ECLI:NL:RBMNE:2026:480

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/16/591917
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:253c BWArt. 1:404 BWArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie afgewezen; omgang en gezag uitgesteld wegens huiselijk geweld

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van de vader om de kinderalimentatie te verlagen, een omgangsregeling vast te stellen en gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn dochter. De moeder was het hier niet mee eens. De rechtbank oordeelde dat hoewel er sprake is van gewijzigde omstandigheden, de huidige kinderalimentatie nog steeds aan de wettelijke maatstaven voldoet en wees het verzoek tot wijziging af.

De omgangsregeling werd niet direct toegekend vanwege een ernstig incident van huiselijk geweld in het verleden waarbij de vader agressief was richting de moeder en haar moeder, wat traumaklachten bij het kind veroorzaakte. De eerdere poging tot omgang was mislukt. De rechtbank verlangt dat de vader eerst aantoont dat hij aan zijn emotieregulatie heeft gewerkt en de impact van zijn gedrag erkent, voordat omgang kan worden opgestart.

Ook over het gezamenlijk gezag werd nog geen beslissing genomen, omdat er momenteel geen contact is tussen vader en kind en tussen de ouders, wat het gezamenlijk gezag bemoeilijkt. De rechtbank houdt de beslissing over omgang en gezag zes maanden aan, met de verplichting aan de ouders om de rechtbank te informeren over de voortgang.

De rechtbank baseerde haar oordeel over de kinderalimentatie mede op een berekening van de moeder, die uitging van de door de vader zelf aangeleverde financiële gegevens. De draagkracht van de vader is voldoende om naast de alimentatie voor zijn dochter ook bij te dragen in de kosten voor zijn zoon uit een ander geregistreerd partnerschap. De rechtbank acht het redelijk dat het inkomen van de partner van de vader wordt meegewogen bij de onderhoudsverplichting voor de zoon.

De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 en kan, voor zover definitief beslist, worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot verlaging kinderalimentatie afgewezen; beslissing over omgang en gezag zes maanden aangehouden wegens onvoldoende onderbouwing van emotionele regulatie na huiselijk geweld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/591917 / FL RK 25-430
Gezag, omgang en kinderalimentatie
Beschikking van 9 februari 2026
in de zaak van:
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.S. Meijer,
tegen
[moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.E. Vries.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vader, binnengekomen op 2 april 2025;
  • het bericht (met bijlagen) van de vader van 10 april 2025;
  • het verweerschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 5 juni 2025;
  • het bericht van de vader van 14 augustus 2025;
  • het bericht (met bijlagen) van de moeder van 20 november 2025;
  • het bericht (met bijlagen) van de vader van 2 december 2025;
  • het bericht van de vader van 10 december 2025;
  • het bericht (met bijlagen) van de vader van 12 december 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
15 december 2025. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaten en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De advocaat van de vader heeft via Teams aan de zitting deelgenomen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] . [minderjarige 1] woont bij haar moeder.
2.3.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] . Dat betekent dat zij zelfstandig de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] kan nemen.
2.4.
De vader heeft een geregistreerd partnerschap met mevrouw [B] . Samen hebben zij een zoon: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2024.
2.5.
In een eerdere procedure heeft de vader vervangende toestemming verzocht om [minderjarige 1] te erkennen, en ook gezamenlijk gezag en een omgangsregeling verzocht. De vader heeft vervangende toestemming gekregen om [minderjarige 1] te erkennen en heeft dat ook gedaan. Er is begeleide omgang gestart, maar het opbouwen van de omgang is niet gelukt. De vader heeft naar aanleiding daarvan zijn verzoeken over het gezag en de omgangsregeling ingetrokken. In de beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2022 zijn de nog resterende verzoeken van de ouders afgewezen.
2.6.
In de beschikking van deze rechtbank van 11 oktober 2022 heeft de rechtbank opgenomen dat de ouders zijn overeengekomen dat de vader met ingang van 1 september 2022 een bedrag van € 182,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder voldoet. Na de wettelijke indexering (jaarlijkse verhoging) bedraagt de kinderalimentatie in 2025 € 213,- per maand.
2.7.
De ouders zijn het niet eens over het gezag, de omgangsregeling en de kinderalimentatie. De vader verzoekt de rechtbank:
1. de in de beschikking van deze rechtbank van 11 oktober 2022 vastgestelde kinderalimentatie te wijzigen en de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 19 oktober 2024 dan wel met ingang van het moment van indienen van zijn verzoekschrift vast te stellen op een bedrag van € 77,- per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vernemen;
2. een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige 1] van viermaal in de week 2,5 uur gedurende een periode van een maand, vervolgens viermaal in de week 3,5 uur gedurende een maand en vervolgens gedurende een periode van drie maanden, driemaal in de week 4 uur, en daarna de definitieve regeling: iedere week een doordeweekse dag met overnachting bij de vader, waarbij hij [minderjarige 1] uit school ophaalt en om de week een weekend vanaf vrijdag uit school tot en met zondag 16.00 uur. Verder de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. Althans een regeling vast te stellen zoals de rechtbank die rechtens juist acht;
3. te bepalen dat de vader samen met de moeder het gezag uitoefent over [minderjarige 1] .
2.8.
De moeder is het niet mee eens met de verzoeken en vraagt de rechtbank om deze af te wijzen.

