ECLI:NL:RBMNE:2026:4756

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
613904
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot nakoming samenwerkingsovereenkomst en verbod tot overeenkomst met derden

In deze kortgedingprocedure vorderen eiser sub 1 en eiser sub 2 dat gedaagde sub 1 een samenwerkingsovereenkomst nakomt die zij menen te hebben gesloten over de exploitatie van een sportplatform en app genaamd [naam]. Daarnaast vorderen zij subsidiair een verbod voor gedaagde om met derden overeenkomsten aan te gaan met betrekking tot de exploitatie van dit platform.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen ondertekende overeenkomst bestaat en dat partijen onenigheid hebben over essentiële onderdelen, zoals de hoogte van de financiële inbreng en afbetaling van een oude lening. Er is geen overeenstemming over de essentialia van de samenwerkingsovereenkomst, waardoor niet aannemelijk is dat een afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen.

Ook de subsidiaire vordering tot het verbod om met derden overeenkomsten aan te gaan wordt afgewezen, omdat gedaagde reeds een samenwerking met een andere investeerder is aangegaan en eiser sub 1 en 2 geen belang meer hebben bij deze vordering.

De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af en veroordeelt eiser sub 1 en 2 in de proceskosten, inclusief wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en het verbod tot het aangaan van overeenkomsten met derden worden afgewezen wegens het ontbreken van een afdwingbare overeenkomst en belang.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/613904 / KL ZA 26-191
Vonnis in kort geding van 14 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,te [plaats] ,2. [eiser sub 2] ,te [plaats] ,eisende partijen,hierna samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ,advocaat: mr. F.G. van der Geld,tegen1. [gedaagde sub 1] ,statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4.
[gedaagde sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
5.
[gedaagde sub 5],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
6.
[gedaagde sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
advocaat: mr. W.J. van der Mersch

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8.
1.2.
Op 9 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat uiterlijk 23 juli 2026 vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
Deze zaak gaat om de vraag of het aannemelijk is dat partijen een (afdwingbare) overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot een samenwerking tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en [gedaagden c.s] anderzijds. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen dat dit het geval is. Zij zeggen dat zij met [gedaagden c.s] in april 2024 in gesprek zijn gegaan over de (her-)ontwikkeling en exploitatie van een platform met bijbehorende [naam] -app (hierna: [naam] ). [naam] is een app en platform dat getalenteerde sporters verbindt met trainers, clubs en scouts. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen dat (uiterlijk) op 13 november 2025 een (samenwerkings)overeenkomst tot stand is gekomen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen dat [gedaagde sub 1] deze overeenkomst nakomt. Voor het geval de nakoming niet toewijsbaar is, vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat het [gedaagde sub 1] wordt verboden – kort gezegd - om gedurende een periode van zes maanden met betrekking tot de exploitatie van [naam] een overeenkomst met een derde aan te gaan.
2.2
[gedaagden c.s] is van mening dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dan ook geen recht op nakoming hebben. Voorts stelt [gedaagde sub 1] dat de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gevorderde overdracht van IE-rechten met betrekking tot de app [naam] per definitie niet toewijsbaar is omdat deze rechten op 18 juni 2026 zijn overgedragen aan een andere rechtspersoon, niet zijnde [gedaagde sub 1] . Dit laatste is ook het verweer tegen de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ingestelde subsidiaire vordering.
2.3
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ingestelde vorderingen toe te wijzen.

