ECLI:NL:RBMNE:2026:448

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11929958 \ AE VERZ 25-66
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:671b lid 9 sub a BWArt. 7:678 lid 2 sub d BWArt. 31a lid 2 sub k Wet op de loonbelasting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding na ongeldig ontslag op staande voet

De kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen verzoekster en Daan B.V. over een ontslag op staande voet en reiskostenvergoeding.

Daan B.V. had verzoekster op 19 augustus 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende onjuiste reisdeclaraties. De kantonrechter oordeelde dat dit ontslag niet rechtsgeldig was omdat Daan onvoldoende feitelijke onderbouwing leverde en het ontslag niet onverwijld is gegeven. Verzoekster heeft recht op loon tot 1 maart 2026.

Tegelijkertijd werd de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, waarbij Daan het vertrouwen in verzoekster verloor door onduidelijkheden over declaraties en communicatie. Verzoekster krijgt een transitievergoeding van €6.167,56 bruto toegewezen.

Verzoekster's aanspraken op thuiswerkvergoeding en Daan's vordering tot terugbetaling van reiskosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Ontslag op staande voet vernietigd, arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhouding met toekenning transitievergoeding en loonbetaling tot 1 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer / rekestnummer: 11929958 \ AE VERZ 25-66
Beschikking van30januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
procederend in persoon,
tegen
de besloten vennootschap
Daan B.V.,
gevestigd in Rotterdam ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Daan ,
gemachtigden: mrs. J. van der Voet en B.B. Kuppens.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met 10 producties (ingekomen op 17 oktober 2025)
  • het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek met 2 producties (ingekomen op 30 december 2025)
  • de producties 3 en 4 van Daan (van 6 januari 2026)
  • de reactie van [verzoekster] op het verweerschrift (van 7 januari 2026)
  • de producties, genummerd 1-6, van [verzoekster] (van 7 januari 2026).
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. [verzoekster] is verschenen. Namens Daan zijn verschenen de heer [persoon1] en de heer [persoon2] , bijgestaan door mr. Kuppens. [verzoekster] en Daan hebben hun standpunten nader toegelicht; Daan aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken tijdens de zitting.
1.3.
Na de mondelinge behandeling, op 9 en 16 januari 2026, heeft [verzoekster] nog stukken ingediend. De stukken van 9 januari 2026 waren al eerder toegezonden en behoren tot de processtukken. Het op 16 januari 2026 toegezonden uittreksel BRP wordt ook toegevoegd aan het dossier omdat dit informatie betreft die niet wordt betwist door Daan .
1.4.
De kantonrechter heeft bepaald dat uiterlijk op 12 februari 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Daan heeft [verzoekster] op 19 augustus 2026 op staande voet ontslagen omdat [verzoekster] onjuiste reisdeclaraties zou hebben ingediend. Dit ontslag is naar het oordeel van de kantonrechter niet rechtsgeldig en wordt daarom vernietigd. Het dienstverband is dus niet op 19 augustus 2026 geëindigd en Daan moet [verzoekster] alsnog loon betalen. Dat hoeft Daan maar te doen tot 1 maart 2026. Het verzoek van Daan om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt namelijk toegewezen omdat voldoende aannemelijk is dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. Daan zal wel worden veroordeeld om aan [verzoekster] de wettelijke transitievergoeding te betalen. De overige verzoeken van partijen - [verzoekster] maakt aanspraak op een thuiswerkvergoeding en Daan wil dat [verzoekster] alle ontvangen reiskosten terugbetaalt - worden als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1.
[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1977, is op 3 juli 2023 bij Daan in dienst getreden in de functie van [functie] , voor veertig uur per week. Daan is een arbeidsbemiddelingsbureau. Op de arbeidsovereenkomst is de ABU CAO van toepassing.
3.2.
