Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Opposant ging hiertegen in verzet en stelde dat hij het griffierecht wel tijdig had voldaan, maar dat er een fout was gemaakt bij de verwerking van de betaling.
De rechtbank onderzocht of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was en of er twijfel bestond over de uitkomst van de zaak. Uit bewijsstukken bleek dat opposant een herinneringsbrief per aangetekende post had ontvangen, waarin werd gewezen op de betalingstermijn en de gevolgen van niet-betaling. De brief was op 17 oktober 2024 in ontvangst genomen.
Omdat opposant geen geldige reden had gegeven voor het niet voldoen van het griffierecht, oordeelde de rechtbank dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.