ECLI:NL:RBMNE:2026:488

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/16/591007 / HA ZA 25-178
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 5:50 lid 4 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burenruzie over aanbouw, lichtinval, voordeur en leveringsakte bepalingen

Eisers en gedaagden zijn buren die een geschil hebben over een aanbouw aan de woning van gedaagden. Eisers vordert onder meer verplaatsing van de voordeur, terugbrengen van de aanbouw, schadevergoeding wegens verminderde lichtinval en scheuren in de gevel, en verwijdering van camera’s die op hun perceel gericht zijn. Gedaagden vordert in reconventie dat eisers ramen blinderen en een schutting plaatsen.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder door de aanbouw, omdat de voordeur feitelijk op dezelfde plek blijft en de lichtinval niet significant is verminderd. Eisers slaagt er niet in de schade door scheuren te bewijzen als gevolg van de werkzaamheden. De vordering tot verwijdering van camera’s wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van privacy-schending.

Wel wordt eisers veroordeeld om de ramen in de noordoostelijke gevel te blinderen met ondoorzichtig materiaal, conform een bindende bepaling in de notariële leveringsakte. De vordering tot het plaatsen van een schutting door eisers wordt afgewezen. Proceskosten worden deels toegewezen aan gedaagden en deels gecompenseerd tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de meeste vorderingen van eisers af, behalve de verplichting tot het blinderen van ramen conform leveringsakte; proceskosten worden deels toegewezen en deels gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/591007 / HA ZA 25-178
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. F.A. Dijkstra,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. C.P.R. Vrakking.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 21,
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met producties 1 t/m 16,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

[eisers] en [gedaagden] zijn buren en wonen naast elkaar. [gedaagden] heeft een bijgebouw aan zijn woning gerenoveerd. [eisers] vindt dat hij door de nieuwe aanbouw te weinig daglicht in zijn woning krijgt en dat zijn voordeur teveel is weggestopt. Ook zouden door de bouw scheuren in de gevel van zijn woning zijn ontstaan. [eisers] vraagt toestemming om zijn voordeur te verplaatsen en wil anders dat de aanbouw wordt teruggebracht naar de oude staat. Ook vindt [eisers] dat hij recht heeft op een schadevergoeding van € 24.475. Daarnaast vordert [eisers] dat de camera’s van [gedaagden] worden verwijderd of niet meer worden gericht op het perceel van [eisers] . [gedaagden] vindt dat alle vorderingen moeten worden afgewezen. [gedaagden] wil op zijn beurt dat [eisers] de ramen met uitzicht op het huis van [gedaagden] blindeert en dat [eisers] zijn tuin met een schutting afsluit. De vordering van [gedaagden] tot het blinderen van de ramen wordt toegewezen en voor het overige worden alle vorderingen afgewezen.

3.De beoordeling

in conventie
De vorderingen van [eisers] die zien op de voordeur en de lichtinval worden afgewezen
Geen sprake van onrechtmatige hinder
3.1.
Volgens [eisers] is sprake van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omdat als gevolg van de nieuwe aanbouw
a. a) zijn voordeur is ‘weggestopt’ en daarmee minder toegankelijk is, en
b) er een verminderde lichtinval in zijn woning is.
Op deze grondslag vordert [eisers] toestemming om de voordeur te verplaatsen en subsidiair, als hij daarvoor geen toestemming krijgt, dat de aanbouw wordt teruggebracht in de oude staat. Ook vordert hij vergoeding van schade die hij hierdoor zou hebben geleden. De rechtbank gaat hierin niet mee.
3.2.
In artikel 5:37 BW Pro is bepaald dat geen onrechtmatige hinder mag worden toegebracht aan buren door bijvoorbeeld trillingen of het onthouden van licht. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder moet volgens vaste jurisprudentie gekeken worden naar:
- de aard, ernst en duur van de hinder;
- de daardoor veroorzaakte schade;
- de verdere (specifieke) omstandigheden van het geval; en
- de noodzaak van de hinder toebrengende handeling.
a.
a) wat betreft de voordeur
3.3.
