ECLI:NL:RBMNE:2026:498

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3165
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.21 WhtArt. 8:72 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college over vergoeding collegegeld op grond van Kindregeling wegens onvoldoende maatwerk

Eiseres, erkend kind van een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vroeg op grond van de Kindregeling financiële ondersteuning voor onder meer collegegeld. Het college wees de vergoeding van collegegeld af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het college onvoldoende maatwerk had geleverd bij de beoordeling van de aanvraag.

Het college baseerde de afwijzing op het feit dat eiseres een startkwalificatie heeft en aanspraak kan maken op een DUO-beurs, maar ging niet in op de specifieke omstandigheden van eiseres, zoals de impact van het toeslagenschandaal op haar situatie en de stress die het aangaan van een lening met zich meebrengt. De rechtbank stelde dat het college niet volstond met algemene verwijzingen, maar een individuele motivering had moeten geven.

Verder wees de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat geen sprake was van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het griffierecht werd aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het besluit van het college om geen vergoeding van collegegeld te verlenen wordt vernietigd vanwege onvoldoende maatwerk en motivering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3165

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college

(gemachtigde: mr. N. Doran).

Inleiding

1. Deze zaak gaat over de brede ondersteuning die door het college aan eiseres wordt geboden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college geen maatwerk heeft geleverd omdat zij bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende is ingegaan op de individuele omstandigheden van eiseres. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond van de besluiten

2. Tussen 2004 en 2019 is bij veel ouders onterecht de kinderopvangtoeslag stopgezet en de ontvangen toeslag van hen teruggevorderd. Door het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de Dienst Toeslagen) kwamen deze ouders (langdurig) in een nare situatie terecht, met grote financiële problemen en veel onzekerheid. Zij hebben hierdoor financiële schade geleden en zijn in hun rechtsgevoel geschaad omdat zij onterecht als fraudeur zijn bestempeld. Met de hersteloperatie probeert de overheid de gedupeerden recht te doen en hen te helpen om een nieuwe start te maken. Een onderdeel van die operatie is de brede ondersteuning door gemeenten. Deze ondersteuning is bedoeld voor het maken van een nieuwe start voor gedupeerden, na de problemen als gevolg van de toeslagenaffaire. Als uitgangspunt geldt dat gemeenten op grond van een plan van aanpak ondersteuning bieden op de vijf leefgebieden, waardoor een gedupeerde en diens gezin zo snel mogelijk en zo goed als mogelijk hun leven weer op de rit kunnen krijgen. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wht (
Kamerstukken II2021/22, 36151, nr. 3). Onderdeel van de Wht is de Kindregeling, op grond waarvan kinderen van gedupeerde ouders een financiële tegemoetkoming krijgen, en gebruik kunnen maken van hulp en brede ondersteuning.
3. Eiseres is erkend kind van een ouder, die als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire is aangemerkt. In het kader van de Kindregeling heeft zij op 30 september 2024 een aanvraag ingediend voor financiële ondersteuning voor een sportabonnement, de aanschaf van een laptop, schoolboeken en het betalen van collegegeld.
4. Het college heeft met het besluit van 31 oktober 2024 (primaire besluit) beslist:
- voor het sportabonnement een bedrag van € 450,- bij te dragen;
- voor de laptop een bedrag van € 1.049,- bij te dragen;
- geen financiële bijdrage te leveren voor collegegeld. [1]
5. Het bezwaar hiertegen heeft het college met het besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor de motivering heeft het college verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie (de commissie) van 17 april 2025.
6. Eiseres heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen, evenals eiseres met haar zus [A] en moeder [B] .

Bestreden besluit en advies commissie (in essentie)

7. Het college stelt dat de aanvraag voor een financiële bijdrage voor collegegeld terecht is afgewezen. Voor het leefgebied ‘werk’ is het doel om duurzaam te participeren in het arbeidsproces en minimaal te beschikken over een startkwalificatie. Eiseres voldoet hier aan, omdat zij een havodiploma heeft. Zij studeert momenteel hbo bouwkunde. Daarnaast kan eiseres een deel van het collegegeld voldoen door middel van een basisbeurs van DUO. [2] Dit is in eerste instantie een lening, maar wordt omgezet in een gift als eiseres binnen tien jaar een diploma behaalt. Afhankelijk van de financiële situatie van haar ouders kan eiseres eventueel ook gebruikmaken van een aanvullende beurs.

