ECLI:NL:RBMNE:2026:4274

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/7570
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.3 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit Dienst Toeslagen over aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslag

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, heeft een aanvullende schadevergoeding gevraagd na eerdere compensaties voor de jaren 2007, 2008, 2010 en 2014. Dienst Toeslagen kende aanvankelijk een bedrag toe, maar stelde dat het vertrek van eiseres naar Suriname in 2014 niet door de toeslagenproblematiek werd veroorzaakt, maar door het stopzetten van het WSNP-traject.

De rechtbank stelt vast dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de problemen met de kinderopvangtoeslag mede oorzaak waren van haar vertrek naar Suriname. Dit blijkt onder meer uit het dossier, de bewindvoering en de dwangbevelen van Dienst Toeslagen. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen dit causale verband ten onrechte niet heeft betrokken bij de schadevergoeding.

Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en wordt Dienst Toeslagen opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet Dienst Toeslagen het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. Andere gronden van beroep worden niet inhoudelijk behandeld, maar moeten wel worden meegenomen in het nieuwe besluit.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van Dienst Toeslagen en beveelt een nieuwe berekening van de aanvullende schadevergoeding waarbij het vertrek naar Suriname wordt betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Waar gaat deze zaak over?

Deze uitspraak gaat over de aanvullende werkelijke schadevergoeding dat Dienst Toeslagen heeft uitgekeerd aan eiseres na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Eiseres heeft op 23 juni 2022 om aanvullende schadevergoeding aangevraagd. Op 13 mei 2024 heeft Dienst Toeslagen een bedrag van in totaal € 11.122,- toegekend. Met de beslissing op bezwaar van 24 november 2025 heeft Dienst Toeslagen een aanvullende vergoeding van € 5.433,- toegekend.
Eiseres is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding en heeft beroep ingesteld.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding niet juist heeft vastgesteld
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanvraag
2. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een compensatie kinderopvangtoeslag van in totaal € 59.274,- ontvangen voor de jaren 2007, 2008, 2010 en 2014. Daarna heeft eiseres zich gemeld voor vaststelling en vergoeding van werkelijke schade.
Bestreden besluitvorming
3. CWS heeft per aangevoerde schadepost beoordeeld of sprake is van daadwerkelijke schade en of die schade is veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. CWS heeft op 17 april 2024 advies gegeven aan Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen heeft op basis van het advies van CWS een bedrag van € 11.122,- uitgekeerd. Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat het vertrek van eiseres naar Suriname in 2014 niet is veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. In dat jaar is het WSNP-traject [1] van eiseres stopgezet en eiseres heeft zelf verklaard dat zij daarom is weggegaan.
Advies bezwaaradviescommissie
4. Eiseres is het niet eens met het besluit en heeft bezwaar ingediend. De bezwaaradviescommissie (BAC) heeft Dienst Toeslagen geadviseerd om het bezwaar over de schadepost vervangende opvangkosten gegrond te verklaren en meer vergoeding toe te kennen. Daarbij moest alsnog een vergoeding toegekend worden voor vervangende opvangkosten voor het jongste kind over de toeslagjaren 2012 en 2013. In het verlengde hiervan heeft de BAC geadviseerd om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Verder heeft de BAC geadviseerd om het bedrag voor herstel door te laten lopen tot de beslissing op bezwaar omdat eiseres heeft bezwaar moeten maken voor vervangende opvangkosten voor haar jongste kind over 2012 en 2013.
Bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft Dienst Toeslagen getoetst aan het op 1 juli 2024 door de CWS gepubliceerde nieuwe schadekader. [2] Dit heeft geleid tot het toekennen van aan aanvullende schadevergoeding van € 4.533,-. Daarbij zijn de vervangende opvangkosten voor het jongste kind van eiseres over de toeslagjaren 2012 en 2013 berekend. Volgens Dienst Toeslagen is er geen reden om proceskostenvergoeding toe te kennen omdat er alleen een hogere aanvullende schadevergoeding is doordat de aanvraag van eiseres is beoordeeld aan de hand van het nieuwe schadekader. Verder heeft Dienst Toeslagen het bedrag voor herstel bepaald voor de periode tot de beschouwing in bezwaar, omdat het primaire besluit van 13 mei 2024 niet is herroepen.
Vertrek naar Suriname
6. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Daartoe heeft eiseres drie gronden aangevoerd. Als eerste grond heeft eiseres aangevoerd dat zij in 2024 is gevlucht naar Suriname, en dat is met name toe te rekenen aan de kinderopvangtoeslagaffaire. Er is ten onrechte niet gekeken naar het standpunt van eiseres. Doordat sprake is van causaal verband tussen de kinderopvangtoeslag problematiek en de reis naar Suriname, moeten de volgende posten tot een hogere vergoeding leiden: vervangende opvangkosten 2014, reiskosten, inkomensschade en immateriële schade.
7. Dienst Toeslagen heeft in reactie op deze beroepsgrond aangegeven dat eiseres zelf heeft verklaard dat zij is gevlucht omdat het WSNP-traject is beëindigd. Uit de stukken van de bewindvoerder blijkt volgens Dienst Toeslagen ook dat de vorderingen van de kinderopvangtoeslag geen rol hebben gespeeld bij de beslissing om het WSNP-traject te starten of dit vroegtijdig te beëindigen.
Toetsingskader
8. In artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), is bepaald dat Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toekent aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid tot en met zevende lid van de Wht is toegekend.
9. De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt, heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dienst Toeslagen dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [3]
Oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de reden voor haar vertrek naar Suriname in 2014 mede gelegen is in de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij tot dit oordeel komt.
11. In het eerste verslag van bewindvoering WSNP van 11 januari 2013 heeft de bewindvoerder een schuldenlast opgenomen. Een van de schulden was op dat moment een schuld van € 7.758,04 over het jaar 2009, 2010 en 2011 aan [bedrijf] . [bedrijf] was de kinderopvangorganisatie waarvan eiseres gebruik maakte van een gastouder. Verder noemt de bewindvoerder drie oorzaken voor de opgelopen schulden. Een daarvan is de kinderopvangtoeslag. Daarover heeft de bewindvoerder opgenomen:

Schuldenares heeft voor de kinderopvang gebruik gemaakt van een gastouder. Schuldenares ontving van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag, welke zij, volgens haar verklaring, heeft voldaan aan de gastouder. Hiervan heeft schuldenares echter geen bevestiging. De gastouder heeft van de ontvangen bedragen nimmer een kwitantie afgegeven. Omdat schuldenares niet kon aantonen dat zij de bedragen die zij van de Belastingdienst ontving ook daadwerkelijk aan kinderopvang had besteed, werden de uitgekeerde bedragen teruggevorderd. Dit resulteerde er in dat schuldenares geen kinderopvangtoeslag meer kreeg (deze werd verrekend), maar dat zij wel kosten had voor de kinderopvang. In totaal staat er voor een bedrag van circa € 10.336,- aan vorderingen betreffende de kinderopvang open.”
12. Hoewel strikt genomen Dienst Toeslagen niet is opgenomen als schuldeiser bij de schuldenlast, volgt hieruit dat een deel van de schuld die eiseres had op het moment dat zij in het WSNP-traject is opgenomen, te maken heeft gehad met de kinderopvangtoeslag. Doordat verrekening plaatsvond, ontving eiseres niet de toeslag waar zij wel recht op had. Het ontbrak eiseres daardoor aan de middelen om aan haar verplichtingen te voldoen. Het WSNP-traject is op 26 februari 2014 stopgezet en bij uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2014 geëindigd omdat sprake was van nieuwe schulden en eiseres niet aan verplichtingen had voldaan.
13. Uit het dossier en hetgeen op de zitting is besproken blijkt dat nadat het WSNP-traject is geëindigd, eiseres door Dienst Toeslagen in juni 2014 is aangemaand. In augustus 2014 is door Dienst Toeslagen een dwangbevel gestuurd naar eiseres. Vervolgens is op 21 augustus 2014 de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 op nihil gezet en kreeg eiseres te horen dat zij € 9.518,- aan kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 moest terugbetalen. In september 2014 vond een eerste dwangverrekening plaats. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de andere schuldeisers die waren betrokken bij het WSNP-traject nog geen actie hadden ondernomen richting eiseres. Eiseres is ook niet direct na het einde van het WSNP-traject naar Suriname vertrokken, maar pas een half jaar later, nadat Dienst Toeslagen een dwangbevel zond en dwangverrekening toepaste. Ook is toegelicht dat, hoewel de schuld bij de Dienst Toeslagen lager was dan bij de ABN-AMRO, de angst voor Dienst Toeslagen meer aanwezig was. Deze angst vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk. Dienst Toeslagen had in 2010 ook al de kinderopvangtoeslag van eiseres verrekend met andere toeslagen die eiseres nodig had voor haar levensonderhoud. Ter zitting is gebleken dat eiseres uiteindelijk in oktober 2014 is vertrokken naar Suriname.
14. De rechtbank komt tot de conclusie dat voorgaande omstandigheden maken dat het aannemelijk is dat de problemen met de kinderopvangtoeslag een mede oorzaak waren voor het vertrek van eiseres naar Suriname. Dienst Toeslagen heeft dit ten onrechte niet meegenomen bij de berekening van de aanvullende schadevergoeding. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. Dienst Toeslagen zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen waarbij het vertrek naar Suriname wordt betrokken in de berekening.
15. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, worden de twee andere ingediende gronden (over – kortgezegd - proceskosten en vergoeding immateriële schade) niet besproken. Die gronden zal Dienst Toeslagen moeten meenemen in de nieuwe te nemen beslissing op bezwaar. Over de vergoeding van immateriële schade geeft de rechtbank wel mee dat zij de vergoeding zo ziet dat het moment van herstel, het moment is dat het duidelijk is voor de burger hoe hij/zij wordt gecompenseerd. Nu het Schadekader CWS onduidelijk is over het moment dat sprake is van het moment van herstel, moet dat in het voordeel van eiseres worden uitgelegd.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep van eiseres is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of een mogelijkheid om zelf een beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen. Dit omdat Dienst Toeslagen een nieuwe berekening zal moeten maken van de aanvullende schadevergoeding.
17. De rechtbank bepaalt dat Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft Dienst Toeslagen hier zes weken de tijd voor.
18. Omdat het beroep gegrond is moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 november 2025;
- draagt Dienst Toeslagen op binnen zes weken na dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het schuldsaneringstraject op basis van de Wet schuldsanering natuurlijke personen.
2.De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade (Schadekader CWS).
3.Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.