Voor zover het gaat om de plaats en toegankelijkheid van de voordeur, is niet gebleken dat de nieuwe aanbouw van [gedaagden] heeft geleid tot een beperking van het gebruik van de deur. De voordeur bevindt zich feitelijk op dezelfde plek als voor de aanbouw en dus op een gelijke afstand van de openbare weg. Weliswaar is de steeg met de aanbouw iets verlengd, zodat de voordeur dieper in de steeg is komen te liggen dan het geval was bij het oorspronkelijke bijgebouw, maar dit levert op zichzelf niet dusdanige hinder op dat deze onrechtmatig is te noemen. Daarbij is van belang dat de steeg na de renovatie juist breder en dus ruimtelijker is geworden. [eisers] heeft nog aangevoerd dat de deur in de nieuwe situatie “onvindbaar” is, maar dit heeft [eisers] niet goed genoeg uitgelegd. Ook volgt dit niet uit de stukken en foto’s. Onrechtmatige hinder kan dus niet worden aangenomen. De vordering tot het verplaatsen van de voordeur (of het aanpassen van de aanbouw) wordt dus afgewezen.
b) wat betreft de lichtinval
3.4.
Ook de verminderde lichtinval in de woning van [eisers] levert geen onrechtmatige hinder op. [eisers] heeft in dit kader een zonnestudie overgelegd. Daaruit volgt dat in de woning van [eisers] gemiddeld 12 minuten per dag minder zonlicht binnenkomt dan voorheen. In de context van de omgeving, waarin sprake is van dichte bebouwing met hoge herenhuizen en smalle stegen, is het de vraag of dit zodanige hinder oplevert dat deze onrechtmatig is te noemen. Maar, los daarvan, heeft [gedaagden] terecht opgemerkt dat de zonnestudie is gebaseerd op de vooraf getekende situatie van de aanbouw en niet op de feitelijke aanbouw zoals die er nu staat. [gedaagden] heeft tijdens de zitting uitgelegd dat in de huidige situatie (nog) minder zonlicht wordt tegengehouden. Dit heeft [eisers] onvoldoende tegengesproken. Bovendien heeft [gedaagden] een eigen zonnestudie laten uitvoeren en de monumentencommissie bij de beoordeling van de aanbouw betrokken voordat de nieuwe aanbouw werd gemaakt. Uit de stukken die [gedaagden] heeft overgelegd, volgt dat met de door [gedaagden] aangebrachte aanpassingen aan de woning de lichtsituatie voor [eisers] juist is verbeterd. Dit betekent dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat de lichtinval is verminderd, en wel zodanig dat dit niet toelaatbaar is.
Geen recht op schadevergoeding
3.5.
Gelet op het voorgaande is geen sprake van onrechtmatige hinder wat betreft de voordeur en de lichtinval, zodat de vorderingen die hiermee samenhangen worden afgewezen. Dit geldt dus ook voor de in dit kader gevorderde schadevergoeding. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat [eisers] geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de door hem gestelde schade, zoals facturen of offertes. Omdat [gedaagden] betwist dat schade is geleden, volstaat een zelfgemaakt overzicht van de kosten niet. Ook dat zou reden zijn dit deel van de vordering af te wijzen.
Het beroep van [eisers] op artikel 5:50 lid 4 BW Pro slaagt niet
3.6.
[eisers] doet nog een beroep op artikel 5:50 lid 4 BW Pro. [eisers] stelt namelijk dat [gedaagden] als gevolg van verjaring geen wegneming van de voordeur meer mag vorderen. Volgens [eisers] bestond de oorspronkelijke situatie van de voordeur al langer dan twintig jaar, zodat [gedaagden] op grond van artikel 5:50 BW Pro geen nieuwe aanbouw mocht neerzetten binnen twee meter van de voordeur van [eisers] . [eisers] leidt hieruit af dat de nieuwe aanbouw in strijd is met dit wetsartikel, zodat om die reden de aanbouw moet worden aangepast.
3.7.