3.De beoordeling

Nog geen beslissing over de omgangsregeling

3.1.
De rechtbank zal nu nog geen beslissing nemen over de omgangsregeling, maar die beslissing nog zes maanden uitstellen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij dit doet.
3.2.
In de wet staat dat ieder kind heeft recht op omgang (oftewel contact) met zijn ouders. [1] Omgekeerd heeft een ouder ook recht op omgang met zijn kind. Dat is dus het uitgangspunt. De rechtbank kan echter in een aantal in de wet vastgelegde uitzonderingsgevallen beslissen dat er geen omgang is. Dat kan onder andere als omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van het kind of om andere redenen in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. [2]
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat het op dit moment niet uit te sluiten is dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] of om andere reden in strijd zou zijn met haar zwaarwegende belangen. Dit komt door de volgende omstandigheden:
 [minderjarige 1] is, toen zij nog maar een paar maanden oud was, bij een heftig incident tussen de ouders aanwezig geweest. In mei 2021 is de vader fors agressief geweest richting de moeder en de oma van moederszijde – in ieder geval verbaal, maar volgens de moeder ook fysiek. De vader is naar aanleiding daarvan ook veroordeeld wegens bedreiging. Deze (verbale) agressie moet worden gezien als een vorm van huiselijk geweld, en als een kind getuige is van agressie door een ouder, wordt dat gezien als een vorm van kindermishandeling. [minderjarige 1] heeft als gevolg van dit incident traumaklachten gekregen: het consultatiebureau heeft in juni 2021 geconstateerd dat [minderjarige 1] schrikachtig, overstuur en niet te troosten was, terwijl zij eerder een vrolijke baby was die wel goed te troosten was. [minderjarige 1] is behandeld bij de Kinderkliniek in verband met deze klachten;
 Er is eerder gewerkt aan het opstarten van de omgang. Cumulus Home heeft dit begeleid. Dat traject is niet goed verlopen. Eerst verliep het contact tussen de vader en [minderjarige 1] wel goed, maar tijdens een evaluatiegesprek met Cumulus Home escaleerde het tussen de ouders. Daarna gaf de vader aan dat hij met de omgang wilde stoppen. De omgangsbegeleiding heeft hem kunnen overhalen om het toch weer te proberen, maar de omgang verliep daarna niet goed meer. Cumulus Home schrijft in het eindverslag onder andere dat de vader tijdens de omgangsmomenten veel bezig was met de moeder en tot twee keer toe ook audio-opnamen maakte van de omgangsafspraken. Het lukte de vader niet meer om aansluiting bij [minderjarige 1] te vinden. Het zeer slechte contact tussen de ouders maakte uiteindelijk dat de begeleide omgang werd gestopt.
3.4.
Vanwege deze gebeurtenissen vindt de rechtbank het belangrijk dat de vader, vóór er omgang kan worden opgestart, (i) aantoont dat hij gewerkt heeft aan zijn emotieregulatie, en (ii) erkent wat dit incident met de moeder en [minderjarige 1] heeft gedaan. Dat is van belang om een tweede poging tot het opbouwen van contact wel te laten slagen, en daarmee in het belang van de vader zelf en van [minderjarige 1] .
3.5.
De rechtbank ziet nu nog onvoldoende dat de vader deze stappen heeft gezet:
 de vader heeft wel gezegd dat hij met behulp van een psycholoog aan zichzelf heeft gewerkt, maar heeft dit niet onderbouwd. Wel heeft de vader een brief van een fysiotherapeut laten zien. Tijdens de zitting heeft de vader gezegd dat deze persoon, [C] , naast fysiotherapeut ook arts en psycholoog is. Dat volgt echter niet uit de brief en is door de moeder betwist. Uit de brief volgt wel dat de vader tussen januari 2022 en april 2023 een revalidatietraject heeft doorlopen en dat daarbij ook een gezondheidspsycholoog betrokken is geweest. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende, want een gezondheidspsycholoog is een psycholoog die zich bezighoudt met het omgaan met lichamelijke ziektes, handicaps en blessures. Wat noodzakelijk is, is dat de vader hulp zoekt (of onderbouwt dat hij die al gehad heeft) bij het hanteren van zijn emoties en agressie. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat op grond van het Verdrag van Istanbul maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de uitvoering van een omgangsregeling niet ten koste gaat van de veiligheid van het slachtoffer van huiselijk geweld – de moeder – of de kinderen;
