ECLI:NL:RBMNE:2026:4249

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/16/613598 / KG ZA 26-387
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 6:2 BWArt. 6:248 BWArt. 4.1 SHAArt. 3.4 SHA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter schorst relatiebeding en gebiedt overdracht dossiers bij vertrek partner

Eiseres, een partner van een advocatenkantoor, en gedaagde partijen zijn het eens over haar vertrek uit het kantoor, maar niet over de voorwaarden daarvan. De voorzieningenrechter behandelt een kort geding over diverse vorderingen van eiseres, waaronder het schorsen van relatie- en non-concurrentiebedingen en het afdwingen van overdracht van dossiers en een medewerker.

De rechter wijst het verbod tot beëindiging van de managementovereenkomst af, maar schorst het relatiebeding gedeeltelijk ten aanzien van de medewerker en de klanten/relaties van eiseres. Daarbij wordt een voorschot van €75.000 opgelegd voor de overname van de praktijk. Tevens wordt gedaagden opgedragen medewerking te verlenen aan een ordentelijke overdracht van dossiers en het advocatenarchief, met een dwangsom bij niet-naleving.

De voorzieningenrechter benadrukt de bijzondere onderlinge verhouding tussen partijen als mede-eigenaren en bestuurders, waarbij rekening moet worden gehouden met elkaars gerechtvaardigde belangen en die van medewerkers en cliënten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst gedeeltelijk het relatiebeding en gebiedt overdracht van dossiers onder betaling van een voorschot.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/613598 / KG ZA 26-387
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mrs. M. Verberkmoes-Cota en B.D.W. Martens,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
hierna: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats 3] ,
hierna: [gedaagde sub 2] ,
3.
[gedaagde sub 3] B.V,,
te [plaats 2] ,
hierna: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] B.V. c.s.,
advocaat: mr. L.J.C. Passer.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A. Schriemer als griffier.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 1 juli 2026.
1.2
Op 2 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter partijen verzocht zich kort schriftelijk uit te laten over de uitkomst van de algemene vergadering die op diezelfde dag heeft plaatsgevonden. Partijen hebben dat gedaan. Ook heeft de voorzieningenrechter [eiseres] verzocht een verklaring van mevrouw [A] (hierna: de medewerker) – als zij dat zou willen –te overleggen. Dat is ook gebeurd.
1.3
Op 3 juli 2026 vond het vervolg van de mondelinge behandeling plaats. Daarbij waren aanwezig:
  • de heer [B] , enig bestuurder en aandeelhouder van [eiseres] ;
  • mr. Martens;
  • de heer [C] , enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 1] en indirect bestuurder van [gedaagde sub 3] ;
  • de heer [D] , enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 2] en indirect bestuurder van [gedaagde sub 3] ;
  • mr. J-J.H. Budé (als waarnemer van mr. Passer).
Op deze mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen spreekaantekeningen voorgedragen, deze heeft de rechtbank toegevoegd aan het dossier.
1.4
De mondelinge uitspraak en de motivering daarvan zijn hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de enig aandeelhouders en bestuurders van [gedaagde sub 3] . Partijen zijn het sinds november 2025 met elkaar eens dat [eiseres] zal vertrekken als partner van [gedaagde sub 3] , maar zij zijn het nog niet eens geworden over de vraag onder welke voorwaarden dat zal zijn. Op 1 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter al op een gedeelte van de vorderingen van [eiseres] (vordering I., III. en VI., zie hierna) beslist. Vervolgens is op 2 juli 2026 tijdens een algemene vergadering van de aandeelhouders van [gedaagde sub 3] besloten [eiseres] te ontslaan als bestuurder. Voor de volledigheid is een overzicht van alle vorderingen van [eiseres] in een bijlage bij dit proces-verbaal opgenomen. Op vorderingen II., IV., V. en VII. heeft de voorzieningenrechter vandaag beslist.

