ECLI:NL:RBMNE:2026:425

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/16/602578 / KG ZA 25-573
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot nakoming samenwerkingsovereenkomst na tussentijdse opzegging

In deze kortgedingprocedure vordert eiser nakoming van een samenwerkingsovereenkomst die door gedaagde sub 1 tussentijds is opgezegd. De samenwerking betrof het opleiden en begeleiden van franchisenemers binnen een franchiseconstructie, met een looptijd tot 30 september 2027.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering vanwege het inkomensverlies en de rol als commercieel fundament van de samenwerking. Echter, de vordering wordt afgewezen omdat de aard van de samenwerkingsovereenkomst onvoldoende duidelijk is, waardoor niet vaststaat dat tussentijdse opzegging niet was toegestaan. Daarnaast is de overeenkomst niet geschikt voor herstel in kort geding vanwege onduidelijke verplichtingen en het fundamentele meningsverschil tussen partijen.

Het belang van gedaagde sub 1 bij handhaving van de opzegging weegt zwaarder, omdat voortzetting van de samenwerking kan leiden tot conflicten en bedrijfsrisico's binnen de franchise. Wel wordt gedaagde sub 1 veroordeeld om binnen veertien dagen inzicht te geven in de winstberekening over de periode 1 januari tot 7 november 2025. De overige vorderingen, waaronder een dwangsom en inzage in winstberekening 2024, worden afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst wordt afgewezen, met een veroordeling tot verstrekking van winstgegevens en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602578 / KG ZA 25-573
Vonnis in kort geding van 27 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.W. Dolphijn,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat: mr. J. Meerman

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en producties 1 tot en met 39,
- de door [gedaagde sub 1] overgelegde akte met producties 1 tot en met 3,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde sub 1] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 13 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 27 januari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.Achtergrond

2.1.
[eiser] en [gedaagde sub 1] zijn fotografen. [gedaagde sub 1] heeft zich gespecialiseerd in het fotograferen voor makelaars. Vanaf 2017 zijn [eiser] en [gedaagde sub 1] gaan samenwerken. Eerst op freelance basis en vanaf 5 december 2019 op basis van een franchiseovereenkomst, waarbij [eiser] franchisenemer is en [gedaagde sub 1] franchisegever. Tot 16 december 2020 handelde [gedaagde sub 1] als eenmanszaak, daarna als [gedaagde sub 2] BV.
2.2.
Op 1 oktober 2022 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor het opleiden en begeleiden van franchisenemers. Dit bedrijfsonderdeel hebben zij de [naam] genoemd. De samenwerkingsovereenkomst heeft als einddatum 30 september 2027.

