ECLI:NL:RBMNE:2026:458

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/16/596902 / HA ZA 25-371
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens onterechte ontbinding franchiseovereenkomst

De eisers, voormalig franchisenemers, vorderden een schadevergoeding van €530.809,90 wegens de onterechte ontbinding van hun franchise- en huurovereenkomst door de gedaagde franchisegever op 14 juni 2013. De rechtbank baseert zich op eerdere uitspraken, waaronder een arrest van het gerechtshof Den Bosch, waarin werd vastgesteld dat de ontbinding onterecht was, maar dat de franchisegever geen schadevergoeding hoefde te betalen voor asbestverontreiniging vanwege een exoneratieclausule.

De eisers stelden dat zij gemiste inkomsten en kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten hadden geleden. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde prognoses voor gemiste inkomsten onvoldoende aannemelijk waren en dat de gerealiseerde omzetcijfers uit een eerdere periode een beter uitgangspunt vormden. Uit fiscale rapporten bleek dat de onderneming verlieslijdend was en dat er geen concrete plannen waren om winstgevendheid te vergroten.

Ook de vordering voor kosten juridische bijstand en deskundigenkosten werd afgewezen, omdat deze kosten grotendeels verband hielden met eerdere procedures en onder de proceskostenregeling vielen. De voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. De eisers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis werd gewezen door mr. D. Wachter en uitgesproken op 28 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding af en veroordeelt de eisers tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/596902 / HA ZA 25-371
Vonnis van (bij vervroeging) 28 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2.
[eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[eiser sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
advocaat: mr. R. Kuizenga,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 19 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
In deze schadestaatprocedure vorderen [eisers c.s] (als voormalig franchisenemers) betaling van schadevergoeding van [gedaagde] (als voormalig franchisegever) in verband met de onterechte ontbinding van de franchise- en huurovereenkomst op 14 juni 2013. De gevorderde schade bedraagt (in totaal) € 530.809,90. Daarnaast heeft [eisers c.s] een provisionele vordering ingesteld tot betaling van € 98.548,07. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers c.s] af. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.