De rechtbank volgt dit niet. Dit wetsartikel ziet op het hebben van vensters, deuren of andere openingen binnen twee meter van de erfgrens. Lid 4 bepaalt dat, wanneer zo’n verboden opening twintig jaar onafgebroken heeft bestaan, de buur niet meer kan vorderen dat die opening wordt verwijderd. Ook is de buur dan verplicht binnen een afstand van twee meter van de opening geen gebouw aan te brengen die de ander onredelijk kan hinderen, voor zover dat gebouw daar op het tijdstip van verjaring niet al stond. Vast staat dat het oorspronkelijke bijgebouw van [gedaagden] – voordat deze werd vervangen door de nieuwe aanbouw – al langer dan twintig jaar binnen twee meter van de voordeur van [eisers] stond. [gedaagden] kan dus geen wegneming meer vorderen van de voordeur. Maar dat betekent nog niet dat – zoals [eisers] heeft aangevoerd – [gedaagden] het bijgebouw niet mocht vervangen door de nieuwe aanbouw. [gedaagden] mocht na verloop van de twintig jaar het bijgebouw in stand laten, maar deze ook aanpassen als hiermee geen (grote) inbreuk ontstaat in de visuele privacy van [eisers] . [1] Van zo’n inbreuk of van onredelijke hinder als gevolg van de nieuwe aanbouw is niet gebleken. Sterker nog, de steeg waarin de voordeur altijd al stond, is met de nieuwe aanbouw juist verbreed. [eisers] heeft onvoldoende uitgelegd waarom zijn privacy is verslechterd ten opzichte van de oude situatie en waarom dit onredelijke hinder betekent wat betreft de voordeur. Het beroep op dit artikel slaagt daarom niet. Dit betekent dat de aanbouw zo kan blijven staan.
De vorderingen van [eisers] die zien op trillingsschade worden afgewezen
3.8.
[eisers] zegt dat door de bouwwerkzaamheden van [gedaagden] trillingen zijn ontstaan die scheuren in de gevel van de woning van [eisers] hebben veroorzaakt. Volgens [eisers] had [gedaagden] vooraf een nulmeting moeten laten uitvoeren. Omdat [gedaagden] dat heeft nagelaten, heeft [eisers] zelf een nulmeting laten doen. [eisers] vordert daar de kosten van terug. [eisers] baseert de vordering tot schadevergoeding op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro).
3.9.
[gedaagden] betwist dat de scheuren het gevolg zijn van de renovatie. Volgens [gedaagden] waren de bouwwerkzaamheden niet zo ingrijpend dat hierdoor scheuren kunnen zijn ontstaan en waren de scheuren al aanwezig vóór de aanvang van de werkzaamheden. De aannemer was alsnog bereid de scheuren voor [eisers] te herstellen, maar [eisers] wilde dat niet en heeft ervoor gekozen het herstel zelf te verrichten. Dit komt volgens [gedaagden] voor rekening van [eisers] .
3.10.
Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad moet [eisers] feiten stellen waaruit volgt dat (i) het handelen van [gedaagden] onrechtmatig was en (ii) dat causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden en de gestelde schade. Daarbij geldt dat het in dit geval aan [eisers] is om aannemelijk te maken dat het om nieuwe scheuren gaat die door de werkzaamheden van [gedaagden] aan de gevel zijn ontstaan.
3.11.
De door [eisers] overgelegde nulmeting biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Uit het rapport blijkt niet dat de deskundige conclusies trekt over het ontstaansmoment van de scheuren. De deskundige vermeldt bijvoorbeeld niet dat een bepaalde scheur pas enkele maanden oud is of dat deze tijdens de bouw moet zijn ontstaan. In het rapport wordt alleen vermeld dat er scheuren in de gevel zijn, wat ook kan passen bij het standpunt van [gedaagden] dat de scheuren er al zaten vóór de bouw. Uit de nulmeting volgt niet dat het om nieuwe schade gaat en ook niet dat een verband bestaat met de werkzaamheden van [gedaagden] . [eisers] heeft ook geen andere stukken of foto’s overgelegd waaruit volgt dat de scheuren zijn ontstaan door de renovatie. Ook ter zitting heeft [eisers] geen aanvullende feiten gesteld of onderbouwd waaruit dat causale verband kan worden afgeleid.