In de arbeidsovereenkomst staat dat Daan zal zorgen voor een nieuwe passende opdracht als een opdracht wordt beëindigd of ingetrokken. Daarbij wordt uitgegaan van een reistijd van maximaal anderhalf uur enkele reis (artikel 2). De kosten die de werknemer maakt om op het werk te komen worden vergoed door Daan : € 0,21 per kilometer of de kosten van openbaar vervoer (artikel 3).
3.3.
Van 3 juli 2023 tot en met 12 april 2024 was [verzoekster] gedetacheerd bij de gemeente [gemeente 1] , van 11 november 2024 tot en met 31 maart 2025 bij de gemeente [gemeente 2] en van 1 april 2025 tot en met 30 juni 2025 werkte zij bij de gemeente [gemeente 3] , voor 24 uur per week.
3.4.
Partijen verschillen onder andere van mening over de nadere afspraken die voor de klus in [gemeente 3] zijn gemaakt vanwege de reisafstand tussen [woonplaats] en [gemeente 3] [1] .
Nadat de opdracht in [gemeente 3] was afgerond heeft Daan besloten om [verzoekster] onder te brengen bij de vestiging van Daan in Groningen omdat dat dichterbij [woonplaats] ligt. Volgens Daan was het lastig om [verzoekster] te plaatsen bij opdrachten binnen de maximale reistijd van anderhalf uur enkele reis. Zij wilde ook verdere discussies over de invulling van de arbeidsovereenkomst bij het werken op grote afstand voorkomen.
3.5.
[verzoekster] was het daar niet mee eens en heeft in een e-mailbericht van 8 juli 2025 [2] uitgelegd waarom zij, ondanks haar woonplaats [woonplaats] , een voorkeur heeft voor het kantoor van Daan in Amersfoort .
3.6.
Daan stelt dat door deze reactie van [verzoekster] , in combinatie met een aantal andere ‘signalen’, bij Daan twijfels zijn gerezen over of [verzoekster] wel daadwerkelijk verbleef op haar adres in [woonplaats] en of de door haar gedeclareerde reiskosten wel juist waren.
3.7.
Daan heeft [verzoekster] op 19 augustus 2025 op staande voet ontslagen. Daan heeft het ontslag bevestigd in de brief van dezelfde datum. Daan geeft daarvoor de volgende reden:

Situatie
In het kader van jouw dienstverband bij Daan hebben wij de afgelopen periode een intern onderzoek uitgevoerd naar jouw gedeclareerde reiskosten. Uit dit onderzoek is gebleken dat jij herhaaldelijk en structureel onjuiste reiskosten hebt gedeclareerd. Het gaat hierbij om meerdere declaraties die niet overeenkomen met de daadwerkelijk door jou gemaakte reizen.
Het bij ons bekende adres, zie ook bovenstaand, blijkt incorrect te zijn. Waarmee de afstand van de gedeclareerde reizen ook incorrect zijn. Gezien de aard, ernst en herhaling van deze gedragingen, is voor ons vast komen te staan dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.
Beëindiging arbeidsovereenkomst
Het opzettelijk en stelselmatig indienen van onjuiste reiskostendeclaraties is voor ons een dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 2 sub d BW Pro. Hiermee heb jij het in jou gestelde vertrouwen ernstig beschaamd en de verplichtingen uit jouw arbeidsovereenkomst geschonden.
(…)”
Het verzoek van [verzoekster]
Het ontslag op staande voet wordt vernietigd
3.8.
[verzoekster] heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij haar verzoeken om het ontslag op staande voet te vernietigen en om herstel van het dienstverband, handhaaft.
3.9.
Een ontslag op staande voet is een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen en heeft grote (financiële) gevolgen voor de werknemer. Een ontslag op staande voet is daarom alleen geldig als daarvoor een dringende reden aanwezig is. Voor de werkgever worden als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ertoe leiden dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Bij de beoordeling van de dringende reden moet de kantonrechter alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, waaronder de aard en de ernst van de dringende reden en de duur van het dienstverband. Op de werkgever rust de stelplicht en de bewijslast dat er een dringende reden is.
3.10.
