ECLI:NL:RBMNE:2026:4263

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 april 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 6:22 AwbArt. 18 Nadere regels Parkeervergunningen 2025 HilversumArtikel 9, tweede lid, Parkeerverordening Hilversum 2025
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bedrijfsvergunning parkeren in centrum Hilversum bevestigd ondanks onzorgvuldigheden

Eiseres, een startende ondernemer met een eenmanszaak in Hilversum, vroeg een bedrijfsparkeervergunning aan die door het college van burgemeester en wethouders werd afgewezen op grond van de Parkeerverordening Hilversum 2025 en de nadere regels. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat het bedrijf gevestigd is in een vergunningsgebied waar geen bedrijfsvergunningen worden verleend vanwege aanwezige eigen parkeerplaatsen.

Eiseres voerde aan dat het college haar toezeggingen had gedaan waaruit zij mocht afleiden dat de vergunning zou worden verleend en dat er bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van de regels rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat de communicatie van de gemeente onzorgvuldig was en onjuiste informatie bevatte, maar dat dit niet neerkwam op een toezegging die het vertrouwensbeginsel schond.

Verder stelde de rechtbank vast dat de grenzen van het vergunningsgebied niet ter toetsing stonden en dat het college terecht vasthield aan de nadere regels. De door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals de ligging op de grens van twee vergunningsgebieden en de hoge kosten van alternatieve parkeermogelijkheden, waren onvoldoende om af te wijken van het beleid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand bleef. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht bleef voor haar rekening.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een bedrijfsparkeervergunning wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college,
(gemachtigde: B. Kurnaz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bedrijfsvergunning voor het parkeren van haar auto. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag voor een bedrijfsvergunning heeft kunnen afwijzen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft eind december 2024 een aanvraag ingediend voor een eerste bedrijfsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2025 afgewezen, omdat er bij het adres waarop het bedrijf van eiseres staat ingeschreven in elk geval twee parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn. Op 9 april 2025 heeft eiseres een tweede aanvraag ingediend voor een bedrijfsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 april 2025 afgewezen, omdat het adres waarop het bedrijf van eiseres staat ingeschreven niet ligt binnen een vergunningsgebied van de gemeente Hilversum. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op de bezwaren van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De omvang van het geding
3. Eiseres is met haar eenmanszaak [bedrijf] gevestigd aan de [adres] in [plaats] . Zij woont zelf niet in Hilversum. Eiseres heeft een parkeervergunning aangevraagd, omdat zij voor haar werk afhankelijk is van haar auto.
4. In de Parkeerverordening Hilversum 2025 (hierna: de Parkeerverordening) staat aan wie een vergunning kan worden verleend. In de Parkeerverordening is ook geregeld dat het college regels kan stellen voor onder meer het verlenen van parkeervergunningen. [1] Dat heeft het college gedaan met de 1e Wijziging Nadere Regels Parkeervergunningen 2025 Hilversum (hierna: de nadere regels). Dit zijn beleidsregels.
5. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het adres waarop het bedrijf van eiseres is gevestigd is gelegen in
Centrum zone 1. Volgens het college komt eiseres daarom op grond van artikel 18, eerste lid, van de nadere regels niet in aanmerking voor een bedrijfsvergunning.
6. De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van artikel 18 van Pro de nadere regels terecht heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een bedrijfsvergunning. De rechtbank leidt uit de stratentabel die hoort bij het Aanwijzingsbesluit Parkeren 2025 Hilversum [2] af dat het adres van eiseres is gelegen in het vergunningsgebied
Centrumen het parkeergebied
Centrum.Artikel 18, eerste lid, van de nadere regels brengt met zich dat geen bedrijfsvergunningen worden verleend in
Centrum zone 1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het bedrijf van eiseres is gevestigd binnen deze zone en dat ook niet in geschil is dat eiseres niet aan de voorwaarden uit het tweede lid van artikel 18 voldoet Pro. Eiseres vindt vooral dat het college haar toezeggingen heeft gedaan waar zij uit kon afleiden dat de vergunning zou worden verleend en dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van de regels in haar geval tot onevenredige gevolgen leidt.
Heeft het college het vertrouwensbeginsel geschonden?
7. Eiseres voert aan dat het college toezeggingen heeft gedaan waaruit zij kon afleiden dat de vergunning zou worden verleend. Eiseres wijst op de reeks communicatie met de ambtenaar van de gemeente in de periode van 24 januari 2025 tot en met 6 juni 2025. Eiseres stelt dat bij haar het vertrouwen is gewekt dat zij wel degelijk in aanmerking zou komen voor een vergunning. Na de afwijzing van de eerste aanvraag kreeg zij de mogelijkheid om een zogenoemde “vol-verklaring” [3] te overleggen wat eiseres heeft gedaan. Vervolgens diende eiseres een nieuwe vergunning aan te vragen, waarna de aanvraag opnieuw werd afgewezen op een andere grondslag. Na een e-mailswisseling met de juridisch adviseur parkeren van de gemeente werd haar pas op 27 mei 2025 duidelijk om welke reden de vergunning niet zou worden verleend. Eiseres vindt dat het college deze strijd met het vertrouwensbeginsel niet met artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan herstellen.