3.De beoordeling

3.1.
[eisers c.s] waren sinds januari 2011 franchisenemer van de franchiseformule van [gedaagde] . Zij exploiteerden een [bedrijf] winkel aan het [adres] in [plaats] . Kort na de opening is in het winkelpand asbest aangetroffen, waardoor de opening werd uitgesteld tot februari 2011. In augustus 2012 werd echter opnieuw asbest aangetroffen, waarna het winkelpand in september 2012 weer is gesloten in verband met de sanering van het asbest. In april 2013 is de asbestsanering afgerond. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over voortzetting of beëindiging van de winkel door [eisers c.s] Partijen kwamen niet tot overeenstemming. [gedaagde] heeft daarom op 14 juni 2013 de franchise- en huurovereenkomst ontbonden. Partijen hebben daarna geprocedeerd over de vraag voor wiens rekening de schade als gevolg van de asbestverontreiniging moest komen en of de ontbinding door [gedaagde] op 14 juni 2013 terecht was. Het gerechtshof Den Bosch heeft (na verwijzing door de Hoge Raad) – kort gezegd – bepaald dat [gedaagde] terecht een beroep heeft gedaan op een exoneratieclausule in de huurovereenkomst, waardoor zij geen schadevergoeding hoeft te betalen in verband met de asbestverontreiniging. Het gerechtshof Den Bosch heeft echter ook geoordeeld dat de ontbinding van de overeenkomsten op 14 juni 2013 onterecht was en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Deze vaststelling vormt het uitgangspunt van deze schadestaatprocedure. [eisers c.s] stellen in totaal € 530.809,90 aan schade te hebben geleden, bestaande uit gemiste inkomsten en kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten.
3.2.
Volgens de hoofdregel van het schadevergoedingsrecht komt (slechts) voor vergoeding in aanmerking het verschil tussen de hypothetische situatie waarin [eisers c.s] zouden hebben verkeerd als [gedaagde] de franchise- en huurovereenkomst correct was nagekomen (door de overeenkomsten niet onterecht te ontbinden) en de feitelijke situatie waarin zij kwamen te verkeren doordat [gedaagde] die correcte nakoming heeft nagelaten (door onterecht te ontbinden).
3.3.
In theorie zijn er (in elk geval) twee scenario’s denkbaar die zich bij een correcte nakoming hadden kunnen voordoen. Partijen waren immers – voordat [gedaagde] overging tot ontbinding van de overeenkomsten – in gesprek over (de voorwaarden voor) voortzetting of beëindiging van de exploitatie. [gedaagde] heeft op 18 april 2013 een laatste aanbod aan [eisers c.s] gedaan om tot definitieve afwikkeling te komen. Het voorstel hield in beëindiging van de overeenkomsten tegen betaling van een vergoeding van € 300.000, -. [eisers c.s] hebben daar niet mee ingestemd en wensten voortzetting van de exploitatie. [1] Het partijdebat heeft zich ook in deze schadestaatprocedure beperkt tot het scenario van voortzetting van de exploitatie.
3.4.
[eisers c.s] begroten hun schade (als gevolg van de onterechte ontbinding) op € 530.809,90, bestaande (I) uit gemiste inkomsten tot en met 31 december 2019 van € 398.542,00 en (II) een vergoeding van de kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten van € 132.267,90. Daarnaast vorderen ze als voorlopige voorziening (III) betaling van € 98.548,07.
Gemiste inkomsten
3.5.
[eisers c.s] vorderen in de eerste plaats € 398.542, - aan gemiste inkomsten die zij als gevolg van de onterechte ontbinding niet hebben ontvangen. De gemiste inkomsten bestaan volgens [eisers c.s] uit gemiste winst en gemiste verkoopopbrengst (van de goodwill en inventaris). Zij hebben de hoogte van de gemiste inkomsten laten berekenen door [accountant] . De berekening door [accountant] is gebaseerd op de begroting die is opgesteld voor de eerdere financieringsaanvraag van [eisers c.s] bij de Rabobank, de omzetcijfers uit de periode vóór 2010, de tussen partijen gesloten overeenkomsten en statistisch materiaal van het CBS. [accountant] is daarbij uitgegaan van een exploitatieduur van 14 juni 2013 tot en met 31 december 2019. De gemiste inkomsten bedragen volgens [accountant] over de gestelde periode € 651.320, -. Daarop strekt in mindering het elders door [eisers c.s] (werkelijk) verdiende inkomen – wat volgens [eisers c.s] neerkomt op € 252.778, - – zodat de gemiste inkomsten in totaal € 398.542, - bedragen.
3.6.
