ECLI:NL:RBMNE:2026:47

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/1136
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep naheffingsaanslag

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag van de gemeente Almere, die op bezwaar was gehandhaafd. Verweerder heeft later erkend dat de aanslag ten onrechte was opgelegd en bood aan deze te vernietigen, waarna verzoekster het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank beoordeelt het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoewel verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen, heeft verzoekster geen proceskostenformulier ingediend en geen bewijs geleverd van gemaakte kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is om verweerder te veroordelen in de proceskosten en wijst het verzoek af. Het reeds door verweerder aangeboden griffierecht van €53,- wordt als voldoende beschouwd en volgt rechtstreeks uit de wet.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier S.N. Lekatompessij op 13 januari 2026 te Utrecht.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs van gemaakte kosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1136

uitspraak van de rechtbank van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere , verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 9 januari 2025 een besluit op bezwaar genomen. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft gehandhaafd. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 10 april 2025 laat verweerder weten dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan verzoekster is opgelegd en bereidt is deze alsnog te vernietigen. Verzoekster kan zich hierin vinden en heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Verweerder heeft hier niet op gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft op 10 april 2025 een e-mail aan verzoekster gezonden waarin hij vermeldt dat hij tot de conclusie is gekomen dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan verzoekster is opgelegd omdat zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan en omdat zij de betaling vervolgens heeft gecontroleerd. Daarom stelt verweerder voor om de beroepsprocedure door middel van een schikking te beëindigen. Dit houdt naar zeggen van verweerder het volgende in; de naheffingsaanslag wordt alsnog vernietigd, de door verzoekster betaalde griffierechten ten bedrage van € 53,- worden vergoed en verzoekster trekt haar beroepsschrift in.
4. De rechtbank overweegt dat verweerder weliswaar tegemoetgekomen is aan het beroep van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Bij de intrekkingsverklaring heeft verzoekster geen proceskostenformulier gevoegd. Er zijn dus geen gemaakte kosten geclaimd. Overigens is ook niet gebleken dat verzoekster kosten heeft gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
6. Verweerder heeft reeds aangeboden het griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Dit volgt ook rechtstreeks uit de wet (artikel 8:41 Awb Pro). In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier
.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.