Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- een verweerschrift van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met producties (A-G),
Rechtbank Midden-Nederland
De Belastingdienst vordert in kort geding dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] binnen twee weken volledige en onvoorwaardelijke medewerking verlenen aan het verstrekken van informatie over hun vermogen en vastgoed in het buitenland vanaf 2013. De vordering is gebaseerd op de artikelen 47 lid 1 en 49 lid 1 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR).
De gedaagden voeren verweer dat zij aan hun informatieplicht hebben voldaan en niet meer informatie kunnen verstrekken dan zij bezitten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, mede gelet op door de Belastingdienst ontvangen informatie uit registers in Dubai en andere bronnen, waaruit blijkt dat niet alle relevante gegevens zijn verstrekt, zoals over vastgoedbezit en huurinkomsten.
De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en dat de vordering in kort geding toewijsbaar is. Tevens wordt bepaald dat de gedaagden ook eventuele vervolgvragen van de Belastingdienst moeten beantwoorden. Voor het niet nakomen van de veroordeling wordt een dwangsom van € 2.500 per dag tot een maximum van € 500.000 opgelegd.
De proceskosten worden aan de gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagden tot volledige en onvoorwaardelijke informatieverstrekking over hun buitenlandse vermogen en vastgoed met oplegging van een dwangsom bij niet-nakoming.