In deze kortgedingprocedure vordert eiser nakoming van een samenwerkingsovereenkomst die door gedaagde sub 1 tussentijds is opgezegd. De samenwerking betrof het opleiden en begeleiden van franchisenemers binnen een franchiseconstructie, met een looptijd tot 30 september 2027.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering vanwege het inkomensverlies en de rol als commercieel fundament van de samenwerking. Echter, de vordering wordt afgewezen omdat de aard van de samenwerkingsovereenkomst onvoldoende duidelijk is, waardoor niet vaststaat dat tussentijdse opzegging niet was toegestaan. Daarnaast is de overeenkomst niet geschikt voor herstel in kort geding vanwege onduidelijke verplichtingen en het fundamentele meningsverschil tussen partijen.
Het belang van gedaagde sub 1 bij handhaving van de opzegging weegt zwaarder, omdat voortzetting van de samenwerking kan leiden tot conflicten en bedrijfsrisico's binnen de franchise. Wel wordt gedaagde sub 1 veroordeeld om binnen veertien dagen inzicht te geven in de winstberekening over de periode 1 januari tot 7 november 2025. De overige vorderingen, waaronder een dwangsom en inzage in winstberekening 2024, worden afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.