelichting op de vordering staat vermeld dat het in totaal om € 1.938,59 aan materiële schade gaat. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij een fout lijkt te hebben gemaakt bij het optellen van de materiële schadeposten. De rechtbank heeft deze optelfout hierboven hersteld en gaat uit van € 887,21 aan gevorderde materiële schade. Bij de behandeling ter terechtzitting zijn geen andere schadeposten en/of bedragen aan de orde gekomen dan bovengenoemde.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen.
6.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op het bepleitte beroep op noodweerexces. Bovendien vindt zij dat de schade lastig is vast te stellen en dat het daarom een onevenredige belasting van het strafgeding is. Subsidiair vindt zij dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor de kosten van de telefoon, het telefoonhoesje en het identiteitsbewijs. Zij vindt dat niet is vast te stellen dat het slachtoffer deze spullen is kwijtgeraakt door het handelen van de verdachte en acht het mogelijk dat het slachtoffer de spullen eerder op de avond al is verloren. Ook verzoekt zij om de immateriële schade fors te matigen, omdat de benadeelde partij ook eigen schuld heeft (culpa in causa).
6.4
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade voor de identiteitskaart, het telefoonhoesje, de screenprotector, de tandartsbehandelingen en het eigen risico is voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 bewezen verklaarde feit. Het verweer van de advocaat dat het slachtoffer de portemonnee en de telefoon mogelijk eerder op de avond is kwijtgeraakt, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zijn portemonnee eerder die avond nog niet kwijt was. Vervolgens wordt deze leeg aangetroffen in de buurt van waar de worsteling heeft plaatsgevonden. Dat ook de telefoon op dat moment is verdwenen acht de rechtbank eveneens hoogst waarschijnlijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De rechtbank is met de advocaat van oordeel dat de kosten voor de Motorola-telefoon moeten worden vergoed, en niet de kosten van de nieuw aangeschafte iPhone. De rechtbank wijst de kosten voor de aanschafwaarde van de Motorola van € 179,- daarom toe. Dit betekent dat een totaalbedrag van € 667,21 aan materiële schade wordt toegewezen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering voor de telefoon niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. Gelet op deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’, waar door de benadeelde partij ook naar is verwezen. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire letsel bestaat uit de bij de benadeelde partij vastgestelde PTSS en dat aansluiting moet worden gezocht bij de minst ernstige variant van PTSS, waarbij herstel binnen een tot twee jaar (min of meer) heeft plaatsgevonden. In deze zaak heeft het slachtoffer ter zitting verklaard dat hij in een periode van vier maanden ongeveer 5 behandeling heeft gehad voor zijn PTSS. Deze behandeling heeft ervoor gezorgd dat het slachtoffer geen PTSS meer heeft. Alles afwegende, vindt de rechtbank een bedrag van €2.000,- daarom passend.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van het telefoonhoesje, het identiteitsbewijs en de telefoon wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2025
,omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. De kosten voor de tandarts worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025, de kosten van de nieuwe screenprotector vanaf 18 september 2025 en de kosten voor het eigen risico vanaf 20 augustus 2025. Deze kosten van de benadeelde partij zijn op de genoemde data betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 2.667,21 aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke zoals hiervoor genoemd tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

Het hof in Amsterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 13/081681-22 op 14 oktober 2024 een gevangenisstraf van één week voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
7.1
Vordering van de officier van justitie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat de straf al eerder ten uitvoer is gelegd.
7.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat is het eens met de officier van justitie.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de advocaat, van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat de straf al eerder ten uitvoer is gelegd.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 45, 57, 138, 302, 417bis, van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 subsidiair van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder de feiten 1 primair en 2 subsidiair van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
6 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf
in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 1, parketnummer 16-128986-25)
- wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.667,21, bestaande uit € 2.000 aan materiële schade en € 667,21 aan immateriële schade.
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
 over een bedrag van € 266,45 met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 30,53 met ingang van 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 9,95 met ingang van 18 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van € 360,28 met ingang van 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [benadeelde] van voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat
€ 2.667,21, te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:
 over een bedrag van €266,45 met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van €30,53 met ingang van 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van €9,95 met ingang van 18 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
 over een bedrag van €360,28 met ingang van 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 26 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 23/001160-22
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. C Van
Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Caruso als griffier en is in het openbaar
uitgesproken op 4 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Parketnummer 16-128986-25
Feit 1
hij, op of omstreeks 25 april 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering
van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [benadeelde] een klap tegen het hoofd heeft gegeven en/of
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een riem tegen het hoofd, althans
het lichaam heeft geslagen en/of
- ( nadat die [benadeelde] ten val was gekomen) bovenop die [benadeelde] is gaan zitten en/of
meermalen, althans eenmaal, met zijn vuisten op/tegen het hoofd, althans het
lichaam, van die [benadeelde] heeft geslagen en/of
- meermalen, althans eenmaal, heeft geschopt tegen het hoofd, althans het lichaam,
van die [benadeelde] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 25 april 2025, te Utrecht, althans in Nederland, [benadeelde]
heeft mishandeld door
- die [benadeelde] een klap tegen het hoofd te geven en/of
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een riem tegen het hoofd, althans
het lichaam te slaan en/of
- ( nadat die [benadeelde] ten val was gekomen) bovenop die [benadeelde] te gaan zitten
en/of meermalen, althans eenmaal, met zijn vuisten op/tegen het hoofd, althans
het lichaam, van die [benadeelde] in te slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal, te schoppen tegen het hoofd, althans het lichaam,
van die [benadeelde] ;
Feit 2
hij, op of omstreeks 25 april 2025, te Utrecht, althans in Nederland, een rugtas en/of
een MacBook, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] ,
in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 25 april 2025, te Utrecht, althans in Nederland,
een rugtas en/of een MacBook, althans een goed heeft verworven, voorhanden
heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Parketnummer 16-096151-25
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Utrecht
in het besloten lokaal bij [bedrijf] ,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen
immers was hem, verdachte, met ingang van 26 maart 2025 schriftelijk de
toegang tot die winkel ( [bedrijf] ) ontzegd voor de duur van 1 jaar.

Voetnoten

2.pagina 65 (PV VGL).
3.pagina 66 (PV VGL).
4.pagina 4 (PV tweede raadkamer).
5.pagina 16 (PV VGL).
6.pagina 9 (PV RDK).
7.pagina 90 (PV VGL).
8.pagina 91 (PV VGL).
9.pagina 29 (PV VGL).
11.pagina 30 (PV VGL).
12.pagina 23 (PV VGL).
13.pagina 87 (PV VGL).
14.pagina 96 (PV VGL).
15.pagina 99 (PV VGL).
17.pagina 28.
18.pagina 27.
19.pagina 5.
20.pagina 6.
21.pagina 7.