[gedaagde] kan zich niet vinden in de berekening van [eisers c.s] [gedaagde] voert aan dat de rapportage van [accountant] ten onrechte is gebaseerd op de eerder opgestelde begroting en de omzetcijfers van de voorgangers van [eisers c.s] Volgens [gedaagde] zouden de werkelijke omzetcijfers van de periode tussen 14 februari 2011 en 21 augustus 2012 als uitgangspunt moeten worden genomen. In die periode hebben [eisers c.s] de winkel ongehinderd (en vrij van asbest) kunnen exploiteren. Dat maakt volgens [gedaagde] dat deze omzetcijfers een goede indicatie vormen voor de verwachte omzet die [eisers c.s] zouden hebben behaald bij voortzetting van de exploitatie (na de buitengerechtelijke ontbinding). [eisers c.s] zijn het daar niet mee eens. Volgens [eisers c.s] komen de cijfers waarop [accountant] zijn berekening baseert overeen met de prognoses die [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de franchise- en huurovereenkomst aan hen heeft voorgespiegeld. ..Omdat [gedaagde] uitging van dezelfde prognoses, mochten [eisers c.s] erop vertrouwen een vergelijkbare winst te draaien en is het volgens [eisers c.s] vanzelfsprekend om de begroting van de gemiste inkomsten te baseren op die prognoses. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Een prognose is slechts een voorspelling – die zowel positief als negatief kan uitpakken – in tegenstelling tot de gerealiseerde omzetcijfers – die het werkelijke resultaat weerspiegelen in de periode dat [eisers c.s] als ondernemers de winkel exploiteerden. Bovendien heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling betwist dat de prognoses waar [eisers c.s] en [accountant] zich op baseren, afkomstig zijn van [gedaagde] . Ter zitting hebben [eisers c.s] nog het standpunt ingenomen dat die omzetcijfers een vertekend beeld geven, aangezien de (eerdere) aanwezigheid van asbest in het winkelpand een negatieve invloed heeft gehad op hun imago. Klanten bleven weg, waardoor zij minder omzet draaiden. De cijfers uit deze periode zouden volgens [eisers c.s] daarom niet als uitgangspunt moeten worden genomen. Weliswaar kan de rechtbank zich voorstellen dat het aangetroffen asbest een negatieve invloed heeft gehad op het imago, toch gaat zij hieraan voorbij. Het standpunt is te laat ingenomen en [eisers c.s] hebben niet onderbouwd dat er sprake was van imagoschade (door bijvoorbeeld verklaringen van betrokkenen uit die tijd te overleggen of e-mail correspondentie met [gedaagde] te overleggen waaruit dit blijkt), dit nog los van het antwoord op de vraag of de hier bedoelde schade niet ook onder de door het gerechtshof Den Bosch aanvaarde exoneratie (zie 3.1) zou vallen.
3.7.
De rechtbank zal dan ook de omzetcijfers over de periode 14 februari 2011 tot en met 21 augustus 2012 als uitgangspunt nemen bij de begroting van de gemiste inkomsten. Op basis van de resultaten over deze periode, is echter niet gebleken dat [eisers c.s] over de periode na de buitengerechtelijke ontbinding winst zouden hebben gemaakt.
3.8.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing de fiscale rapporten van [eisers c.s] overgelegd. [2] Uit de fiscale rapporten over de jaren 2011 en 2012 van mevrouw [eiser sub 3] en de heer [eiser sub 2] blijkt een verlies van onderneming van € 22.609, - in 2011 en ongeveer € 4.000, - in 2012. Uit de rapporten blijkt ook dat het bedrijfsresultaat van [eiser sub 1] in 2011 € 24.149 negatief was en in 2012 € 8.933, - positief was. De privé opnamen van [eisers c.s] waren in die periode meer dan zij hebben verdiend. [eiser sub 1] heeft daardoor in 2012 een negatief fiscaal vermogen van € 62.251, -. [3] Dit beeld wordt bevestigd door de financiële rapportages van hun onderneming (aan [gedaagde] ) uit die periode. [4] [eisers c.s] hebben de door [gedaagde] overgelegde cijfers niet betwist. Ook is gebleken dat de franchisemanager al (in de periode voor de buitengerechtelijke ontbinding) betrokken was om de bedrijfsvoering van de onderneming te optimaliseren. Hij constateert in zijn e-mail van 18 januari 2012 dat de loonkosten te hoog waren, het klantcontact (van het personeel) beter kon en de opbrengst per uur niet klopte.
3.9.
Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de onderneming weliswaar verlieslatend was, maar dat [eisers c.s] (concrete) plannen om de winstmogelijkheden te vergroten of te benutten. Ook als dat wel zo zou zijn, heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat [accountant] in zijn rapport ten onrechte uitgaat van lagere loonkosten en een lagere omzetfee, wat ten koste gaat van (eventuele) winst. Ook ten aanzien van de andere kostenposten heeft – [gedaagde] erop gewezen – dat [accountant] niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de hoogte ervan is berekend, zodat deze kosten mogelijk ook hoger uitvallen.
