ECLI:NL:RBMNE:2026:4282

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5064
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 2 WpbrArt. 9 lid 1 WpbrArt. 9 lid 8 WpbrArt. 19 Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete wegens onrechtmatig tewerkstellen van ingeleend beveiligingspersoneel zonder toestemming

Eiseres kreeg een boete opgelegd wegens het laten verrichten van beveiligingswerkzaamheden door vier ingeleende personen zonder de vereiste toestemming van de korpschef, in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).

De rechtbank oordeelt dat eiseres ruim voor het evenement op de hoogte was van de noodzaak om toestemming aan te vragen, maar dit niet heeft gedaan. Het indienen van een aanmeldformulier met een Excel-lijst voldeed niet als aanvraag om toestemming. Er was geen sprake van een spoedeisende situatie die een uitzondering zou rechtvaardigen.

Eiseres voerde aan dat de veiligheid niet in gevaar was en dat zij mocht vertrouwen op de vermelding van de ingeleende personen, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om de boete te matigen. De opgelegde boete van €8.000 wordt gehandhaafd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de boete van €8.000 wegens het onrechtmatig tewerkstellen van ingeleend beveiligingspersoneel zonder toestemming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. R. Stehouwer).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde boete wegens overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde boete.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht is opgelegd en dat er geen reden is om deze te matigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de staatssecretaris aan eiseres een boete opgelegd van € 8.000,-. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarop schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [A] en [B] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Aan eiseres is bij besluit van 1 juli 2022 een vergunning verleend voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie.
De staatssecretaris heeft op 14 oktober 2024 een ambtsbericht ontvangen van de korpschef. Hieruit blijkt dat er tussen 22 en 25 augustus 2024 meerdere overtredingen zijn geconstateerd tijdens het evenement “ [evenement] ” in [plaats] . Tijdens het evenement werden er beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd door eiseres. Uit controles is gebleken dat vier personen niet in het bezit waren van een geldige politietoestemming en een geldig beveiligingslegitimatiebewijs op naam van eiseres. De staatssecretaris heeft daarop een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr van vier maal € 2.000,- (totaal € 8.000,-), conform zijn beleid over samenloop van overtredingen.
Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wpbr draagt een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend er zorg voor dat de personen die zijn belast met beveiligingswerkzaamheden, bij de uitvoering van deze werkzaamheden een door Onze Minister goedgekeurd uniform dragen.
Op grond van het achtste lid draagt een beveiligingsorganisatie aan welke een vergunning is verleend, er zorg voor dat de personen die zijn belast met beveiligingswerkzaamheden, bij de uitvoering van hun werkzaamheden een legitimatiebewijs bij zich dragen waarvan een model is vastgesteld door Onze Minister en dat zij dit op verzoek tonen.
In onderdeel 7 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 staat dat beveiligingsorganisaties personeel kunnen inlenen van andere beveiligingsorganisaties. Daarbij moet wel aan de reguliere voorwaarden voor het tewerkstellen van personeel worden voldaan. Dat betekent dat het ingeleende personeel over een uniform en legitimatiebewijs moet beschikken van de inlenende organisatie. Op die regel kan een uitzondering worden gemaakt als er grote spoed is bij het inlenen van personeel. Inlenen zonder een legitimatiebewijs van de inlenende organisatie is dan toch mogelijk als die organisatie de politie daarover informeert.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vier personen beveiligingswerkzaamheden heeft laten verrichten zonder dat zij daarvoor de vereiste toestemming van de korpschef hadden op naam van eiseres. Eiseres had deze vier personen ingeleend van een andere beveiligingsorganisatie. Volgens haar heeft zij wel om toestemming gevraagd en bovendien was sprake van een spoedeisende situatie en volstond het doen van een melding.
Heeft eiseres om toestemming gevraagd voor de vier ingeleende personen?