8. De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak [4] bij een beroep op het vertrouwensbeginsel eerst de vraag moet worden beantwoord of de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zicht beroept kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuursorgaan over de manier waarop een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Om een toezegging aan te nemen, dient de uitlating en/of gedraging in ieder geval toegesneden te zijn op de concrete situatie. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens anderen zijn niet aan te merken als een toezegging. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
9. Uit de e-mails van de juridisch adviseur parkeren (hierna: de ambtenaar van de gemeente) aan eiseres blijkt het volgende:
E-mail van 8 mei 2025:
[…] Tot aan de nieuwe aanvraag was ik op de hoogte van de gang van zaken. Vervolgens is uw nieuwe aanvraag afgewezen, omdat u niet ingeschreven zou staan binnen een vergunningsgebied. Zoals u zelf heeft aangegeven en ook ik zelf heb gecontroleerd, is uw bedrijf wel gevestigd binnen het vergunningsgebied. Dus ik ga zelf contact opnemen met Parkeerservice om dit recht te zetten. […]
E-mail van 9 mei 2025:
[…]De heer [A] had eerder al aangegeven dat het een en ander gewijzigd moest worden in ons systeem, zodat er een parkeervergunning verstrekt kan worden. Gezien het aantal bedrijven en de parkeerplaatsen op eigen terrein, zou in principe voor het adres [adres] , in totaal één parkeervergunning verstrekt kunnen worden. Van Parkeerservice heb ik begrepen dat een ander bedrijf, ook gevestigd op uw adres, deze
parkeervergunning al heeft ontvangen. Het is niet mogelijk om een tweede parkeervergunning aan te vragen gezien de som tussen het aantal bedrijven en parkeerplaatsen op eigen terrein. […] Gelet hierop wijzen wij uw verzoek af en zijn wij voornemens om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
E-mail van 23 mei 2025:
[…] Wij hebben eerder contact gehad met de beheerder van het pand waarin u bent
gevestigd en hij gaf aan dat er maar vijf bedrijven gevestigd waren op dit adres. Ons
oordeel over het maximumaantal te verlenen vergunningen en de verdeling van
deze vergunningen was daarop gebaseerd. In de bijlage van uw vorige mail en wat ik
nu zelf heb kunnen vinden in het handelsregister is dat er 25 bedrijven zijn gevestigd
op dit adres. Ik ga dit controleren. Als dit aantal correct is, dan is het inderdaad
mogelijk om meer vergunningen te verlenen. […]
E-mail van 27 mei 2025:
Er is een belangrijk onderdeel over het hoofd gezien in de beoordeling van uw situatie. Het adres waar uw bedrijf gevestigd is, valt onder zone Centrum. In dit gebied kennen wij geen aparte regeling voor bedrijfsverzamelgebouwen, zoals in de gebieden buiten het centrum. […] Voor het verlenen van bedrijfsvergunningen is artikel 18 van Pro de Nadere regels parkeervergunningen 2025 Hilversum van toepassing. Dit artikel regelt dat er per adres in het centrum één bedrijfsvergunning wordt verleend, mits er geen sprake is van eigen parkeergelegenheid. Nu er op uw adres sprake is van eigen parkeergelegenheid, kunnen wij u geen bedrijfsvergunning verlenen. […]
10. De rechtbank stelt vast dat de voorgaande e-mailwisseling blijk geeft van verschillende onjuistheden. De ambtenaar van de gemeente had in het contact met eiseres de feiten niet op orde, heeft het juridisch kader niet altijd juist weergegeven en is daar richting eiseres ook niet duidelijk in geweest. De ambtenaar van de gemeente koppelt de mogelijkheden voor eiseres om al dan niet een bedrijfsvergunning verleend te krijgen telkens aan andere feiten; eerst zou de aanvraag onjuist zijn afgewezen omdat het adres van het bedrijf van eiseres toch wel zou zijn gevestigd binnen het vergunningsgebied, vervolgens zou het niet mogelijk zijn om een tweede bedrijfsvergunning te verlenen gelet op het aantal andere bedrijven op hetzelfde adres als het bedrijf van eiseres en het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein en omdat er al één parkeervergunning is verleend op dit adres. Pas in het bestreden besluit wordt duidelijk dat deze laatste informatie ook niet relevant blijkt te zijn, en wordt in de e-mail van 27 mei 2025 toegelicht waarom dit niet relevant is.