Beroepsgronden (in essentie)

8. Eiseres stelt dat zij slachtoffer is van overheidsfalen, haar is onrecht aangedaan door het opgroeien in armoede, angst en onzekerheid. De Kindregeling is bedoeld als herstel voor kinderen van gedupeerde ouders door het toeslagenschandaal. Het college geeft een te beperkte uitleg aan de Kindregeling door geen collegegeld te vergoeden. Eiseres doet een beroep op een groot aantal (nationale en internationale) bepalingen en beginselen. Meer specifiek is van belang dat volgens eiseres een strikte wetstoepassing zonder evenredigheidstoetsing onaanvaardbaar is en dat de menselijke maat in acht gehouden moet worden. In dit kader benadrukt eiseres dat zij door de weigering opnieuw leningen moet aangaan en hierdoor weer stress en vermoeidheid heeft. Eiseres kan met de beurs van DUO namelijk maar een deel van het collegegeld betalen. Bovendien wordt het hebben van een startkwalificatie onterecht tegengeworpen. Een startkwalificatie alleen (in het geval van eiseres een havodiploma) is niet voldoende om verder te komen op de arbeidsmarkt. Al met al is sprake van een schending van het recht op onderwijs, omdat gelijke kansen voor toegang tot onderwijs niet zijn gewaarborgd. Tot slot stelt eiseres dat sprake is van discriminatie, omdat het hebben van een startkwalificatie of de mogelijkheid een beurs van DUO af te sluiten niet wordt tegengeworpen aan kinderen van ouders die een bijstandsuitkering of Wsw-status hebben. Ook is er verschil tussen gemeentes. Zo zijn er gemeentes die op basis van de Kindregeling wel studiekosten volledig vergoeden. Dit vindt eiseres in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Beoordeling door de rechtbank

9. In het navolgende zal de rechtbank het bestreden besluit beoordelen aan de hand van de hiertegen gerichte beroepsgronden.
10. De rechtbank overweegt dat het college op grond van artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) ondersteuning kan bieden op vijf leefgebieden, namelijk: financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Het collegegeld waar eiseres ondersteuning voor heeft gevraagd valt onder het gebied werk. Het college komt bij het toekennen van brede ondersteuning beoordelings- en beleidsruimte toe. Het is dus aan het college om maatwerk te leveren en per geval te bekijken of brede ondersteuning passend is. Eiseres vindt dat het college deze beoordelingsruimte te beperkt heeft toegepast. Daar gaat het in deze zaak over, niet over toetsing van de Wht zelf.
11. De rechtbank stelt vast dat het college beleidsregels [3] heeft vastgesteld voor de uitvoering van artikel 2.21 van de Wht, maar dat deze dateren van 17 juli 2025, dus van na het nu voorliggende bestreden besluit, waardoor de rechtbank hier bij de (ex-tunc) beoordeling in deze zaak niet aan toekomt.

Het noodzaakcriterium

12. Eiseres stelt onder meer dat het college bij het gebruikmaken van de beoordelingsruimte ten onrechte het noodzaakcriterium heeft toegepast. De rechtbank overweegt dat dit criterium (inmiddels) is opgenomen in de wet. In artikel 2.21, vierde lid sub a, van de Wht staat dat materiële voorzieningen uitsluitend worden toegekend indien die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het maken van een nieuwe start in het kader van herstel. Het college kon dit criterium daarom hanteren. De beroepsgrond slaagt niet.

Aanwezigheid van een ‘startkwalificatie’

13. In deze zaak is het college op basis van de Handreiking brede ondersteuning en plan van aanpak (hierna: de handreiking) van de VNG [4] tot de conclusie gekomen dat een startkwalificatie voldoende is om een nieuwe start te kunnen maken. In paragraaf 3.2 van de handreiking is bij het leefgebied werk als doelstelling opgenomen:
“Minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces.” [5] Ook is in de handreiking opgenomen dat op grond van maatwerk de meest adequate hulp kan worden ingezet die nodig wordt gevonden.
14. De rechtbank overweegt dat de handreiking aanknopingspunten biedt voor gemeenten bij de uitvoering van de brede ondersteuning, maar geen bindende toepassingscriteria voorschrijft. Daar komt bij dat het hebben van een startkwalificatie in de handreiking als minimale voorwaarde wordt genoemd voor het bevorderen van een nieuwe start. Het betreft hier dus geen op zichzelf staande uitsluitingsgrond die los van de specifieke zaak en context kan worden toegepast. In de handreiking wordt ook het duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces genoemd, en het belang van maatwerk. Er zal dus in iedere individuele zaak gewogen moeten worden of een bepaalde (materiële) voorziening noodzakelijk is. Het college kon daarom in deze zaak niet volstaan met de enkele vaststelling dat eiseres een havodiploma heeft en al daarom niet in aanmerking komt voor de gevraagde ondersteuning. Zonder een nadere, op de omstandigheden van eiseres toegespitste motivering is niet duidelijk waarom het college meent dat een havodiploma voor eiseres voldoende kansen op de arbeidsmarkt biedt. De beroepsgrond slaagt.