Daan verwijt [verzoekster] dat zij fraude heeft gepleegd door reiskosten te declareren van het door haar opgegeven woonadres in [woonplaats] naar de plaats waar ze te werk is gesteld terwijl [verzoekster] niet in [woonplaats] zou verblijven. Een voldoende feitelijke onderbouwing van dat verwijt ontbreekt echter. De omstandigheid dat [verzoekster] een paar keer niet thuis was toen er een pakketje van Daan werd afgeleverd en dat een buurvrouw zou hebben gezegd dat [verzoekster] daar niet meer woont is onvoldoende voor de conclusie dat [verzoekster] niet in [woonplaats] zou wonen en (dus) de reiskosten bewust onjuist heeft gedeclareerd. Bovendien betwist [verzoekster] de stelling van Daan dat zij niet [woonplaats] zou wonen en dat het door opgegeven adres niet correct zou zijn. [verzoekster] geeft wel aan dat zij niet altijd op het adres in [woonplaats] verblijft en dat zij er soms voor heeft gekozen ergens anders te overnachten, bijvoorbeeld bij haar ouders in [plaats 1] of haar zus in [plaats 2] . Daarnaast is [verzoekster] er ten volle van overtuigd dat de wijze waarop zij haar reiskosten heeft gedeclareerd, ook in het geval zij reisde vanaf een andere plek, past binnen de ABU CAO.
3.11.
Het mag zo zijn dat bij Daan het vermoeden is ontstaan dat [verzoekster] structureel ergens anders verbleef en dat het innen van (extra) reiskosten haar wel goed uitkwam, maar dat is zonder nadere feitelijke onderbouwing of toelichting door Daan een onvoldoende dringende reden om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. De kantonrechter zal hierna bij het tegenverzoek van Daan wel overwegen dat [verzoekster] een verkeerd beeld heeft van wat zij gerechtigd was te declareren, maar de kantonrechter kan op basis van de gedingstukken en dat wat partijen over en weer hebben aangevoerd nu eenmaal niet vaststellen dat het de bedoeling van [verzoekster] was om de werkgever bij het declareren van de reiskosten bewust te benadelen.
3.12.
Daar komt bij dat Daan kennelijk al in juli 2025 ervan op de hoogte was dat [verzoekster] mogelijk niet altijd vanuit de opgegeven woonplaats naar haar werk vertrok. Daan heeft daar pas op 19 augustus 2025 gevolgen aan verbonden. Daan heeft uitgelegd dat zij eerst met [verzoekster] in gesprek wilde en dat zij tijdens dat gesprek het standpunt van [verzoekster] (dat zij meende in haar recht te staan door te declareren vanaf haar woonadres in plaats van incidentele verblijfadressen) niet kon en wilde volgen, maar dat helpt Daan niet. Een dringende reden moet nu eenmaal onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren en dat is hier dus niet zo gegaan.
3.13.
Tenslotte had Daan , toen haar tijdens het gesprek op 19 augustus 2025 duidelijk werd dat [verzoekster] kennelijk meende kosten te mogen declareren voor kilometers die niet gereden waren, er goed aan gedaan om [verzoekster] uitleg te geven over de declaratiemethodiek. Daarbij past een duidelijke toelichting op hoe dat in het vervolg moest gebeuren en hoe dat voor het verleden eventueel kon worden gecorrigeerd, met een waarschuwing dat, als [verzoekster] zou volharden in haar standpunt en niet mee zou werken, daar consequenties aan verbonden zouden worden. Daar heeft Daan niet voor gekozen. Een ontslag op staande voet is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval dan ook niet proportioneel.
3.14.
De conclusie is dat er onvoldoende basis is voor een ontslag op staande voet, dat ook nog eens niet onverwijld is gegeven. Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag wordt daarom toegewezen.
Daan moet het loon vanaf 19 augustus 2025 betalen
3.15.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd is de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] na 19 augustus 2025 blijven bestaan. [verzoekster] heeft dus recht op loon. Het verzoek van [verzoekster] tot betaling van het volledige salaris van € 6.021,11 wordt toegewezen als onder de beslissing staat vermeld. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Daan het loon te laat heeft betaald.