3.12.
Omdat [gedaagden] gemotiveerd heeft weersproken dat de scheuren door de renovatie kunnen zijn veroorzaakt, en [eisers] geen bewijs heeft overgelegd waaruit dat verband wel blijkt, is niet komen vast te staan dat de schade het gevolg is van een onrechtmatige daad van [gedaagden] . Op [eisers] rust namelijk de stelplicht en de bewijslast van zijn stellingen. [2] De rechtbank komt dus ook niet toe aan de beoordeling van de omvang van de schade of de gestelde herstelkosten. De vorderingen van [eisers] die verband houden met trillingsschade worden afgewezen.
[gedaagden] hoeft de camera’s niet te verwijderen of anders te positioneren
3.13.
[eisers] vordert verder nog dat [gedaagden] de camera’s die gericht staan op het perceel van [eisers] verwijdert, of deze niet meer richt op de woning van [eisers] . Volgens [eisers] wordt nu zijn privacy geschonden. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd. [eisers] heeft namelijk niet uitgelegd op welke manier zijn privacy wordt geschonden. [eisers] heeft één foto overgelegd waarop te zien is dat een camera mede is gericht op een blinde muur van de woning van [eisers] , waarop ook mevrouw [eiseres sub 2] te zien is. Daaruit volgt nog niet dat de camera zicht biedt op het privéleven van [eisers] . [gedaagden] heeft weersproken dat sprake is van een privacy schending en toegelicht hoe en waarom de camera’s zijn geplaatst. Volgens [gedaagden] is één camera bevestigd boven de entreedeur van het atelier in de aanbouw en één camera aan de voorkant van zijn woning. Volgens [gedaagden] ligt in het atelier kostbaar edelmetaal en wordt in de omgeving regelmatig ingebroken. Ook heeft [gedaagden] uitgelegd dat de camera’s bewust op deze manier zijn opgehangen om de privacy van [eisers] als overpadgebruikers van hun steeg zoveel mogelijk te waarborgen. Volgens [gedaagden] zijn de camera’s primair gericht op de eigen oprit en de auto van [gedaagden] en is het – gezien de krappe stegen tussen de woningen in de straat – onvermijdelijk dat zij voor een deel zicht hebben op de steeg en de blinde muur van [eisers] . [gedaagden] heeft ter onderbouwing foto’s overgelegd van de positionering van de camera’s en toegelicht dat de steeg en de oprit tot haar perceel horen. De woningen van [eisers] en [gedaagden] zijn gescheiden door een oprit dat hoort bij het perceel van [gedaagden] en waarover [eisers] een recht van overpad heeft. Tegenover de uitgebreide uitleg van [gedaagden] heeft [eisers] zijn vordering niet voldoende handen en voeten gegeven. Dat had hij wel moeten doen, omdat op hem de stelplicht en bewijslast rust van zijn stelling dat zijn privacy wordt geschonden. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de privacy van [eisers] . De vordering wordt daarom afgewezen.
[eisers] moet de proceskosten van [gedaagden] betalen
3.14.
[eisers] is in zijn vorderingen (in conventie) in het ongelijk gesteld en moet daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.085,00
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.16.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
[eisers] hoeft geen schutting te plaatsen
3.17.
[gedaagden] vordert in reconventie dat [eisers] wordt veroordeeld om een schutting te plaatsen ter afscheiding van haar tuin van de steeg die partijen allebei gebruiken. Volgens [gedaagden] is er een open verbinding met de tuin van [eisers] en de steeg. Dit vindt [gedaagden] om verschillende reden niet wenselijk. [gedaagden] beroept zich hierbij op de leveringsakte van zijn woning (waarin ook de erfdienstbaarheid van [eisers] is vastgelegd), waarin staat:
“dat ter plaatse, waar thans aan de noordoost-zijde van de gang of steeg eene houten schutting tot afscheiding aanwezig is, te allen tijde door den eigenaar van die gang of steeg eene afscheiding van welke aard ook mag worden gesticht en gehouden, ook al mocht eventueel de tegenwoordige plaats van die schutting niet precies de noordoostelijke grens van gemeld kadastraal perceel nummer [nummer] volgens kadastrale uitmeting aangeven.”