 de vader heeft tijdens de zitting verteld dat hij inziet dat het niet goed is hoe hij zich in het verleden heeft gedragen, en dat hij begrijpt dat het veel met de moeder heeft gedaan. Hij heeft gezegd dat hij daar de verantwoordelijkheid voor draagt en er veel spijt van heeft. De rechtbank kan nog niet goed inschatten in hoeverre deze erkenning gebaseerd is op een werkelijk inzicht van de vader. Hij heeft namelijk, toen de rechtbank dit vroeg, bevestigd dat hij dit op de zitting voor het eerst zo heeft uitgesproken. Voor het slagen van een opbouw van de omgang is het belangrijk dat deze erkenning consequent en doorvoeld blijkt. Dit is namelijk nodig om de moeder in staat te stellen om aan [minderjarige 1] emotionele toestemming te geven voor contact met de vader. Die emotionele toestemming is nodig voor een goed contact tussen [minderjarige 1] en haar vader. Ook hieraan kan de vader dus werken met hulpverlening, en dit kan hij dan ook aan de rechtbank en de moeder laten zien.
3.6.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de vader eerst deze stappen zet en dat laat zien, voor er een beslissing kan worden genomen over de omgangsregeling. Op die manier kan een eventuele opbouw zorgvuldig plaatsvinden en is de kans op succes het grootst. Dat is belangrijk, voor de vader, die zijn dochter erg mist, maar ook voor [minderjarige 1] , die al een eerdere negatieve ervaring met opbouw van de omgang heeft moeten verwerken. De rechtbank wil voorkomen dat [minderjarige 1] opnieuw een dergelijke ervaring heeft.
3.7.
De rechtbank houdt de beslissing op de verzoeken zes maanden aan, zodat de vader kan aantonen dat hij aan zijn emotieregulatie en aan de erkenning van de impact van zijn gedrag in het verleden heeft gewerkt. De ouders dienen de rechtbank over uiterlijk zes maanden te informeren hierover en over hoe zij willen dat de procedure verder gaat. Als er al eerder informatie beschikbaar is, mogen zij dit ook eerder aan de rechtbank laten weten.
3.8.
Als de vader afdoende kan aantonen dat deze stappen zijn gezet, en dat er dus niet langer sprake is van een dreigend ernstig nadeel voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] of van dreigende strijd met haar zwaarwegende belangen, is de rechtbank voorshands van oordeel dat moet worden gestart met een begeleid omgangstraject. Op die manier kan [minderjarige 1] goed begeleid worden en weer opnieuw een band met haar vader gaan opbouwen.
Ook nog geen beslissing over het gezag
3.9.
De rechtbank neemt nu ook nog geen beslissing over het gezamenlijk gezag. Het uitgangspunt van de wet is dat beide ouders, ook als zij uit elkaar zijn, samen beslissingen over hun kinderen nemen. Op dit moment is er echter geen contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Dat is wel nodig om op een goede manier het gezag uit te kunnen oefenen: daarvoor moet de vader immers zicht op [minderjarige 1] ’s leven hebben. Ook is er op dit moment geen contact tussen de vader en de moeder. Er is daardoor nu een risico dat [minderjarige 1] , als de ouders samen beslissingen zouden moeten nemen, klem komt te zitten tussen haar ouders. [3] Er zal daarom eerst moeten worden bekeken hoe de situatie met betrekking tot de omgang zich ontwikkelt, voordat de rechtbank over het gezag kan beslissen.
Kinderalimentatie
3.10.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader om de kinderalimentatie opnieuw te berekenen af en zal hierna uitleggen waarom.
3.11.