Geen toelating tot de werkzaamheden
3.16.
Het verzoek van [verzoekster] om Daan te veroordelen haar toe te laten tot de werkzaamheden, versterkt met een dwangsom als prikkel om Daan daartoe te bewegen, wordt afgewezen. Uit de overwegingen 3.25 tot en met 3.36 volgt dat het verzoek van Daan om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. De kantonrechter heeft het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op 1 maart 2026. Gezien de korte tijd die resteert tussen de beschikking en het einde van het dienstverband, en omdat Daan expliciet te kennen heeft gegeven niet met [verzoekster] verder te willen, bestaat geen aanleiding om Daan te veroordelen tot toelating van [verzoekster] tot haar werkzaamheden.
Thuiswerkvergoeding
3.17.
In artikel 3 van Pro de arbeidsovereenkomst is afgesproken dat [verzoekster] , wanneer zij vanuit huis werkt, een vergoeding voor hybride werken ontvangt van € 3,00 per gewerkte dag. [verzoekster] heeft onder randnummer 14 van haar verzoekschrift aanspraak gemaakt op de thuiswerkvergoeding vanaf datum indiensttreding zonder de vergoeding te specificeren. [verzoekster] heeft pas een concreet bedrag van € 1.575,- genoemd in de stukken die zij een dag voor de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht [3] .
3.18.
Daan heeft aanvankelijk het verweer gevoerd dat [verzoekster] de thuiswerkvergoeding niet tijdig heeft gedeclareerd, maar is daar op de mondelinge behandeling op teruggekomen. De kantonrechter kon namelijk nergens uit opmaken dat de thuiswerkvergoeding op een bepaalde manier moest worden aangevraagd. De gemachtigde van Daan heeft daarop toegelicht dat er geen vervaltermijnen bestaan die in de weg zouden kunnen staan aan de aanspraak op een thuiswerkvergoeding. Dat betekent dat de normale regels van verjaring gelden en van verjaring is nog geen sprake.
3.19.
[verzoekster] heeft dus in principe recht op een thuiswerkvergoeding voor de dagen die zij thuis heeft gewerkt. Anders dan [verzoekster] meent is een thuiswerkvergoeding niet aan de orde op de dag dat zij op een werklocatie heeft gewerkt. Daan heeft op de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat uit artikel 31a lid 2 sub k van de Wet op de loonbelasting in combinatie met werkkostenregeling (WKR) voortvloeit dat op één dag niet én thuiswerkvergoeding én reiskostenvergoeding (belastingvrij) mag worden betaald. De kantonrechter heeft geen reden om aan te nemen dat dat onjuist is. Daarmee is de stelling van Daan dat geen recht op thuiswerkvergoeding bestaat als niet een hele dag thuis is gewerkt voldoende komen vast te staan. De kantonrechter gaat daar dan ook vanuit.
3.20.
Het bedrag van € 1.575,- heeft [verzoekster] berekend over de periode 3 juli 2023 tot en met 18 juli 2025. Daan heeft daartegen aangevoerd dat zij deze berekening vanwege het korte tijdsbestek niet heeft kunnen verifiëren, en dus ook niet of [verzoekster] op genoemde dagen daadwerkelijk thuis heeft gewerkt, zonder voor die dag ook reiskosten te declareren.
3.21.
