Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- de verdachte met zijn advocaat, mr. T.G.M. Houben;
- de officier van justitie, mr. N. Schipper;
- de toezichthouder van de verdachte van reclasseringsorganisatie Leger des Heils.
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3, afgelegd tijdens de zitting van 10 juli 2026;
- de in de aangifte opgenomen verklaring namens [slachtoffer 1] ;
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf
first offenderis en verantwoordelijkheid heeft genomen voor de naïeve en impulsieve feiten die hij heeft gepleegd. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft hij positieve stappen gezet. Dit volgt ook uit het reclasseringsadvies. Met de op te leggen straf zou moeten worden ingezet op hulpverlening en het voorkomen van het opnieuw plegen van strafbare feiten.
- een meldplicht bij de reclassering;
- zich inzetten voor het vinden/behouden van dagbesteding;
- deelname aan de gedragsinterventie ‘I-Respect’;
- een contactverbod met de slachtoffers;
- een locatieverbod met betrekking tot de betreffende woning;
- een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 434 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar en met de in het dictum vermelde bijzondere voorwaarden;
- een taakstraf voor de duur van 120 uur, bij niet (of niet naar behoren) voldoen te vervangen met 60 dagen hechtenis.
6.In beslag genomen voorwerpen
7.Vordering benadeelde partij
aan de onderzijde van de luifel roetaanslag (foto 4). Ik zag in deze aanslag een
zogenaamd wolk patroon wat ik herkende als ontstaan door het ontbranden van een
ontbrandbare vloeistof in combinatie met een explosie, zoals met een VBC. Ik zag dat
de afdekking van de buitenlamp in de luifel in de tuin lag. (….) de explosie had buiten, voor de voordeur, plaatsgevonden. (….) Het vuur is door de kieren aan
de onderzijde, de zijkanten van de deur en de brievenbus de hal ingekomen.
8.Toegepaste wetsartikelen
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie;
- artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, en
- artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
9.De beslissing
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
taakstraf van 120 uren;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 182,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;