ECLI:NL:RBMNE:2026:4471

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/4495
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag toeslagjaar 2007

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Dienst Toeslagen waarin hij voor het toeslagjaar 2007 geen compensatie krijgt op grond van vooringenomenheid of hardheid. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen voldoende informatie heeft opgevraagd en dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid voor 2007. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op compensatie voor dat jaar.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden met ongeveer vijf maanden, waarvan de overschrijding van het bezwaarproces het meest significant was. Daarom kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 500,- aan eiser en vergoedt zij de proceskosten van € 233,50.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van Dienst Toeslagen in stand blijft. Eiser krijgt geen compensatie voor 2007, maar wel een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak is gedaan door rechter M. van der Knijff op 9 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie voor toeslagjaar 2007 blijft in stand, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4495

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het er niet mee eens dat hij over het toeslagjaar 2007 geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft zich op 8 februari 2021 aangemeld voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009. Eiser had in die jaren twee kinderen waarvoor hij kinderopvangtoeslag heeft ontvangen.
4. Dienst Toeslagen heeft op 23 juni 2021 (de eerste toets) laten weten dat eiser wordt aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Aan hem is daarom een forfaitair compensatiebedrag toegekend van € 30.000 (de Catshuisregeling).
5. Bij besluit van 19 december 2023 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 93.360,-, omdat voor de toeslagjaren 2006, 2008 en 2009 vooringenomenheid dan wel hardheid is vastgesteld. Voor het toeslagjaar 2007 komt eiser niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan.
6. Met het besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar gegrond verklaard, onder meer vanwege een onjuist berekend rentebedrag over de compensatie voor de toeslagjaren 2006, 2008 en 2009. De bezwaren tegen de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2007 zijn ongegrond verklaard. Het definitieve compensatiebedrag bedraagt € 101.318,-.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Eiser en de gemachtigde van eiser hebben via een beeldverbinding deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
10. Dienst Toeslagen komt in het bestreden besluit gedeeltelijk tegemoet aan het bezwaar van eiser. Het compensatiebedrag wordt namelijk hoger vastgesteld. Dienst Toeslagen ziet echter geen aanleiding om eiser te compenseren over het toeslagjaar 2007 vanwege vooringenomenheid of hardheid. Ook is volgens Dienst Toeslagen geen sprake van opzet of grove schuld over het toeslagjaar 2007.
Het standpunt van eiser in beroep
11. Eiser stelt dat hij recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2007 op grond van vooringenomenheid. Dienst Toeslagen beschikt namelijk niet over gegevens die aantonen of in 2007 sprake was van een automatische continuering of een beschikking op aanvraag, en Dienst Toeslagen beschikt niet over gegevens waaruit blijkt of zij herhaaldelijk om nadere informatie heeft gevraagd. Verder stelt eiser dat het oorspronkelijke verzoek om gegevens ontbreekt, waardoor de verzoeken van 28 maart 2011 en 11 mei 2011 niet als rappelbrieven kunnen worden beschouwd. Volgens eiser betekent dit dat geen sprake is van non-respons en dat hij voor het toeslagjaar 2007 gecompenseerd moet worden. Tot slot stelt eiser dat Dienst Toeslagen, ondanks dat zij wist dat eiser gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang [naam] , heeft nagelaten aanvullende gegevens op te vragen, zoals een jaaropgave. Dit wijst volgens eiser op een vooringenomen werkwijze en schending van de zorgvuldigheidsplicht.
12. Daarnaast heeft eiser in zijn beroepschrift verzocht om een schadevergoeding voor het geval dat de redelijke termijn [1] waarbinnen het geschil moet worden beslecht, wordt overschreden.
Het toetsingskader
13. Een compensatie op grond van de Wht wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. [2] Om voor compensatie in aanmerking te komen moet dus in ieder geval sprake zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen.
14. Voor de beoordeling van het beroep van eiser zijn de volgende regels van belang. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid. [3]
15. Verder volgt uit de memorie van toelichting bij de Wht [4] dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Aannemelijk maken betekent dat eiser aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van eiser wordt gevraagd al de ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van de ouder worden ondersteund door of passen bij de aanwezige informatie.
Het oordeel van de rechtbank
16. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen uitsluitend het toeslagjaar 2007 nog in geschil is. Hoewel eiser in de gronden van beroep heeft verzocht om een herbeoordeling van alle toeslagjaren waarvoor kinderopvangtoeslag is aangevraagd, heeft hij tijdens de zitting bevestigd dat het hem alleen om het toeslagjaar 2007 gaat.
Het toeslagjaar 2007