De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] bij haar berekening als uitgangspunt heeft genomen álle werkdagen die zij in loondienst heeft gewerkt, de weekendwerkdagen daarbij opgeteld, onder aftrek van verlof en niet gewerkte feestdagen. [verzoekster] heeft dus geen rekening gehouden met de dagen dat zij op locatie heeft gewerkt (en reiskostenvergoeding heeft ontvangen). Gelet daarop kan de omvang van de thuiswerkvergoeding niet eenvoudig worden vastgesteld. Het verzoek van [verzoekster] wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Er bestaat geen aanleiding om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen haar aanspraak op thuiswerkvergoeding alsnog te specificeren. Dat had zij in het verzoekschrift moeten doen. Het standpunt van Daan was haar toen bekend en van [verzoekster] had verwacht mogen worden dat zij daarop had geanticipeerd door (in ieder geval) een overzicht te geven van de dagen dat zij een reiskostenvergoeding had ontvangen. Ook tijdens de procedure heeft zij daar genoeg gelegenheid voor gehad. Het niet op tijd concretiseren van de gestelde aanspraak op een thuiswerkvergoeding komt dus voor haar eigen rekening en risico.
De overige verzoeken
3.22.
Aan een beoordeling van het in het verzoekschrift onder 15. geformuleerde verzoek komt de kantonrechter niet toe. Dat verzoek heeft [verzoekster] namelijk ingediend uitsluitend voor het geval de kantonrechter van oordeel zou zijn dat het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig is. Hierboven heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven.
Het tegenverzoek van Daan
3.23.
Op het verzoek van Daan om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd is de voorwaarde
waaronder Daan dat verzoek heeft gedaan namelijk vervuld.
3.24.
Daan legt aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat niet meer in redelijkheid van Daan kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] voortzet. In de visie van Daan heeft [verzoekster] enerzijds willens en wetens onjuiste reiskostendeclaraties ingediend en zich verwijtbaar gedragen, anderzijds heeft dit handelen een ernstige schending van het vertrouwen van Daan in [verzoekster] tot gevolg. Dit heeft geleid tot een fundamentele verstoring van de arbeidsrelatie.
3.25.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord is geraakt [4] . Daartoe is het volgende van belang.
3.26.
[verzoekster] stelt dat zij recht heeft op vergoeding van reiskosten, gebaseerd op de afstand tussen haar woonplaats [woonplaats] en de werklocatie van de (laatste) opdrachtgever, de gemeente [gemeente 3] , maar niet als kilometervergoeding [5] . Op de zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat zij tijdens het dienstverband bij Daan , als de afstand groot was, op adressen bij familie verbleef waardoor ze haar reistijd en de kilometers heeft beperkt. [verzoekster] meent dat zij daar een vrije keuze in had en dat zij dat niet hoefde te melden aan Daan . Als ze niet bij familieleden had overnacht had zij namelijk een hotelovernachting kunnen declareren in de plaats waar ze gedetacheerd was. Zij baseert dat op de ABU cao.
3.27.
De kantonrechter is met Daan van oordeel dat het standpunt van [verzoekster] om meerdere redenen niet houdbaar is. In de eerste plaats komen alleen de reiskosten die daadwerkelijk worden gereisd voor vergoeding in aanmerking. Daan heeft terecht gewezen op het bepaalde in artikel 31b lid 2 sub a punt 3 van de Wet op de Loonbelasting waarin staat dat tot € 0,23 per afgelegde kilometer mag worden vergoed. De werkgever is dus wettelijk beperkt in tot het vergoeden van de kilometers die daadwerkelijk zijn afgelegd/gereden. [verzoekster] heeft dus recht op een vergoeding van de werkelijk gemaakte reiskosten, op basis van de werkelijk gereden kilometers.
3.28.
Ook lijkt [verzoekster] te miskennen dat bij de beantwoording van de vraag of zij aanspraak had op reistijdvergoeding van belang is de bepaling in de arbeidsovereenkomst die een reistijd van maximaal anderhalf uur enkele reis voorschrijft. Als de afstand van het logeeradres van [verzoekster] tot de locatie van de opdrachtgever binnen die anderhalf uur reistijd valt had een hotelovernachting immers niet gedeclareerd kunnen worden.
3.29.
