ECLI:NL:RBMNE:2026:501

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000373592:B001
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 sub b Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentorenWet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning hogere beloning bewindvoerder na vroegtijdige schuldenvrijheid

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van een bewindvoerder om na het accepteren van een nul-aanbod door schuldeisers toch nog een jaar het hogere schuldentarief te mogen rekenen. Het vermogen van betrokkene was onder bewind gesteld vanwege problematische schulden. De bewindvoerder had de schulden geïnventariseerd en betrokkene aangemeld bij schuldhulpverlening.

De schuldhulpverlener startte het traject op 28 april 2025 en op 3 september 2025 gingen schuldeisers akkoord met een nul-aanbod, waardoor betrokkene schuldenvrij werd. De bewindvoerder verzocht om het hogere tarief te mogen rekenen van 5 september 2025 tot 5 september 2026, ondanks dat de schulden toen waren opgelost.

De kantonrechter oordeelde dat het recht op het hogere tarief normaal gesproken geldt zolang problematische schulden aanwezig zijn, maar dat in dit geval vanwege de korte schuldenperiode en de extra werkzaamheden aan het begin van het bewind een afwijking op de hoofdregel gerechtvaardigd is. Daarom mag de bewindvoerder het hogere tarief rekenen vanaf de start van de minnelijke regeling op 28 april 2025 tot en met april 2026.

De beschikking is gegeven door kantonrechter G. Konings en is openbaar uitgesproken op 6 januari 2026. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Bewindvoerder mag hogere beloning rekenen tot en met april 2026 vanaf start minnelijke regeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Toezicht
Locatie Utrecht
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000373592:B001
CBM-nummer
:
BM39920
beschikkingsnummer
:
2
datum
:
6 januari 2026

Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:
[bewindvoerder 1] ,
en
[bewindvoerder 2] ,
beiden vennoot van [bewindvoerder 1] ,
Kamer van Koophandel-nummer [nummer] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
met betrekking tot:

[betrokkene] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 11 december 2025,
- de nadere informatie, ontvangen op 12 december 2025.
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

Beoordeling

Voor het verzoek zijn de volgende omstandigheden van belang. Het vermogen van betrokkende is op 31 augustus 2024 onder bewind gesteld. Betrokkene had tijdens de start van het bewind problematische schulden. De bewindvoerder heeft voor betrokkene de schulden geïnventariseerd, het dossier gestabiliseerd en op een aantal andere leefgebieden hulp geboden. Op 6 maart 2025 heeft de bewindvoerder betrokkene aangemeld bij schuldhulpverlening, op 28 april 2025 is de schuldhulpverlener gestart met het traject en op 3 september 2025 zijn de schuldeisers van betrokkene akkoord gegaan met een zogeheten nul-aanbod. Vanaf dat moment heeft betrokkene dus geen (problematische) schulden meer.
De bewindvoerder heeft verzocht om na het geaccepteerde nul-aanbod van 5 september 2025 nog een jaar het schuldentarief in rekening te mogen brengen, te weten vanaf 5 september 2025 tot 5 september 2026. De achtergrond van dit verzoek is als volgt. Op grond van art. 3 lid 2 sub b van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (de Regeling) heeft een bewindvoerder recht op het maandelijkse hogere (schulden)tarief als een betrokkene problematische schulden heeft. De gedachte achter de hogere beloning is – samengevat – dat het een bewindvoerder meer tijd kost om een schuldendossier te stabiliseren en de betrokkene naar een schuldhulpverleningstraject te begeleiden. Het zwaartepunt van de werkzaamheden zal doorgaans aan het begin van het schuldenbewind liggen, op het moment dat de bewindvoerder de schuldenpositie in kaart brengt. Tegenover die tijdsinvestering van de bewindvoerder in het begin van het bewind, staat het recht om gedurende het volledige schuldhulpverleningstraject het hoge tarief in rekening brengen. Daarmee ontvangt de bewindvoerder over een langere periode een vergoeding voor de extra werkzaamheden in verband met de schulden van een betrokkene.
Echter, sinds de wijziging van de Wet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen komt het vaker voor dat de schulden van een betrokkene na relatief korte tijd zijn opgelost, bijvoorbeeld omdat schuldeisers een nul-aanbod accepteren. De bewindvoerder heeft in een dergelijk geval in het begin veel werkzaamheden verricht, waarvoor dan niet – zoals voorheen – over een langere periode een hoger tarief kan worden gerekend. Dit kan onder omstandigheden onredelijk uitpakken voor de bewindvoerder, zodat moet worden afgeweken van de hoofdregel uit de Regeling. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld.
In dit geval vindt de kantonrechter dat er voldoende grond is om van de hoofdregel af te wijken. Betrokkene was circa een jaar na de start van het bewind schuldenvrij. Gedurende dat jaar mocht de bewindvoerder dus het hogere (schulden)tarief rekenen, maar die vergoeding is opgeteld onvoldoende om de extra werkzaamheden die gepaard gaan met een schuldendossier te compenseren. Om tot een afwijkende beloning te komen, heeft de kantonrechter vastgesteld dat de bewindvoerder tot de start van de minnelijke regeling (28 april 2025) daadwerkelijk extra werkzaamheden die samenhangen met het schuldenbewind heeft verricht. De kantonrechter vindt het in dit geval redelijk dat de bewindvoerder vanaf dat moment nog gedurende een jaar recht heeft op de hogere beloning als compensatie voor de extra werkzaamheden, dus tot en met april 2026.

Beslissing

De kantonrechter bepaalt dat de bewindvoerder tot en met april 2026 de beloning conform artikel 3 lid 2 sub b van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren in rekening mag brengen.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Konings, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
a. door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.