In paragraaf 3.1. van de Beleidsregels staat dat de benodigde toestemming moet worden aangevraagd door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier. Eiseres heeft erkend dat zij geen gebruik heeft gemaakt van dit formulier. Het door haar op 26 juli 2024 ingediende aanmeldformulier [1] met daarbij een Excellijst met alle personen die zij te werk zal stellen tijdens het evenement [evenement] ” in [plaats] van 21 tot en met 25 augustus 2024 is niet bestemd voor het vragen van toestemming en kan ook niet als dusdanig worden aangemerkt. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres voor de vier ingeleende personen geen toestemming heeft aangevraagd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wbpr.
Was sprake van een spoedeisende situatie?
8. Het evenement waar eiseres beveiligingswerkzaamheden uit zou gaan voeren vond plaats van 21 tot en met 25 augustus 2024. In ieder geval op 26 juli 2024 was haar bekend dat zij personeel in moest lenen van een andere beveiligingsorganisatie om de inzet van personeel rond te krijgen. Dat was dus ruim voor het evenement, zodat van eiseres verwacht mocht worden dat zij voor de in te lenen personen de aanvraag om toestemming nog deed. Van een situatie van grote spoed bij het inlenen van personeel was op dat moment dan ook geen sprake. Eiseres voert aan dat het indienen van een aanvraag om toestemming vier weken voor een evenement geen zin heeft, omdat het acht tot twaalf weken duurt voordat op een aanvraag wordt beslist en dat zij meende het juiste te doen door het ingeleende personeel te vermelden op de Excellijst bij het aanmeldformulier. De rechtbank heeft hier begrip voor, maar toch maakt dit het niet anders. De staatssecretaris heeft op zitting toegelicht dat de doorlooptijd inderdaad acht weken is, maar dat het ook wel sneller kan gaan. Gelet op het grote belang dat is gediend met de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om beveiligingswerkzaamheden te mogen uitvoeren, had van eiseres verwacht mogen worden dat zij de aanvraag desondanks indiende en maakt deze omstandigheid niet dat sprake was van een situatie van grote spoed zoals bedoeld in de Beleidsregels. Daarbij komt dat voornoemd door eiseres ingediende aanmeldformulier ook geen spoedmelding is in de zin van onderdeel 7 van de Beleidsregels.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris dan ook terecht vastgesteld dat eiseres artikel 7, tweede lid, van de Wpbr heeft overtreden door de vier personen zonder politietoestemming op haar naam tewerk te stellen. De staatssecretaris was dus bevoegd een boete op te leggen.
Had de staatssecretaris de boete moeten matigen?
10. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris de boete had moeten matigen, omdat de veiligheid nooit in het geding is geweest. Het was duidelijk dat de vier personen beveiligers waren met politietoestemming op naam van hun eigen werkgever en dat zij onder regie stonden van eiseres. Bovendien mocht eiseres erop vertrouwen dat alles in orde was, omdat zij de vier personen op de Excellijst had vermeld als ingeleend personeel en de korpschef daarop geen vragen heeft gesteld of toestemming heeft onthouden. Verder is een reden tot matiging het feit dat het aanvragen van toestemming gelet op de korte periode geen zin meer had.
11. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om de boete te matigen. Van eiseres mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van alle geldende vereisten, in het bijzonder het vereiste dat ook voor ingeleend personeel toestemming moet worden aangevraagd. Het is haar te verwijten dat zij ervan uitging dat het vermelden van de vier ingeleende personen vier weken voorafgaand aan het evenement voldoende was en dat zij om die reden geen toestemming heeft gevraagd. Dat de korpschef haar geen vragen heeft gesteld naar aanleiding van de ingediende lijst met namen, pleit haar niet vrij. Ook de omstandigheid dat eiseres ervan uitging dat het aanvragen van toestemming geen zin meer had, maakt niet dat de overtreding haar niet kan worden verweten en geeft dus geen aanleiding om de boete te matigen.
De vraag of eiseres eerder al in de fout is gegaan of niet, is in dit geval niet relevant, omdat dit voor de staatssecretaris geen reden is geweest om de boete te verhogen. En als het al juist is dat dit de eerste overtreding is, zoals eiseres stelt en de staatssecretaris betwist, dan heeft de staatssecretaris hierin geen aanleiding hoeven zien om de boete te matigen. De staatssecretaris heeft bij de bepaling van de hoogte van de boete conform zijn beleid als uitgangspunt het bedrag kunnen nemen genoemd in het overzicht bestuurlijke boetes. De opgelegde boete is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de boete van € 8.000,- in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 19 van Pro de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.