ECLI:NL:RBMNE:2026:439

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25/6727
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.R. van Es- de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 4:84 AwbArt. 28 BeleidsregelsArt. 9 lid 3 BeleidsregelsArtikel 3 Parkeerplaatsenverordening 2014 gemeente Utrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bewonersparkeervergunning ondanks medische en financiële omstandigheden

Verzoekster heeft een bewonersparkeervergunning aangevraagd die door het college is afgewezen omdat zij niet de houder is van het voertuig waarvoor de vergunning is aangevraagd. In de bezwaarfase doet verzoekster voor het eerst een beroep op de hardheidsclausule vanwege haar medische aandoening en financiële situatie, waaronder een angst- en paniekstoornis en openstaande schulden.

Het college heeft aangegeven dat er onvoldoende duidelijkheid is over de financiële situatie van verzoekster, met name over de registratie van het voertuig en de omvang van haar schulden. De voorzieningenrechter oordeelt dat hierdoor onvoldoende duidelijkheid bestaat over de vraag of sprake is van bijzondere hardheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.

De belangenafweging leidt ertoe dat de belangen van het college zwaarder wegen dan die van verzoekster. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, maar stelt wel een termijn van uiterlijk 27 februari 2026 waarbinnen het college op het bezwaar moet beslissen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college moet uiterlijk 27 februari 2026 op het bezwaar beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6727