3.10.
De rechtbank deelt ook het standpunt van [gedaagde] dat het niet aannemelijk is dat [eisers c.s] de onderneming acht jaar lang na de buitengerechtelijke ontbinding zouden hebben voortgezet, terwijl de franchise- en huurovereenkomst een looptijd hadden tot en met 31 december 2016. Gelet op de verlieslatende cijfers en het feit dat [eisers c.s] op 27 maart 2012 al geïnformeerd hadden bij [gedaagde] naar het te koop kunnen aanbieden van de onderneming, ligt een verlenging na de oorspronkelijke contractsduur van de franchise- en huurovereenkomst niet voor de hand. Bovendien is het niet aannemelijk dat [eisers c.s] – als de overeenkomsten wel waren verlengd – de door [accountant] berekende (hoge) winsten in de periode van 2017 tot en met 2019 zouden hebben behaald.
3.11.
Ook de berekening van gemiste verkoopopbrengst (waarmee de opbrengst van de inventaris en de goodwill wordt bedoeld) door [accountant] is onnavolgbaar. [accountant] heeft geen (begrijpelijke) toelichting gegeven op die berekening. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde overwinst van € 45.509, -, waarop een factor 4 wordt toegepast. De hoogte van de gemiddelde overwinst wordt bovendien met name bepaald door de hoge verwachte winsten in de periode 2017 tot en met 2019. Maar zoals hiervoor is geoordeeld, kunnen die cijfers niet tot uitgangspunt worden genomen bij de berekening van de verwachte winst en gaat de rechtbank uit van een exploitatieduur tot en met 31 december 2016. [eisers c.s] hebben daarnaast geen taxatie overgelegd waaruit de waarde van de inventaris blijkt. Bovendien is de waarde van de inventaris door [gedaagde] eerder al betaald (als onderdeel van de afwikkeling van de asbestsanering), wat in mindering is gebracht op de schuld van [eisers c.s] aan de Rabobank.
3.12.
De rechtbank komt tot de conclusie dat [eisers c.s] onvoldoende hebben onderbouwd dat zij in de periode van 14 juni 2013 tot en met 31 december 2016 winst zouden hebben gemaakt. Dat betekent dat de vordering van [eisers c.s] tot vergoeding van gemiste inkomsten van € 398.542, - wordt afgewezen.
Kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten
3.13.
[eisers c.s] vorderen € 132.267,90 aan kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten. Deze vordering wordt ook afgewezen.
3.14.
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor juridische bijstand geldt als algemene regel dat de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder Pro b en onder c BW niet als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen als deze vallen onder de wettelijke regeling van de proceskosten. Volgens [gedaagde] is het overgrote deel van gevorderde kosten voor juridische bijstand gemaakt ten behoeve van de tussen partijen eerder gevoerde procedures (in dit geschil). Ook de rechtbank acht dat waarschijnlijk, gelet op de omschrijvingen op de facturen. [5] [eisers c.s] hebben dat niet betwist en hebben ook niet aangevoerd dat een deel van deze kosten geen verband houden met de eerdere procedures in dit geschil. Dat betekent dat de door [eisers c.s] gevorderde kosten voor juridische bijstand onder de wettelijke regeling van de proceskosten vallen en dus niet (dubbel) voor vergoeding in aanmerking komen.
3.15.
Ook de gevorderde deskundigenkosten worden afgewezen, omdat de bevindingen uit het rapport niet worden gevolgd en de daarin opgenomen uitgangspunten niet als reëel kunnen worden aangemerkt.
Provisionele vordering
3.16.
Omdat de vorderingen van [eisers c.s] niet toewijsbaar zijn, wordt de gevorderde voorlopige voorziening tot betaling van € 98.548,07 ook afgewezen.
[eisers c.s] moeten de proceskosten betalen
3.17.
[eisers c.s] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.043,00
3.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen van [eisers c.s] af,
4.2.
veroordeelt [eisers c.s] in de proceskosten van € 14.043,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eisers c.s] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
WD 5648

Voetnoten

1.Productie 11 bij conclusie van antwoord, arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2019, r.o. 3.15 t/m 3.17.
2.Producties 4 tot en met 6 bij conclusie van antwoord.
3.Productie 7 bij conclusie van antwoord, p. 15.
4.Productie 8 bij conclusie van antwoord.
5.Productie 7, 8 en 10 bij dagvaarding.