Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
datum : 18 juni 2026
Rechtbank Midden-Nederland
Op 5 februari 2026 diende een minderjarige een verzoek in bij de rechtbank Midden-Nederland om handlichting te verkrijgen, waarmee hij bepaalde meerderjarige bevoegdheden wilde verkrijgen om zelfstandig rechtshandelingen te verrichten in het kader van zijn onderneming. Dit omvatte onder meer het sluiten van overeenkomsten en het openen van een zakelijke rekening.
De ouders van de minderjarige, die gezamenlijk het gezag over hem uitoefenen, stemden schriftelijk in met het verzoek. De mondelinge behandeling vond plaats op 18 juni 2026, maar noch de minderjarige noch zijn ouders verschenen op de zitting, ondanks een geldige oproeping.
De kantonrechter had de minderjarige verzocht een bedrijfsplan aan te leveren, maar dit werd niet ontvangen. Door de afwezigheid op de zitting en het ontbreken van het bedrijfsplan kon de kantonrechter onvoldoende vragen stellen en bleef te veel onduidelijkheid bestaan. Daarom werd het verzoek tot handlichting afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot handlichting van minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en afwezigheid op zitting.