De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat, mede vanwege de afspraak over de maximale reistijd, voor de opdracht bij de gemeente [gemeente 3] is afgesproken dat [verzoekster] de 24 uren over vier dagen per week van 10:00 uur tot 16.00 uur zou werken en daar in principe ook aanwezig zou zijn. De stelling van [verzoekster] dat het haar privé-keuze is om bij familie of bekenden te verblijven (en de reiskosten vanuit [woonplaats] te declareren) omdat Daan anders wel de hotelkosten had moeten betalen gaat ook in dit geval niet op. In de bovengenoemde afspraak is immers vervat dat de tijd waarin [verzoekster] niet voor de gemeente [gemeente 3] werkzaam was (de resterende 16 uur) doorbetaald kreeg met daarbovenop kennelijk de reisuren die [verzoekster] extra maakte boven de 40 contracturen bij Daan .
3.30.
Er is geen ander werk aangeboden in de periode dat [verzoekster] in [gemeente 3] werkzaam was dus zij heeft zich helemaal kunnen richten op deze klus. [verzoekster] heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat zij 24 uur voor de gemeente [gemeente 3] heeft gewerkt. Zij zegt wel dat ze ander werk voor Daan heeft gedaan in die periode maar dat is niet onderbouwd. Dat daarom is gevraagd door Daan evenmin.
3.31.
De kantonrechter gaat er daarom vanuit, net als Daan , dat [verzoekster] al haar tijd besteedde aan de opdracht bij de gemeente [gemeente 3] . Dat wordt ook bevestigd door de declaraties en de toelichting daarop in productie 1 van [verzoekster] . In zo’n geval is het dus juist heel relevant of de reis wordt gemaakt vanuit de gestelde woonplaats ofwel van een logeeradres dichterbij. Op de momenten dat [verzoekster] heeft gelogeerd bij haar ouders, zus of bij bekenden elders in het land heeft [verzoekster] niet de overeengekomen arbeidsduur besteed aan de gemeente [gemeente 3] omdat zij niet steeds vanuit [woonplaats] naar de locatie is gereden op de momenten waarop zij gesteld heeft dat wel te doen.
3.32.
Uiteindelijk gaat het om de tijd die de werknemer beschikbaar hoort te zijn voor de werkgever omdat daar loon over wordt betaald. Zowel voor wat betreft het bedrag aan reiskosten als de verantwoording voor de uren die gemaakt worden is het van groot belang dat een werkgever er op moet kunnen vertrouwen dat een werknemer, die volledige vrijheid krijgt om de uren in te vullen voor de opdrachtgever, daar open en eerlijk over communiceert. De kantonrechter kan uit de stukken niet opmaken dat dit is gebeurd.
3.33.
Mede uit de nagekomen stukken [6] volgt dat [verzoekster] zowel reiskosten, loon, en thuiswerkvergoeding uitbetaald wenste te krijgen terwijl daar volgens Daan geen basis voor bestaat in de gemaakte afspraken. De kantonrechter volgt Daan . Zo lijkt [verzoekster] ten onrechte aanspraak te maken op vergoeding van reistijd (terwijl die is verdisconteerd in de 40 uur) en claimt zij een reiskostenvergoeding (en thuiswerkvergoeding) op de dagen dat ze op locatie bij de opdrachtgever werkzaam is geweest zonder dat zij daarbij de daadwerkelijk gemaakte kilometers heeft opgegeven. Het is aan [verzoekster] om, als zij reiskosten wil declareren, het adres aan te geven van waar zij is vertrokken.
3.34.
Het tussen partijen bestaande verschil van inzicht over de wijze van declareren is niet opgelost. [verzoekster] heeft vastgehouden aan de juistheid van haar declaratiemethode. Op de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter nog gevraagd of [verzoekster] enig beeld had bij de visie van haar werkgever hierop maar dat bleek niet het geval. [verzoekster] heeft zelfs gesteld dat zij, omdat Daan niet wilde instemmen met haar voorstellen, op 7, 8 en 9 april 2025 haar werk voor de gemeente [gemeente 3] heeft gestaakt. [verzoekster] heeft uitgelegd dat zij destijds tegen haar contacten bij de gemeente [gemeente 3] heeft gezegd dat zij haar werk opschortte vanwege een discussie met Daan over de uitbetaling van haar reiskosten, maar zij heeft Daan zelf niet daarover geïnformeerd. Daan hoorde dit dus pas bij de mondelinge behandeling.
