ECLI:NL:RBMNE:2026:4314

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/4977-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 7:10 AwbArt. 236 lid 2 Gemeentewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te vroege ingebrekestelling in WOZ-besluit

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift over een WOZ-beschikking. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend, omdat de beslistermijn op grond van artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet tot en met 31 december 2025 liep.

Opposant betwistte deze uitleg en stelde dat de reguliere beslistermijn van artikel 7:10 Awb Pro van toepassing was, waardoor zijn ingebrekestelling wel tijdig was. De rechtbank oordeelde dat de afwijking van de standaard beslistermijn correct was toegepast, omdat het bezwaarschrift niet in de laatste zes weken van het kalenderjaar was ingediend.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak van 9 januari 2026 in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR25/4977-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.
Verweerder heeft op 27 augustus 2025 een beslissing op bezwaar genomen.
In de uitspraak van 9 januari 2026 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 januari 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2026 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 2026 niet juist omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn ingebrekestelling prematuur was en daarbij artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet onjuist heeft toegepast. Opposant stelt dat hij zijn bezwaarschrift tijdig heeft ingediend en zijn rechtsmiddelen op correcte wijze heeft benut.
4.1
Opposant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat verweerder, vanwege artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet tot en met 31 december 2025 de tijd had om op zijn bezwaar te beslissen. Naar de mening van opposant heeft de rechtbank deze bepaling onjuist uitgelegd en toegepast. Door artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet toe te passen op een bezwaarschrift dat reeds op 30 april 2025 is ingediend, wordt een uitzonderingsbepaling feitelijk verheven tot de hoofdregel, waardoor de reguliere beslistermijn van artikel 7:10 Awb Pro haar betekenis verliest.
4.2
Volgens opposant leidt deze uitleg tot een ongerijmde en rechtstatelijk onwenselijk uitkomst. Immers, hoe eerder en zorgvuldiger een burger bezwaar maakt, hoe langer deze vervolgens op een beslissing moet wachten. Dat resultaat kan redelijkerwijs niet overeenkomen met de bedoeling van de wetgever.
4.3
Opposante stelt dat de onjuiste toepassing van artikel 236 van Pro de Gemeentewet niet alleen heeft geleid tot een onjuiste niet-ontvankelijkverklaring maar hem ook concreet heeft benadeeld. Door de wettelijke beslistermijn onjuist vast te stellen, wekt de uitspraak ten onrechte de indruk dat verweerder niet in gebreke was en rechtmatig heeft gehandeld, terwijl volgens opposante juist sprake was van het overschrijden van de toepasselijke beslistermijn.
5. Uit de Gemeentewet volgt dat in beginsel wordt afgeweken van de standaard beslistermijn van artikel 7:10 van Pro de Awb. De standaard beslistermijn van artikel 7:10 van Pro de Awb is alleen van toepassing als een bezwaarschrift is ingediend in de laatste zes weken van een kalanderjaar geldt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 30 april 2025. Het bezwaarschrift is dus niet ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar. Dit betekent dat voor de beslistermijn wordt afgeweken van de standaard beslistermijn van artikel 7:10 van Pro de Awb. Dat houdt in dat de heffingsambtenaar tot het einde van dat kalenderjaar (dus tot en met 31 december 2025) de tijd heeft om een uitspraak te doen op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling van
20 juni 2025 was dan ook te vroeg ingediend.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
9 januari 2026 in stand blijft.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.