10. De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken uiterst onzorgvuldig is en dat het begrijpelijk is dat bij eiseres een (naar later blijkt onjuiste) indruk is ontstaan over welke omstandigheden voor het kunnen verkrijgen van een vergunning van belang zijn. Maar de rechtbank vindt ook dat uit deze e-mails geen welbewuste standpuntbepaling van het college kan worden afgeleid dat – uitgaande van die verkeerde voorstelling van zaken – aan eiseres daadwerkelijk een bedrijfsvergunning zal worden verleend. Hoewel bijvoorbeeld niet juist blijkt te zijn dat op de [adres] één parkeervergunning kan worden verstrekt en dat deze al verleend is, kan niet worden gezegd dat dit een toezegging is dat als er geen parkeervergunning verleend bleek te zijn voor dit adres, dat de vergunning dan aan zal worden verstrekt. De e-mail van 23 mei 2025 bevat ook een onjuiste veronderstelling, namelijk dat als er meer dan 25 bedrijven in het pand gevestigd zijn er ook meer vergunningen verleend kunnen worden. Maar ook deze mail bevat geen toezegging dat eiseres dan een van deze vermeende vergunningen zal krijgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat, ondanks de onzorgvuldige gang van zaken, geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.
12. Voor zover eiseres heeft gewezen op de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb in dit kader, berust dat op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. In het besluit is er op gewezen dat de afwijzing in de primaire besluiten was gebaseerd op onjuiste grondslagen. De grondslag voor de afwijzing is in het bestreden besluit aangepast en daarbij is verwezen naar artikel 6:22 van Pro de Awb. Van een herstel van strijd met het vertrouwensbeginsel op grond van dit artikel is dan ook geen sprake geweest.
Slaagt het beroep op artikel 4:84 van Pro de Awb?
13. Eiseres stelt dat het college gelet op de bijzondere omstandigheden in haar geval had moeten afwijken van de nadere regels. Eiseres stelt dat de weigering van de vergunning negatieve gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering. Zij is een startend ondernemer en moet dagelijks betalen voor de parkeerkosten omdat zij haar auto regelmatig nodig heeft. Het alternatief, een algemene parkeervergunning die € 1.850,- per jaar kost, is voor haar te duur. Verder stelt eiseres dat in het gebied waar het adres van haar kantoor is gelegen geen parkeerdruk bestaat. Bovendien bevindt het kantoor van eiseres zich op de grens van twee vergunningsgebieden en is de grenslijn volgens eiseres willekeurig getrokken. Dit maakt dat de met het beleid te dienen doelen niet worden gediend met de weigering van de vergunningsaanvraag. Ook is eiseres bereid om in het naastgelegen
Raadhuisgebied te parkeren als haar een vergunning wordt verleend.
14. De rechtbank oordeelt als volgt. Het college moet overeenkomstig de nadere regels handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de nadere regels te dienen doelen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van deze uitzondering.
14.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vergunningsgebieden en parkeergebieden – en daarmee ook de grenzen daarvan – met het Aanwijzingsbesluit Parkeren 2025 Hilversum zijn aangewezen. Dat besluit ligt hier niet ter toetsing voor. De rechtbank vindt het verder aannemelijk dat er in de gemeente Hilversum meer mensen zijn die op de grens van twee gebieden woonachtig zijn of werken en dus met de verschillende regels voor de verschillende gebieden te maken hebben. Het college heeft in dat kader op de zitting toegelicht dat als het college in afwijking van de nadere regels een vergunning verleent, enkel vanwege het feit dat iemand aan de overkant van de grens kan parkeren, het college dan ook in andere grensgevallen een vergunning zal moeten verlenen. Dat heeft als gevolg dat het parkeerbeleid geen nut meer heeft. Ook wijst het college er op dat het
Centrumgebied een beperkt aantal parkeerplaatsen op straat beschikbaar heeft en de parkeerdruk hoog is. Dat het adres op de grens ligt en in een deel van het
Centrumgebied waar de parkeerdruk mogelijk minder hoog is, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid hoeven vinden die maakt dat van de nadere regels moet worden afgeweken.
14.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het feit dat eiseres haar auto regelmatig nodig heeft voor haar werk niet dusdanig zwaarwegend is dat het college hierin aanleiding had moeten zien om af te wijken van de nadere regels. Dat de alternatieven zoals een algemene parkeervergunning of bijvoorbeeld een abonnement in een parkeergarage hogere kosten met zich brengt, betekent niet dat het college om die reden alsnog een vergunning had moeten verlenen. Niet is gebleken dat eiseres deze kosten niet kan dragen. Ook heeft het college in de bereidheid van eiseres om in een aangrenzend gebied te parkeren geen aanleiding hoeven zien om een uitzondering te maken. Het college heeft op de zitting toegelicht dat een dergelijke individuele afspraak niet kan worden gehandhaafd, omdat het systeem van de scanauto deze individuele parkeerafspraken niet kan controleren.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om een bedrijfsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
de griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
de griffier
de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 9, tweede lid, van de Parkeerverordening.
2.Bijlage 2: Stratentabel Betaald en Vergunningparkeren.
3.Verklaring geen eigen parkeerplaats.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 rechtsoverwegingen 11 en 11.2.