3.De beoordeling

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben een spoedeisend belang
3.1
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
3.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voldoende aannemelijk hebben gemaakt een spoedeisend belang te hebben. Zij hebben gewezen op de omstandigheid dat [gedaagden c.s] eind maart en begin april 2026 heeft aangegeven dat zij met een andere investeerder gesprekken voert. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] wil voorkomen dat [gedaagden c.s] met derden verplichtingen ten aanzien van [naam] aangaat, terwijl [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen dat [gedaagden c.s] haar verplichtingen jegens haar moet nakomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag die voorligt naar zijn aard spoedeisend is, zodat het spoedeisend belang wordt aangenomen.
Primair: niet aannemelijk dat de samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen
3.3
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het niet aannemelijk is dat een rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat een samenwerkingsovereenkomst zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat voorstaat tot stand is gekomen met [gedaagden c.s] De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen hoe en waarom zij tot dat oordeel is gekomen.
3.4
Voor het (juridisch) oordeel dat een overeenkomst tot stand is gekomen, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat er sprake was van een aanbod en dat de wederpartij dat aanbod heeft aanvaard. In dat aanbod en die aanvaarding moet de wilsovereenstemming tot uitdrukking zijn gebracht die ziet op de totstandkoming van de overeenkomst. Of die wilsovereenstemming er is, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kunnen in elke vorm geschieden en in een of meer gedragingen besloten liggen. Nodig is dat partijen het ten minste eens zijn over de essentialia van de overeenkomst.
3.5
Van belang is dat tussen partijen vaststaat dat er geen ondertekende overeenkomst bestaat ten aanzien van hun samenwerking. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verwezen naar verschillende feiten en omstandigheden waaruit volgens hun volgt dat er – in weerwil van het ontbreken van een ondertekende overeenkomst – tóch een rechtens afdwingbare samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen.
3.6
Wanneer het juridisch kader zoals weergegeven onder 3.4. van dit vonnis echter wordt toegepast op deze casus, dan kan de voorzieningenrechter niet anders dan vaststellen dat er geen sprake is (geweest) van overeenstemming over de essentialia van een samenwerkingsovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak is immers besproken dat er sprake was van onenigheid over de financiële inbreng van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen dat zij beiden een bedrag van € 60.000,- zouden inbrengen, maar [gedaagden c.s] meent dat de afspraak was dat dit een bedrag van € 100.000,- zou zijn. Hiernaar gevraagd hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op zitting aangegeven dat een initieel bedrag aan investeringen van € 100.000,- per investeerder is besproken, maar dat dit later naar beneden is bijgesteld aan de hand van een prognose en dat [gedaagden c.s] hiermee akkoord is gegaan. Dat er akkoord was gegeven op een lager bedrag aan investeringen wordt echter ten stelligste betwist door [gedaagden c.s] [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben de voorzieningenrechter desgevraagd niet kunnen wijzen op een productie, dan wel enig ander stuk, waaruit de instemming van [gedaagden c.s] op dit essentiële punt zou volgen. Dat deze onenigheid voortduurde en [gedaagden c.s] bleef vasthouden aan een investering van € 100.000,- per investeerder is onderbouwd door te verwijzen naar een app van de heer Philip (namens [eiser sub 2] ) van 25 maart 2026 waarin hij zijn ongenoegen uit over het feit dat [gedaagden c.s] bleef vasthouden aan een bedrag van € 100.000,-. [1] [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hadden hieruit kunnen afleiden dat er kennelijk (dus) geen overeenstemming was bereikt over een essentieel onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst, te weten de hoogte van hun eigen financiële inbreng.
3.7
Ook wijst de voorzieningenrechter ten overvloede erop dat er nog meer onderdelen of essentialia waren waarop kennelijk nog geen overeenstemming is bereikt tussen partijen. Zo is door [gedaagden c.s] tijdens de mondelinge behandeling gewezen op de afbetaling van een oude lening (de CANS-lening) door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , wat voor [gedaagden c.s] van groot belang was omdat de heer Van Eijl financiële rust of zekerheid wenste voor [eiser sub 2] . De heer [A] heeft mede namens [eiser sub 1] hierover op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij nooit of te nimmer een oude lening zou afbetalen. Voorts is gebleken dat partijen van mening verschilden over de geschiktheid van de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geregelde kantoorruimte.
3.8
