Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:464

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11244320 \ UC EXPL 24-5195 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis vernietiging verstekvonnis en afwijzing vorderingen wegens weigering medewerking deskundigenonderzoek

In deze civiele procedure stond centraal of de eisende partij de leningsovereenkomst van de verwerende partij had ondertekend. De rechtbank had een deskundigenonderzoek bevolen om deze vraag te beantwoorden. Na het tussenvonnis van 14 mei 2025 startte de deskundige zijn onderzoek, maar beide partijen weigerden mee te werken en reageerden niet op verzoeken om aanvullend onderzoeksmateriaal.

De deskundige verzocht meerdere malen om uitstel en aanvullende informatie, maar zonder resultaat. De kantonrechter besloot daarop de deskundige van zijn taak te ontheffen en stelde de gemaakte kosten vast, die door de verwerende partij gedragen moeten worden. Het restant van het voorschot wordt aan de verwerende partij terugbetaald.

Omdat de verwerende partij niet heeft meegewerkt, kon niet worden vastgesteld dat de eisende partij de leningsovereenkomst had ondertekend. Daarom worden alle vorderingen van de verwerende partij, inclusief rente en incassokosten, afgewezen. Het verstekvonnis van 13 maart 2024 wordt vernietigd, behalve de veroordeling tot betaling van nakosten. De verwerende partij wordt veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de vorderingen van de verwerende partij worden afgewezen wegens weigering medewerking aan deskundigenonderzoek.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11244320 \ UC EXPL 24-5195 WMB/61313
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonend in [woonplaats] ,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S. Springer (Ragetli B.V.),
tegen
[gedaagde partij],
wonend in [woonplaats] ,
oorspronkelijk eisende partij,
verwerende partij in het verzet,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 14 mei 2025. Na het tussenvonnis van 14 mei 2025 heeft [gedaagde partij] het voorschot voor de deskundige gestort, waarna de deskundige met zijn onderzoek is gestart.
1.2.
Op 22 juli 2025 heeft de deskundige de griffie van de rechtbank verzocht om hem aanvullende contactinformatie van (de gemachtigde van) [gedaagde partij] toe te sturen. Dat heeft de griffie gedaan. Daarnaast heeft hij de kantonrechter verzocht om de vastgestelde einddatum voor het indienen van zijn onderzoek, toen nog 1 oktober 2025, uit te stellen. Dat verzoek heeft de kantonrechter als voorbarig afgewezen.
1.3.
Op 7 augustus 2025 heeft [eisende partij] een akte houdende uitlating deskundige ingediend. [eisende partij] heeft er bezwaar tegen gemaakt dat de deskundige alle onderzoeksvragen zou beantwoorden zoals die zijn vastgesteld in het tussenvonnis van 2 april 2025. De kantonrechter heeft het bezwaar afgewezen, omdat [eisende partij] bij het vaststellen van de vragen al de gelegenheid heeft gekregen om zich daarover uit te laten en destijds geen bezwaar heeft gemaakt. Daarnaast heeft [eisende partij] in zijn akte verzocht om de griffie het procesdossier aan de deskundige te laten overhandigen. Dat verzoek heeft de kantonrechter toegewezen, waarna het dossier door de griffie aan de deskundige is overhandigd.
1.4.
Op 21 augustus 2025 heeft de deskundige laten weten dat geen van beide partijen gehoor gaf aan zijn verzoeken om aanvullend onderzoeksmateriaal aan te leveren en heeft hij de kantonrechter nogmaals verzocht om de vastgestelde datum voor het indienen van zijn onderzoek uit te stellen. Dat verzoek heeft de kantonrechter toegewezen en 31 december 2025 als nieuwe einddatum vastgesteld.
1.5.
Op 12 november 2025 heeft de deskundige een brief met daarbij een factuur ingediend en aan beide partijen toegestuurd. Daarin heeft de deskundige uitgelegd dat partijen nog steeds geen gehoor hadden gegeven aan zijn verzoeken om aanvullende onderzoeksmateriaal en allebei onbereikbaar bleken te zijn. De deskundige heeft daarom verzocht om zijn kosten tot dat moment te vergoeden vanuit het voorschot. De kantonrechter heeft partijen medegedeeld voornemens te zijn om:
  • de deskundige van zijn taak als deskundige te ontheffen;
  • de door de deskundige tot nu toe gemaakte kosten vast te stellen op € 741,13, welk bedrag zal worden uitbetaald uit het voorschot dat ter griffie is gestort;