De mogelijkheid van het afsluiten van een lening bij DUO

15. Het college heeft ook aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Zij kan aanspraak maken op een basisbeurs en – afhankelijk van de financiële situatie van haar ouders – eventueel ook een aanvullende beurs. De basisbeurs wordt omgezet in een gift als binnen tien jaar na aanvang van de studie een diploma wordt behaald. Partijen zijn het erover eens dat een beurs van DUO niet volledig kostendekkend is. Eiseres heeft aangevoerd dat het voor haar, vanwege de trauma’s die zij en haar ouders hebben ondervonden door de toeslagenaffaire, zeer belastend is om een schuld aan te gaan. Het hebben van een (studie)schuld gaat voor eiseres gepaard met grote onzekerheid en stress. Eiseres vindt het onredelijk dat het college deze mogelijkheid aan haar tegenwerpt.
16. De rechtbank overweegt dat het in het algemeen niet ongebruikelijk is dat een student in deze tijd schulden maakt bij de overheid om te kunnen studeren. Het college kon in deze zaak echter niet in zijn algemeenheid naar een studiebeurs van DUO verwijzen. Dat is immers geen maatwerk. Het had op de weg van het college gelegen om te onderzoeken of het van eiseres gevraagd kan worden een lening af te sluiten bij DUO, zeker nu eiseres in bezwaar uiteen heeft gezet wat daarvan de impact is. Het college kon hier niet zonder een individueel op eiseres toegespitste motivering aan voorbij gaan. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Het gelijkheidsbeginsel

17. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van ongelijke behandeling van rechtens vergelijkbare gevallen. Eiseres noemt dat in (bepaalde) gemeenten, als ouders een bijstandsuitkering of Wsw-status hebben, wel sprake kan zijn van (volledige) vergoeding van studiekosten. Hierbij zou niet als voorwaarde worden gesteld dat betrokkene geen startkwalificatie mag hebben. Hiervoor geldt dat geen sprake is van een met de situatie van eiseres vergelijkbaar geval. Het gaat in deze zaak namelijk niet om een vergoeding die op grond van de Participatiewet of Wsw [6] is aangevraagd, waar overigens op zichzelf staande specifieke voorwaarden voor gelden.
Het argument van eiseres dat in
anderegemeenten wel sprake zou zijn van een volledige vergoeding van studiekosten op basis van de Kindregeling, maakt ook niet dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat het er om dat
hetzelfdebestuursorgaan vergelijkbare gevallen gelijk moet behandelen. [7] Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen door het college is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

18. De rechtbank ziet geen aanleiding in te gaan op alle overige verwijzingen door eiseres naar bepalingen van nationaal en internationaal recht, waarmee het bestreden besluit in strijd zou zijn. Wat is overwogen onder 14 en 16 maakt immers al dat het beroep gegrond is.
19. Er kleeft een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit, omdat het college bij het tegenwerpen van de startkwalificatie en de mogelijkheid van het afsluiten van een lening bij DUO onvoldoende is ingegaan op eiseres haar individuele situatie en hoe dit zich verhoudt tot het maken van een nieuwe start.
20. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag om vergoeding van collegegeld te nemen. De reden is dat de persoonlijke situatie van eiseres nog onvoldoende is onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. Het is aan het college hier nadere informatie over te vergaren en een meer toegespitste motivering te geven, zoals is overwogen onder 14 en 16.
21. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft hiervoor acht weken.
22. Het college is bij deze uitkomst gehouden het griffierecht van € 53,- te vergoeden. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen plaats, nu de gemachtigde van eiseres haar vader is en niet gebleken is dat hij haar als professioneel gemachtigde heeft bijgestaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 april 2025;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzitter, en mr. G.P. Loman en mr. M.M. Brink, leden, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op de zitting van 15 december 2025 is meegedeeld dat wel een vergoeding voor schoolboeken is toegekend.
2.Dienst Uitvoering Onderwijs.
3.Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen.
4.Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
5.Pagina 10 van de handreiking.
6.Sinds 2015 beschut werk op grond van de Participatiewet
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1053 r.o. 4.2.1.