17. De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat er op 25 augustus 2007 – conform de overeenkomst tussen eiser en de gastouderopvang [naam] – een voorschot is toegekend van € 27.408,- voor zowel het toeslagjaar 2006 als het toeslagjaar 2007. Om te kunnen vaststellen op welk bedrag eiser daadwerkelijk recht had, heeft Dienst Toeslagen op 28 maart 2011 een brief verstuurd en verzocht om aanvullende informatie over het toeslagjaar 2007. Uit deze brief volgt dat de opvanggegevens voor zijn twee kinderen ontbreken. Op 11 mei 2011 is er opnieuw een brief naar eiser verstuurd met hetzelfde verzoek. Dienst Toeslagen heeft vervolgens bij beschikking van 7 juli 2011 de kinderopvangtoeslag op nihil vastgesteld, omdat eiser niet heeft gereageerd op deze brieven uit 2011.
18. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken niet dat voor het toeslagjaar 2007 is voldaan aan (één van) de in overweging 14 genoemde kenmerken die duiden op institutioneel vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen. Uit het voorgaande volgt immers dat eiser tweemaal in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op kinderopvangtoeslag aan te tonen, voordat deze op nihil werd gesteld. Gelet hierop en de stukken uit het dossier, heeft Dienst Toeslagen voldoende uitvraag gedaan bij eiser. Het standpunt van eiser dat het oorspronkelijke verzoek om gegevens – van vóór 28 maart 2011 – ontbreekt, volgt de rechtbank niet. Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 28 maart 2011 de eerste uitvraag is, en gezien de inhoud van die brief kan de rechtbank dat volgen. De rechtbank heeft evenmin aanwijzingen in het dossier gevonden die erop wijzen dat er nog een eerdere brief zou zijn geweest. Voor zover een eerdere brief zou ontbreken, leidt dat bovendien niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat eiser ook in dat geval zelf verantwoordelijk bleef voor het reageren op de brief van 28 maart 2011 of die van 11 mei 2011. De rechtbank merkt bovendien op dat het voor eiser duidelijk had kunnen zijn welke aanvullende informatie hij had moeten opsturen, omdat bij de brieven een antwoordformulier is gevoegd waarop deze gegevens konden worden ingevuld.
19. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat zijn huis ergens in 2011 is verkocht. Dienst Toeslagen heeft hierop verklaard dat de voormelde brieven uit 2011 zijn gestuurd naar het adres dat was geregistreerd in de (destijds zo genoemde) gemeentelijke basisadministratie. De stelling van eiser dat hij mogelijk vóór het versturen van de brieven was verhuisd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft met deze enkele stelling namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij geen van beide brieven heeft ontvangen of dat de brieven niet op de juiste manier naar hem zouden zijn verzonden.
20. De rechtbank is verder van oordeel dat Dienst Toeslagen niet verplicht was navraag te doen bij gastouderopvang [naam] over de ontbrekende opvanggegevens. Dienst Toeslagen heeft op reguliere wijze informatie opgevraagd door dit rechtstreeks aan eiser te vragen. De stelling van eiser dat de KOI-viewer ten onrechte geen opvanggegevens bevat, leidt niet tot een ander oordeel. Tijdens de zitting heeft Dienst Toeslagen terecht gesteld dat zij in beginsel mag uitgaan van de KOI-viewer, tenzij uit andere gegevens blijkt dat zij aan die juistheid had moeten twijfelen. Dat is hier niet het geval, omdat eiser niet heeft gereageerd op de brieven uit 2011 en ook niet op een later moment gegevens heeft overgelegd. Ook in de beroepsprocedure heeft eiser geen documenten overgelegd om dit te onderbouwen. Bovendien betekent het bestaan van een overeenkomst tussen eiser en de gastouderopvang niet automatisch dat zijn kinderen daadwerkelijk naar de opvang zijn geweest. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van institutionele vooringenomenheid, waarvoor eiser gecompenseerd zou moeten worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Overschrijding redelijke termijn en verzoek om rente

21. De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn is overschreden in een zaak wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren.
22. De redelijke termijn begon in deze zaak te lopen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 januari 2024. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn (afgerond naar boven) 29 maanden verstreken. Op de datum van deze uitspraak is de termijn dus met ongeveer 5 maanden overschreden. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling in bezwaar door Dienst Toeslagen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 januari 2024 tot het bestreden besluit van 25 juni 2025 ruim 17 maanden geduurd. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht, is daarmee met 11 maanden overschreden. Eiser heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens binnen de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar uitspraak gedaan op het beroep van eiser. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn van 5 maanden volledig voor rekening van Dienst Toeslagen komt.
23. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eiser heeft dus recht op € 500,-.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag voor 2007 in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.
25. Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op
€ 233,50,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,25). Dienst Toeslagen moet dit bedrag vergoeden. Eiser krijgt het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser, tot een bedrag van € 233,50,-;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot vergoeding van de wettelijke rente over de schadevergoeding en de vergoeding van de proceskosten vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de men en de fundamentele vrijheden.
2.Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 70-71.
4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.