Dat partijen hebben gesproken over een aandeelhouders- en managementovereenkomst, en dat [gedaagden c.s] op een leeg template hiervan mogelijk akkoord heeft gegeven, maakt het voorgaande niet anders. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zijn de concepten die tussen partijen zijn gewisseld lege ‘standaard’ of zogeheten template contracten. Hierbij is het gebruikelijk en dus ook aannemelijk dat partijen nog (al dan niet met advocaten) nader overleg hadden moeten voeren over de definitieve invulling van deze templates.
3.9
Door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is er ook nog op gewezen dat partijen in december 2025 een nieuwe vennootschapsstructuur hebben opgericht, en dat daar verplichtingen uit voortvloeien zodat [gedaagden c.s] hier nu niet zomaar van kan weglopen. Dit standpunt is juist, maar betekent niet dat de primaire vordering daarmee toewijsbaar is. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat er nog een aandeelhoudersvergadering aangekondigd en gevoerd moet worden over een mogelijke liquidatie van deze vennootschappen indien partijen in [eiser sub 2] niet verder zullen samenwerken. Eén en ander maakt echter niet dat hieruit kan worden afgeleid, dan wel op basis hiervan kan worden vastgesteld, dat er overeenstemming is bereikt over de essentialia van een samenwerkingsovereenkomst. Voor zover er verplichtingen zouden zijn over de gemaakte kosten voor het oprichten van de vennootschapsstructuur, heeft de voorzieningenrechter nog gezien dat er namens [gedaagden c.s] bij het afbreken van de onderhandelingen is aangeboden om alle gemaakte kosten te vergoeden.
3.1
Het heeft er alle schijn van dat beide partijen de oprechte intentie hadden op een goede en vruchtbare samenwerking, maar dat zij ‘door de tijd zijn ingehaald’ vóórdat de samenwerking en de overeenkomsten die daarbij hoorden zijn overeengekomen en geformaliseerd. Dit blijkt ook wel uit de opmerking van [gedaagden c.s] tijdens de mondelinge behandeling dat de intellectueel eigendomsrechten ten aanzien van [naam] (uiteindelijk) zouden worden ingebracht in de samenwerking. De reactie hierop van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat dit van meet af aan zou worden ingebracht, blijkt echter nergens uit. Dit moet daarom worden aangemerkt als een veronderstelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zonder dat vaststaat dat zij dit (uiteindelijk) hebben geconcretiseerd en afgesproken.
Tussenconclusie – geen nakoming en afwijzing alle primaire (neven-)vorderingen
3.11
Gelet op al het voorgaande acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat een rechter in een bodemprocedure tot het oordeel komt dat een samenwerkingsovereenkomst zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat voorstaat tot stand is gekomen. Er is geen overeenstemming bereikt over de essentialia van hun samenwerking, ook al waren zij mogelijk in de veronderstelling dat dit wel zo was. Het standpunt van [gedaagden c.s] dat (kortweg) de intellectueel eigendomsrechten van [naam] nu bij een andere vennootschap zijn ondergebracht, en dat [gedaagden c.s] op dit punt dus niet kan nakomen, hoeft daarom geen verdere bespreking.
3.12
De voorzieningenrechter zal de primaire vorderingen afwijzen. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk gemaakt dat ook de nevenvordering tot inzage zoals weergegeven onder IV en V van het petitum van de dagvaarding zag op een vennootschapsrechtelijke belang van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat voortkwam uit de veronderstelde samenwerking. Het was uitdrukkelijk geen vordering in subsidiaire zin. Nu de vordering tot nakoming onder I van het petitum wordt afgewezen, zullen dus ook de nevenvordering (waaronder, maar niet beperkt tot, vorderingen IV en V van het petitum) worden afgewezen.
Subsidiair: vordering verbod aangaan overeenkomst met derden (ook) niet toewijsbaar
3.13
In subsidiaire zin vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat het [gedaagden c.s] wordt verboden om gedurende een periode van 6 maanden een overeenkomst met een derde partij aan te gaan betreffende (kortweg) de exploitatie van [naam] . Er wordt niet gevorderd dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] met [gedaagden c.s] moeten door onderhandelen, en er is ook niet gesteld dat afbreken van de onderhandelingen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, zoals bepaald in het arrest Plas/Valburg (ECLI:NL:HR:1982:AG4405).
3.14
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij graag vooruit en verder willen met de samenwerking met [gedaagden c.s] en dat het idee bij de subsidiaire vordering was dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] willen voorkomen dat [gedaagden c.s] met een derde partij verder zou gaan. Inmiddels is echter gebleken dat [gedaagden c.s] al een samenwerking met een andere investeerder is aangegaan. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in dat kader niet duidelijk gemaakt wat nu nog hun belang is bij deze vordering.
3.15
Gelet op het ontbreken van enig belang bij deze vordering, ligt ook de vordering in subsidiaire zin gereed voor afwijzing.
Eindconclusie
3.16
De door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ingestelde vorderingen zijn niet toewijsbaar.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]
3.17
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
3.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] af,
4.2
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
4428

Voetnoten

1.Productie GP2 bij conclusie van antwoord.