ECLI:NL:RBMNE:2026:4470
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens evident geen recht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Dienst Toeslagen dat hij geen recht heeft op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016. Dienst Toeslagen had vastgesteld dat eiser in die jaren geen recht had op kinderopvangtoeslag, omdat zijn toeslagpartner pas sinds augustus 2016 rechtmatig verblijf had en in 2016 een bijstandsuitkering ontving zonder deelname aan een traject voor werk, studie of inburgering.
Eiser voerde aan dat hij geen toeslagpartner had omdat hij niet samenwoonde met zijn ex-partner, die in een Blijf-van-mijn-Lijf-huis verbleef, en dat Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek had gedaan. Ook stelde hij dat artikel 3c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) op zijn situatie van toepassing was. De rechtbank oordeelde echter dat Dienst Toeslagen terecht mevrouw als toeslagpartner had aangemerkt, omdat zij gehuwd waren en eiser dit niet met bewijs had weerlegd.
De rechtbank verwierp het beroep op artikel 3c Awir en ook het beroep op artikel 3a Awir, omdat geen verzoek tot uitzondering was ingediend. Verder stelde de rechtbank vast dat ondanks de vastgestelde vooringenomenheid van Dienst Toeslagen, er geen recht op compensatie bestaat als evident is dat er geen recht op kinderopvangtoeslag was. Dit was het geval in 2015 en 2016. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van Dienst Toeslagen om geen compensatie toe te kennen wordt bevestigd.