3.De kern van de zaak

[gedaagde sub 1] heeft de samenwerkingsovereenkomst met [eiser] op 7 november 2025, dus voor de overeengekomen einddatum, opgezegd. Volgens [eiser] is die opzegging niet rechtsgeldig. Hij vordert daarom nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. Die vordering wordt afgewezen.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
[eiser] heeft aangevoerd dat [naam] schade lijdt door de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst, omdat hij het commerciële fundament daarvan is. Bovendien mist hij door de opzegging een significante inkomstenbron. Hiermee heeft [eiser] voldoende aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.
De vordering tot nakoming wordt afgewezen
4.3.
De vordering tot nakoming houdt in dat de samenwerking tussen partijen wat betreft [naam] wordt hervat. Er zijn drie redenen op grond waarvan deze vordering wordt afgewezen. Die redenen worden hieronder besproken.
1. De aard van de samenwerkingsovereenkomst is onduidelijk
4.4.
Het is onduidelijk hoe de samenwerkingsovereenkomst precies gekwalificeerd moet worden. Deze kwalificatie is van belang voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde sub 1] tussentijds mocht opzeggen. Is het een overeenkomst van opdracht dan mocht [gedaagde sub 1] opzeggen. Bij andere kwalificaties of als er sprake is van een onbenoemde overeenkomst dan is het nog maar de vraag of hij mocht opzeggen. Hoe de samenwerkingsovereenkomst gekwalificeerd moet worden, is afhankelijk van nader onderzoek en nadere uitwerking door partijen van hun standpunten en de juridische kwalificatie daarvan. Het is in deze procedure onvoldoende vast komen te staan dat er sprake is van een andere overeenkomst dan een overeenkomst van opdracht en wel een overeenkomst die [gedaagde sub 1] niet mocht opzeggen.
4.5.
Als [gedaagde sub 1] niet mocht opzeggen is het bovendien nog maar de vraag of dat dan moet leiden tot herstel van de samenwerking of tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] voor schade die [eiser] lijdt als gevolg van de opzegging.
2. De samenwerkingsovereenkomst leent zich niet voor herstel
4.6.
De samenwerkingsovereenkomst leent zich niet voor herstel in het kader van een kort geding, omdat in deze overeenkomst de verplichtingen over en weer niet heel concreet zijn omschreven. De bedoeling van partijen was ook dat de samenwerkingsovereenkomst nog verder zou worden uitgewerkt. Gelet op het meningsverschil tussen partijen, gaat dat niet meer gebeuren. Ook daarom is een voorlopige maatregel tot hervatting van de samenwerking niet de aangewezen weg.
3. Het belang van [gedaagde sub 1] weegt zwaarder
4.7.
Het belang van [gedaagde sub 1] bij handhaving van de opzegging van de samenwerking is dat hij als franchisegever niet steeds wordt geconfronteerd met iemand die zich presenteert als mede franchisegever, terwijl partijen daarover van mening verschillen en onvoldoende gebleken is dat [eiser] ook echt mede franchisegever is. Het belang van [eiser] bij voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst is dat hij daaruit circa € 5000,- winst per maand ontvangt.
4.8.
Het belang van [gedaagde sub 1] bij handhaving van de huidige situatie weegt zwaarder dan het belang van [eiser] bij voorlopig herstel van de samenwerkingsovereenkomst. Voor [eiser] brengt het einde van de samenwerking weliswaar een fors inkomensverlies mee, maar hij heeft nog altijd een goed lopende franchise vestiging in [plaats 1] . Na de vestiging van [gedaagde sub 1] in [plaats 2] is dit de tweede grootste vestiging binnen de franchiseconstructie van [gedaagde sub 2] . [eiser] heeft niet gesteld dat de inkomsten uit deze onderneming onvoldoende zijn om van te leven. Daar staat tegenover dat het fundamentele meningsverschil tussen partijen over de vraag of [eiser] als mede franchisegever heeft te gelden, aan een goede samenwerking in de weg staat. Als [eiser] zich tegen de wens van [gedaagde sub 1] in als mede franchisegever blijft presenteren, zal dat daarnaast kunnen leiden tot tegenstrijdige beslissingen en onduidelijkheid bij de overige franchisenemers. Dit kan de bedrijfsvoering van de franchiseonderneming van [gedaagde sub 1] in gevaar brengen.
[gedaagde sub 1] moet [eiser] inzicht geven in de winstberekening van 2025
4.9.
[eiser] en [gedaagde sub 1] hebben in de samenwerkingsovereenkomst afgesproken dat zij ieder voor 50% delen in de winst die [naam] maakt. [eiser] heeft er daarom belang bij om te kunnen controleren of de winst correct is berekend. Tijdens de zitting heeft [gedaagde sub 1] toegezegd dat hij [eiser] inzicht zal geven in de berekening van de winst van [naam] over de periode van 1 januari 2025 tot 7 november 2025, de datum waarop de samenwerking is opgezegd. [gedaagde sub 1] heeft de kosten die in mindering gebracht worden op de inkomsten van [naam] in een Excelsheet staan. Van deze kosten zal [gedaagde sub 1] een afschrift van de onderliggende facturen aan [eiser] geven. Als er geen facturen zijn, dan zal hij afschriften van andere stukken geven die de kosten onderbouwen.
4.10.
[eiser] is tijdens de zitting akkoord gegaan met deze toezegging van [gedaagde sub 1] , maar wil daarnaast ook nog inzage in de winstberekening van 2024. Dat wijst de voorzieningenrechter af. [eiser] heeft de berekende winst destijds geaccepteerd en heeft onvoldoende aangevoerd om [gedaagde sub 1] te veroordelen ook afgifte van onderliggende stukken van de winstberekening over 2024 te geven. Weliswaar heeft [eiser] ook de winstberekening over de eerste periode van 2025 geaccepteerd, maar de stukken over die periode zijn relevant voor [eiser] om na te kunnen gaan of er na het ontstaan van het conflict tussen partijen iets in de winstberekening is gewijzigd.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen
4.11.
[gedaagde sub 1] heeft toegezegd dat hij de hiervoor onder 4.9 genoemde stukken over de periode van 1 januari tot 7 november 2025 zal verstrekken. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de veroordeling tot het verstrekken van die stukken een dwangsom te verbinden. Alle overige vorderingen van [eiser] zijn afgewezen, zodat er ook verder geen reden is om een dwangsom op te leggen.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde sub 1] betalen
4.12.
[eiser] krijgt in deze procedure grotendeels ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde sub 1] betalen. De proceskosten aan de kant van [gedaagde sub 1] worden begroot op:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddelde zaak)
- nakosten
€ 178,00(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.626,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] een afschrift van de facturen of andere stukken te geven, die de kosten over de periode van 1 januari 2025 tot 7 november 2025 onderbouwen in het Excelsheet dat is gebruikt om de winst te bepalen van [naam] ,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.626,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan die veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, wordt daar € 92,00 bij opgeteld,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.