Uit de wet volgt dat de ouders verplicht zijn om naar hun draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. [4] In de beschikking van 11 oktober 2022 heeft de rechtbank de kinderalimentatie vastgesteld. Zo’n rechtelijke uitspraak waarin de kinderalimentatie is vastgesteld, kan in een nieuwe rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, als zij door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen; dat staat in de wet. [5]
3.12.
Er is sprake van een wijziging van omstandigheden, zoals de vader heeft betoogd. Zijn inkomen is veranderd, hij is een geregistreerd partnerschap aangegaan met zijn partner en hij heeft een zoon gekregen, waarvoor hij ook onderhoudsplichtig is. Dat zijn allemaal veranderingen ten opzichte van de situatie in 2022.
3.13.
Ondanks deze wijziging van omstandigheden zal de rechtbank de kinderalimentatie echter niet aanpassen. Dat komt omdat de rechterlijke uitspraak van 11 oktober 2022 nog steeds aan de wettelijke maatstaven voldoet, zoals de moeder terecht heeft betoogd onder verwijzing naar een uitspraak het gerechtshof Den Haag van 8 januari 2025. [6] In die uitspraak heeft het gerechtshof, kort gezegd, geoordeeld dat niet iedere wijziging van omstandigheden aanleiding geeft tot het opnieuw berekening van de kinderalimentatie, zolang die kinderalimentatie nog aan de wettelijke maatstaven voldoet.
3.14.
De rechtbank baseert haar oordeel dat de kinderalimentatie nog steeds aan de wettelijke maatstaven voldoet op de berekening die de moeder heeft gemaakt. [7] De moeder heeft zich hierbij alleen gebaseerd op de door de vader aangeleverde financiële gegevens: zij is dus uitgegaan van de financiële situatie zoals de vader die zelf heeft geschetst. Uit de berekening blijkt dat de vader nu, op basis van zijn eigen gegevens en dus met zijn gedaalde inkomen, een draagkracht van € 333,- per maand heeft. Als de kinderalimentatie die hij voor [minderjarige 1] moet betalen (in 2025 is dat € 213,-) daarvan af wordt gehaald, heeft de vader dus nog een draagkracht van € 120,- per maand over.
3.15.
Deze draagkracht kan de vader gebruiken om te voorzien in de behoefte van zijn zoon. Dat moet hij samen doen met zijn partner, die immers ook onderhoudsplichtig is voor hun zoon. Zij moeten dat naar rato doen. De draagkracht van de partner van de vader is, zo blijkt uit de door hem aangeleverde gegevens, € 1.096,-. Samen met de overgebleven draagkracht van de vader van € 120,- komt dat op een totale draagkracht van € 1.216,- per maand (€ 1.096,- + € 120,-). Dat is (ruim) voldoende om in de behoefte van hun zoon te voldoen, want die behoefte is € 937,-.
3.16.
De vader heeft nog aangevoerd dat hij het niet eerlijk vindt dat de draagkracht van zijn huidige partner volledig wordt meegewogen, alleen maar omdat zij een hoog inkomen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter juist wel redelijk. Als ouders van hun zoon zijn de vader en zijn partner immers verplicht om naar rato van hun inkomen in zijn onderhoud te voorzien. Dat de partner van de vader een hoog inkomen heeft, betekent dat zij relatief veel kan (en moet) bijdragen voor hun zoon. De vader heeft minder draagkracht, omdat hij nu minder verdient, en zijn draagkracht moet worden gebruikt voor zijn twee kinderen.
3.17.
Bovendien: als de bijdrage voor [minderjarige 1] naar beneden zou worden bijgesteld, zou de vader in een gunstigere situatie komen vergeleken met de moeder. Het ‘draagkrachtoverschot’ van de vader en zijn partner wordt dan immers alleen maar groter. Dat zou geen redelijke uitkomst zijn voor de moeder en voor [minderjarige 1] .
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie af;
4.2.
houdt de beslissing over het gezag en de omgangsregeling aan voor de duur van
zes maanden (maar dat mag ook eerder),met het verzoek aan de ouders om de rechtbank te infomeren over de stappen die de vader heeft gezet en hoe zij willen dat de procedure verder gaat.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:377a lid 1 BW.
2.Artikel 1:377a lid 3 BW.
3.Artikel 1:253c lid 2 onder a BW.
4.Artikel 1:404 lid 1 BW Pro.
5.Artikel 1:401 lid 1 BW Pro.
6.Gerechtshof Den Haag, 8 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:93.
7.Productie 14 van de zijde van de moeder.