3.18.
[eisers] erkent dat deze bepaling van toepassing is, maar vindt dat hieruit niet volgt dat [eisers] degene is die een schutting moet plaatsen. De rechtbank geeft [eisers] hierin gelijk. De bepaling uit de leveringsakte houdt namelijk in dat de eigenaar van de steeg ( [gedaagden] ) het recht heeft om ter plaatse een afscheiding te stichten en te houden, ongeacht of de huidige schutting precies op de kadastrale grens staat. In de tekst is geen bepaling opgenomen die [eisers] ertoe verplicht om zelf een schutting te plaatsen. Uit de bepaling volgt alleen dat op [eisers] de verplichting rust om een door [gedaagden] geplaatste afscheiding te gedogen. De bepaling creëert dus een recht voor [gedaagden] , maar geen plicht voor [eisers] om actief een schutting te realiseren.
3.19.
[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat er eerst wel een tuinpoort stond, maar dat deze op enig moment door [eisers] is verwijderd. Volgens [eisers] is deze poort al heel lang geleden weggehaald. Voor zover [gedaagden] met zijn betoog bedoelt te zeggen dat [eisers] de tuinpoort ten onrechte heeft weggehaald en daarom verplicht is een nieuwe schutting te plaatsen, gaat de rechtbank hier niet in mee. Uit de toelichting van partijen op zitting maakt de rechtbank namelijk op dat de tuinpoort van [eisers] zelf was en daar niet door [gedaagden] was geplaatst. Dat betekent dus ook niet dat [eisers] heeft gehandeld in strijd met de bepaling uit de akte door de tuinpoort weg te halen. Uit de akte volgt voor [eisers] namelijk alleen de plicht een door de buren (nu [gedaagden] ) aangebrachte erfscheiding te gedogen en niet om een zelf gemaakte afscheiding te laten staan. De reconventionele vordering van [gedaagden] tot het plaatsen van een schutting door [eisers] wordt daarom afgewezen. Dit neemt niet weg dat het [gedaagden] vrijstaat zelf een schutting te plaatsen in overeenstemming met de akte, die dan door [eisers] moet worden gedoogd. De rechtbank geeft [gedaagden] daarbij in overweging een eventuele nieuwe erfafscheiding in goed overleg met de buren te plaatsen, om verdere escalatie van het conflict te voorkomen.
[eisers] moet de ramen in haar gevel met uitzicht op het huis van [gedaagden] blinderen
3.20.
[gedaagden] vordert dat [eisers] wordt veroordeeld om bepaalde ramen in de noordoostelijke gevel te blinderen met ondoorzichtig materiaal, overeenkomstig de bepaling uit de hiervoor genoemde notariële leveringsakte. In de akte staat onder meer:
“[…] de thans in den noordoostenlijken muur der gebouwen aanwezige deur en licht- of luchtscheppingen [….] te allen tijde op dezelfde plaatsen en tot dezelfde afmetingen te mogen hebben en houden, zonder het getal daarvan te mogen vergrooten of den aard daarvan te mogen wijzigen en onder de verplichting, om het thans voor die licht- of luchtscheppingen en deur gebezigde materiaal, voor zover dit doorzichtig mocht zijn, te allen tijde op de eerste vordering van de eigenaar van de gang of steeg te vervangen door ondoorzichtig materiaal.”
3.21.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze bepaling deel uitmaakt van de notariële akte en hen bindt. Ook is het niet in geschil om welke ramen het gaat. De tekst van de bepaling is helder: [eisers] is verplicht om, op eerste verzoek van [gedaagden] , het doorzichtige materiaal te vervangen door ondoorzichtig materiaal. De akte bevat geen beperking in de tijd; integendeel, daarin staat dat de verplichting “te allen tijde” geldt.