Dat Daan door de opstelling van [verzoekster] het vertrouwen in een verdere samenwerking met haar is verloren is alleszins aannemelijk. Naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook sprake van een duurzame verstoring van de arbeidsverhouding en is er geen basis voor een verdere vruchtbare samenwerking.
Herplaatsing ligt niet in de rede
3.35.
Herplaatsing [7] van [verzoekster] ligt niet in de rede. De kantonrechter volgt Daan in haar redenering dat de vertrouwensbreuk in elke andere functie bij Daan een rol zal spelen. Dat maakt een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk. De arbeidsverhouding blijft dan verstoord.
De arbeidsovereenkomst eindigt op 1 maart 2026
3.36.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 maart 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [8]
[verzoekster] heeft recht op een transitievergoeding
3.37.
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding heeft [verzoekster] recht op een transitievergoeding. Daan heeft die vergoeding berekend op € 6.167,56 [9] bruto. [verzoekster] heeft dat niet weersproken en ook overigens is niet gebleken dat dat bedrag niet klopt. De kantonrechter wijst dat bedrag toe.
[verzoekster] hoeft de gevorderde reiskosten niet terug te betalen
3.38.
Daan wil dat [verzoekster] de aan haar uitbetaalde reiskosten vanaf november 2024 volledig terugbetaalt. Het gaat om een bedrag van € 3.944,04 netto. Daan neemt november 2024 als vertrekpunt omdat vanaf die maand stelselmatig vanuit [woonplaats] is gedeclareerd. Omdat [verzoekster] geen informatie heeft gegeven over haar werkelijke verblijfadres moet Daan ervan uitgaan dat alle declaraties onjuist zijn, zo stelt Daan .
3.39.
Dit verzoek wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Daan verwijst naar bijlage 2 bij het verweerschrift maar daaruit kan niet eenvoudig worden afgeleid dat de berekening van Daan klopt. Bijlage 2 is een totaaloverzicht van de goedgekeurde vergoedingen en declaraties die vanaf juli 2023 aan [verzoekster] zijn uitbetaald. Het overzicht sluit op een totaalbedrag van € 5.944,-. Dit stuk vertelt niet over welke dagen vanaf november 2024 ten onrechte reiskostenvergoeding is uitbetaald en hoe hoog die vergoeding dan was. Zonder nadere toelichting van Daan , die dus ontbreekt, kan de kantonrechter niet uitgaan van de juistheid van het bedrag van € 3.944,04 netto.
De proceskosten in beide verzoeken
3.40.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.

4.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
4.1.
vernietigt het ontslag op staande voet,
4.2.
veroordeelt Daan tot betaling aan [verzoekster] van € 6.021,21 bruto per maand en de eventueel van toepassing zijnde gewijzigde gemeentelijke salarisbedragen en/of vergoedingen ingevolgde de Cao Gemeenten 2025-2027, vanaf 19 augustus 2025 tot 1 maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van betaling,
op het tegenverzoek
4.3.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen,
4.4.
bepaalt de einddatum van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2026,
4.5.
veroordeelt Daan om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 6.167,56 bruto,
op het verzoek en het tegenverzoek
4.6.
verklaart de onderdelen 4.2 en 4.5 uitvoerbaar bij voorraad [10] ,
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte
4.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
1257

Voetnoten

1.Zie de e-mailcorrespondentie, nagezonden productie 5 van [verzoekster]
2.Productie 2 van Daan
3.Zie productie 2g van [verzoekster]
4.Artikel 7:669 lid 3 sub g van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
5.Zie productie 1 van [verzoekster]
6.Productie 1a tot en met 1c van [verzoekster]
7.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
8.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
9.Zie randnummer 85 van het verweerschrift
10.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.