  • vonnis te wijzen, waarbij de kantonrechter uit het feit dat partijen niet hebben voldaan aan hun verplichting om mee te werken aan het onderzoek, de gevolgtrekkingen zal maken die zij geraden acht.
Partijen hebben tot 31 december 2025 de tijd gekregen om zich over die voornemens uit te laten en geen van hen heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
1.6.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De deskundige heeft uitgelegd dat [gedaagde partij] en zijn gemachtigde helemaal niet hebben gereageerd op zijn verzoeken en dat de gemachtigde van [eisende partij] aangeeft dat hij zelf ook geen contact meer met zijn cliënt kan krijgen. Evenmin hebben partijen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zich uit te laten over de voornemens van de kantonrechter. De kantonrechter stelt daarom vast dat beide partijen weigeren mee te werken aan het deskundigenonderzoek en verdere voortzetting daarvan geen doel dient. De kantonrechter zal daarom:
  • de deskundige van zijn taak als deskundige ontheffen;
  • zijn tot nu toe gemaakte kosten vaststellen op € 741,13, gebaseerd op de door de deskundige overgelegde factuur;
  • bepalen dat [gedaagde partij] die kosten moet dragen en dat dat bedrag daarom uit het al door hem betaalde voorschot zal worden vergoed; en
  • bepalen dat het restant van het voorschot moet worden teruggestort aan [gedaagde partij] .
2.2.
In het tussenvonnis van 5 februari 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat de uitkomst van deze procedure afhangt van de vraag of [eisende partij] zijn handtekening onder de door [gedaagde partij] overgelegde leningsovereenkomst heeft gezet. Alleen als vast zou komen te staan dat dat het geval is, zou [gedaagde partij] zich op de overeenkomst kunnen beroepen. Om dat vast te stellen heeft de kantonrechter het deskundigenonderzoek bevolen dat met dit vonnis wordt beëindigd. De kantonrechter concludeert daarom dat [gedaagde partij] geen gebruik heeft willen maken van de mogelijkheid om zijn stellingen te staven door mee te werken aan het deskundigenonderzoek en ziet geen reden om [gedaagde partij] nog meer kansen te bieden om dat alsnog te doen. Daarom komt niet vast te staan dat [eisende partij] de overgelegde leningsovereenkomst heeft ondertekend. Alle vorderingen van [gedaagde partij] , waaronder zijn vorderingen tot betaling van rente en buitengerechtelijke incassokosten, zullen daarom worden afgewezen.
2.3.
[gedaagde partij] is in deze verzetprocedure alsnog in het ongelijk gesteld, zodat het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 13 maart 2024 (met zaaknummer 10858492 UC EXPL 23-8767) zal worden vernietigd, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van de nakosten. Voor zover [gedaagde partij] nakosten heeft gemaakt, had [gedaagde partij] die namelijk niet hoeven maken als [eisende partij] wel was verschenen.
2.4.
[gedaagde partij] wordt in de proceskosten van de verzetprocedure veroordeeld. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op € 947,00 (= 2 punten x € 406,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), vermeerderd met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De kosten voor het uitbrengen van het verzetexploot blijven voor rekening van [eisende partij] . [1]

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontheft de heer ing. C. Verhulst van zijn taak als deskundige;
3.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten die de deskundige tot dusver heeft gemaakt ad € 741,13 inclusief btw;
3.3.
gelast de griffier om deze kosten uit het depot te voldoen aan de deskundige;
3.4.
gelast de griffier het in depot resterende bedrag aan [gedaagde partij] terug te storten;
3.5.
bekrachtigt het verstekvonnis van 13 maart 2024 (met zaaknummer 10858492 UC EXPL 23-8767) voor wat de veroordeling tot betaling van de nakosten betreft;
3.6.
vernietigt het verstekvonnis van 13 maart 2024 (met zaaknummer 10858492 UC EXPL 23-8767) voor het overige, en opnieuw rechtdoende, wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af;
3.7.
veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van de verzetprocedure, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken door mr. Y.M. Vanwersch op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 141 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.