3.22.
[eisers] heeft alleen aangevoerd dat de bepaling zinledig zou zijn geworden en niet kan worden ingeroepen. Waarom dat zo zou zijn, heeft [eisers] onvoldoende uitgelegd. [eisers] heeft dit niet onderbouwd en dit standpunt vindt ook geen steun in de tekst van de akte of de feitelijke situatie. De rechtbank ziet daarom geen grond om aan te nemen dat de bepaling haar betekenis heeft verloren.
3.23.
[eisers] doet ook een beroep op rechtsverwerking. Volgens [eisers] kan [gedaagden] niet op een willekeurig moment een beroep op de bepaling doen, omdat [gedaagden] door haar eigen handelswijze de huidige situatie heeft gecreëerd en nooit eerder aan de bel heeft getrokken. De rechtbank volgt [eisers] hierin niet. Enkel stilzitten of tijdsverloop is voor rechtsverwerking onvoldoende. Daarvoor is namelijk vereist dat [eisers] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [gedaagden] zijn recht niet meer zou uitoefenen, of dat de positie van [eisers] onredelijk zou worden benadeeld als [gedaagden] dat recht alsnog uitoefent. [eisers] heeft zulke omstandigheden niet aangevoerd. Dat de bepaling volgens de akte “te allen tijde” geldt, staat bovendien aan rechtsverwerking in de weg. Ter zitting heeft de rechter voor de volledigheid gevraagd of de stellingen van [eisers] ook moesten worden opgevat als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [eisers] heeft toen uitdrukkelijk verklaard daarop geen beroep te doen en dus niet het standpunt in te nemen dat het onaanvaardbaar is dat [gedaagden] zich nu op de bepaling uit de akte beroept. Dit blijft dus onbesproken.
3.24.
De conclusie is dat uit de notariële akte een voortdurende en afdwingbare verplichting volgt voor [eisers] om op het eerste verzoek van [gedaagden] de ramen te voorzien van ondoorzichtig materiaal (bijvoorbeeld raamfolie). Deze vordering wordt dan ook toegewezen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat het wenselijk is als partijen (ook) op dit punt nader met elkaar in overleg treden. Tijdens de zitting is namelijk aan bod gekomen dat [gedaagden] het zelf ook onwenselijk zou vinden als hij zijn eigen ramen zou moeten afplakken of op een andere manier zou moeten blinderen. De rechtbank hoopt dat nader overleg tussen partijen leidt tot de conclusie dat het blinderen van de ramen (voorlopig) niet nodig is.
3.25.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank – anders dan [gedaagden] heeft gevorderd – geen dwangsommen verbinden aan de veroordeling tot het blinderen van de ramen. Daarbij is van belang dat [gedaagden] in het geheel niet heeft uitgelegd waarom (ongemaximeerde) dwangsommen in dit geval nodig zouden zijn. De rechtbank gaat er op basis van wat op zitting is besproken van uit dat [eisers] het vonnis ook zonder dreigende dwangsommen zal nakomen. Ook vreest de rechtbank dat de mogelijkheid dat een dwangsom wordt verbeurd vooral olie op het vuur zal gooien. Omdat partijen directe buren zijn en allebei hebben verklaard op deze plek te willen blijven wonen, is dit onwenselijk. Partijen blijven namelijk ook in de toekomst als buren op elkaar aangewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.26.
De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten moet dragen. De reden hiervoor is dat [eisers] en [gedaagden] (in reconventie) over en weer op punten in het ongelijk worden gesteld.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
4.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.085,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
4.4.
veroordeelt [eisers] om de ramen in de noordoostelijke gevel te voorzien van ondoorzichtig licht doorlatend materiaal,
4.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.6.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.J. van Yperen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
LLO 5719

Voetnoten

1.MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 206 (https://www.inview.nl/document/id8e38972d0f4753ecc0ef0cb8a5bfc1d5).
2.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).