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

29 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M.J.W. Gorissen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit om een bewonersparkeervergunning af te wijzen.
1.1.
Het college heeft de aanvraag om een bewonersparkeervergunning met het besluit van 24 november 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan heeft verzoekster via beeldverbinding deelgenomen en is de gemachtigde van het college, vergezeld door dhr. [A] , medewerker bezwaar bij de gemeente, op de zitting verschenen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Wel wordt aan het college een termijn van uiterlijk vier weken gegeven waarbinnen op het bezwaar moet worden beslist. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het verzoek
3. Verzoekster heeft een bewonersparkeervergunning aangevraagd voor haar woning aan het [adres] te [plaats] . Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarde dat zij de houder is van het voertuig waarvoor de vergunning is aangevraagd.
4. Verzoekster heeft vervolgens in de bezwaarfase een beroep gedaan op de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 28 van Pro de Beleidsregels. Het niet vergunnen van een bewonersvergunning leidt volgens haar namelijk tot onbillijkheid van overwegende aard. Verzoekster voert daar verschillende redenen voor aan. Zij stelt dat haar medische aandoening (een angst- en paniekstoornis) maakt dat zij niet in staat is om te voet (of per fiets) verder dan ca. 500 meter van haar huis te gaan. Zij heeft met een verklaring van haar huisarts onderbouwd dat zij vanwege deze aandoening onder behandeling staat van een psychiater en een psycholoog. In die behandeling werkt verzoekster aan het vergroten van haar actieradius. Verzoekster stelt dat zij, vanwege haar openstaande schulden, geen auto op haar naam kan laten registreren. Zij heeft om die reden de permanente beschikking over een auto van een vriendin. Daarvan heeft zij ook een verklaring overgelegd. Ten slotte wijst verzoekster er op dat zij moet leven van een WIA-uitkering, aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Verzoekster stelt dat zij, vanwege haar medische aandoening, voor haar sociale contacten en afspraken is aangewezen op de auto. Sinds november 2025 is in haar wijk betaald parkeren ingevoerd. Verzoekster moet nu € 25,67 per dag betalen, terwijl zij een maandelijkse uitkering ontvangt van € 1.175,50. Verzoekster stelt dat zij deze kosten van haar uitkering niet kan opbrengen, terwijl de auto voor haar een therapeutisch hulpmiddel is en ervoor zorgt dat zij haar behandelingen bij haar psychiater en psycholoog volhoudt. Zonder auto valt zij volledig terug in isolement. Het is voor haar niet mogelijk om de auto buiten het betaaldparkerengebied te parkeren, omdat zij vanwege haar medische aandoening niet zo ver kan lopen of fietsen.
5. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om die reden de gemeente op te dragen per direct een tijdelijke parkeervergunning te verstrekken totdat op haar bezwaar is beslist of om de gemeente op te dragen binnen een zeer korte termijn (bijvoorbeeld 7 dagen) een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de medische situatie en het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat verzoekster ook een beroep doet op artikel 4:84 dan Pro wel artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Standpunt college
6. Het college stelt zich op het standpunt dat op dit moment onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een situatie waarbij toepassing van artikel 28 van Pro de Beleidsregels is aangewezen. Bij het bestreden besluit waren de - door verzoekster -aangevoerde omstandigheden nog niet bekend bij het college. Op de zitting heeft het college te kennen gegeven dat er nog vragen zijn over verzoeksters financiële situatie. Het college heeft daarbij aangegeven dat deze vragen hopelijk - na de bespreking ter zitting bij de voorzieningenrechter en de nog komende hoorzitting – beantwoord zullen worden. Beantwoording van deze vragen draagt namelijk bij aan een goede beoordeling van het antwoord op de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 28 van Pro de Beleidsregels, dan wel artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Toetsingskader
7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zodanig gebrekkig is dat het in heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal daarom allereerst beoordelen of de bezwaargronden van verzoekster een redelijke kans van slagen hebben.
8. De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, af. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoekster.
9. In artikel 3, derde lid van de Parkeerplaatsenverordening 2014 van de gemeente Utrecht staat dat het college de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen voor het aanvragen en verlenen van parkeervergunningen.
10. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt met de Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht 2020 (hierna: de Beleidsregels).
In artikel 9, lid 3, aanhef en onder sub a, van de Beleidsregels staat dat de aanvrager als houder van het voertuig wordt aangemerkt als het kenteken volgens de RDW op naam staat van de aanvrager.
11. In artikel 28 van Pro de Beleidsregels staat dat het college -voor zover hier relevant- artikel 9 buiten Pro toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de deze regeling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
12. In artikel 3:4, tweede lid, van de Awb staat dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
13. In artikel 4:84 van Pro de Awb staat dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Wat vindt de voorzieningenrechter?
14. Het spoedeisend belang is gegeven.
15. Niet in geschil is dat verzoekster niet voldoet aan artikel 9 lid 3 van Pro de Beleidsregels, omdat het kenteken van de auto waar de vergunning voor is aangevraagd, niet op haar naam staat geregistreerd. Verder is onbetwist dat verzoekster wel permanent kan beschikken over een auto van een vriendin en dat verzoekster een bescheiden inkomen heeft uit een WIA-uitkering met een toeslag. Ook de medische beperkingen waar verzoekster mee kampt, die maken dat zij -zonder auto- niet verder dan ca. 500 meter van haar huis kan gaan worden niet weersproken door het college.
16. Het college heeft op de zitting verklaard dat er nog onvoldoende duidelijkheid is over de financiële situatie van verzoekster. Met name het feit dat er geen verklaring van een derde is, bijvoorbeeld de RDW, dat verzoekster geen auto op haar naam kan krijgen. Ook is er geen zicht op de omvang van haar schulden. Verzoekster heeft op de zitting toegezegd dat zij aan de medewerker bezwaar een verklaring van de RDW kan sturen, waaruit blijkt dat zij geen auto op haar naam kan laten registreren. Verder zal zij ook een overzicht sturen van haar schulden.
17. Verzoekster doet een beroep op artikel 28 van Pro de Beleidsregels. Het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid van het college die de voorzieningenrechter daarom terughoudend moet beoordelen. Vastgesteld wordt dat verzoekster voor het eerst in bezwaar een beroep doet op de hardheidsclausule en het college hierover met name nog vragen heeft met betrekking tot de autoregistratie en de schulden (zie hierover r.o. 13). Dat betekent dat er nu met betrekking tot deze twee vragen geen duidelijkheid bestaat. Het college kan hierover in de bezwaarfase nadere duidelijkheid krijgen en zal vervolgens een besluit op het bezwaar nemen. Verder geldt dat het college in de bezwaarfase bij de toepassing van de Beleidsregels, gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, ook de evenredigheid in het concrete geval dient te beoordelen en de verplichting heeft om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die dwingen tot afwijking van de beleidsregel. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter de uitleg van verzoekster over haar medische en financiële situatie goed begrijpt, maar dat er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de vraag of sprake is van een situatie die leidt tot de conclusie dat sprake is van bijzondere hardheid, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Beleidsregels, dan wel tot toepassing van artikel 4:84 of Pro 3:4, tweede lid van de Awb. Daarmee bestaat ook nog geen duidelijkheid of het college de parkeervergunning mocht weigeren. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat er een gebrek kleeft aan het primaire besluit of dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
18. De vraag is vervolgens of de belangen van verzoekster bij schorsing van het primaire besluit en een voorlopige voorziening waarbij aan haar een tijdelijke parkeervergunning wordt toegekend, dan wel een korte beslistermijn wordt bepaald zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college bij het nemen van een besluit op het bezwaar, waarbij het college een hoorzitting kan houden en alle informatie kan betrekken. Ook hier geldt dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft, waarbij nog niet alle feitelijke informatie door verzoekster is aangedragen. Het college heeft op de zitting verklaard dat dit een unieke situatie betreft, die zich nog niet eerder heeft voorgedaan. Over deze situatie zal daarom na de hoorzitting van 2 februari aanstaande ook met beleidsmedewerkers moeten worden overlegd, voordat een beslissing op bezwaar kan worden genomen. De voorzieningenrechter snapt het belang van het college bij een zorgvuldige besluitvorming, maar hij snapt ook heel goed de precaire en unieke situatie waar verzoekster zich in bevindt. Daarbij wordt nog opgemerkt dat als het college bij zijn weigering van de bewonersvergunning blijft, er gemotiveerd moet worden waarom in dit specifieke geval geen sprake is van bijzondere hardheid, dan wel waarom de weigering niet onevenredig uitvalt voor verzoekster. De voorzieningenrechter zal in dit geval het belang van het college zwaarder laten wegen, waarbij wel een termijn zal worden gesteld waarbinnen op het bezwaar moet zijn beslist. De voorzieningenrechter zal deze termijn bepalen op vrijdag 27 februari 2026.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat het primaire besluit niet wordt geschorst en aan verzoekster geen tijdelijke parkeervergunning wordt verstrekt. Ook het verzoek het college op te dragen om binnen zeer korte termijn (bijvoorbeeld 7 dagen) een beslissing op bezwaar te nemen, wijst de voorzieningenrechter af. Wel zal de voorzieningenrechter bepalen dat het college uiterlijk op 27 februari 2026 op het bezwaar moet hebben beslist. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
20. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat het college uiterlijk op 27 februari 2026 een beslissing moet nemen op het bezwaar.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026 door mr. J.R. van Es- de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.