3.De beoordeling

Vordering II (verbod beëindigen managementovereenkomst) wordt afgewezen
3.1
Vordering II (kort gezegd: het verbod tot het beëindigen van de managementovereenkomst) wordt afgewezen.
Vordering IV en V
Het toetsingskader
3.2
Het grootste deel van de discussie vandaag is gegaan over het relatie- en non-concurrentiebeding in artikel 4 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst (de SHA). Het uitgangspunt van dat artikel is overzichtelijk: als je weggaat, neem je geen dossiers, cliënten of medewerkers mee.
3.3
Als je daarvan uitgaat:
  • heeft [eiseres] geen poot om op te staan bij haar vordering IV en V, en
  • is inderdaad de enige optie om wél dossiers, cliënten en een medewerker mee te nemen dat daarmee wordt ingestemd door de andere aandeelhouders, en
  • kunnen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dus zeggen: je mag van mij geen dossiers, cliënten en een medewerker meenemen zolang we geen integrale oplossing voor het gehele geschil hebben die mij bevalt.
3.4
De advocaten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een vergelijking gemaakt met mensen die praten over de prijs van een stuk kaas, en nu weer over een auto. Die vergelijking snijdt geen hout. Uw onderlinge verhouding is namelijk een fundamenteel andere dan die van willekeurige personen die ergens over onderhandelen en het dan wel of niet eens worden. U heeft van alles met elkaar te maken. U bent medeaandeelhouders van [gedaagde sub 3] en u bent verschillende overeenkomsten met elkaar aangegaan: de aandeelhoudersovereenkomst en de managementovereenkomst. Daarom moet u over en weer rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Op grond van artikel 2:8 BW Pro, maar ook op grond van artikel 6:2 en Pro 6:248 BW. En daar komt bij, niet strikt juridisch maar meer moreel, dat u met zijn drieën mede-eigenaars bent van een kantoor met medewerkers en cliënten. Daar moet u met z’n drieën goed voor zorgen. En dat betekent dat u de belangen van die medewerkers en cliënten soms boven uw eigen belangen moet laten prevaleren.
3.5
En al die omstandigheden maken dat ik met heel veel meer nuance kan kijken naar de vorderingen van [B] om de bedingen op te schorten dan je op het eerste gezicht zou denken. En daarom kan het zo zijn dat ik [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet volg in hun positie dat er niets gaat gebeuren met betrekking tot overgang van cliënten voordat er een integrale oplossing is die geheel naar hun tevredenheid is.
3.6
Voor het treffen van een ordemaatregel waarbij artikel 4 SHA Pro (tijdelijk) buiten werking wordt gesteld, hoeft geen sprake te zijn van misbruik van recht. Het is voldoende dat ik constateer dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich tegen de achtergrond van de onderlinge verhouding niet redelijk opstellen. En bij de vraag of ik een ordemaatregel tref, kan ik rekening houden met allerlei belangen: die van [B] / [eiseres] , [C] / [gedaagde sub 1] , [D] / [gedaagde sub 2] , en die van [gedaagde sub 3] , maar zeker ook die van de medewerker en de cliënten. Tot zover het toetsingskader.
Het klanten-/relatiebeding (artikel 4.1 iii. SHA) wordt geschorst
3.7
Dit artikel is bedoeld om [gedaagde sub 3] te beschermen tegen partners die aan de haal gaan met klanten van kantoor en daarmee het verdienpotentieel ondermijnen.
3.8
Het is echter de vraag of je redelijkerwijze nog een beroep kan doen op dit artikel
als al sinds november 2025 partijen voor ogen staat dat ze uit elkaar gaan en [B] zijn praktijk meeneemt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben nooit onherroepelijk toegezegd dat hij dat mag en hebben nergens afstand van gedaan, maar het is wel steeds het uitgangspunt geweest dat [B] / [eiseres] weggaat bij kantoor en zijn praktijk meeneemt. Maar u bent al zeven maanden met elkaar aan het onderhandelen en een integrale oplossing is er nog steeds niet. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben [B] gisteren ontslagen. Het moment is er dus nu dat [B] vertrekt, en het ligt alleszins voor de hand dat hij dat met zijn praktijk vertrekt.
3.9
Daarbij komt dat het eigenlijk niet realistisch is dat [B] weggaat zonder praktijk. Het zou wel kunnen en hij zal niet per definitie brodeloos worden, maar het is niet realistisch dat je als advocaat-partner met 25 jaar ervaring vertrekt en je dan zonder praktijk ergens anders aansluit. Dus ik denk dat het uitgangspunt is dat iedereen begrijpt dat het gewoon redelijkerwijs niet anders kan dan dat [eiseres] zijn praktijk meeneemt.
3.1
Daarom zie ik goede redenen om de eis van schorsing van dit beding toe te wijzen. Vanaf vandaag.
[eiseres] moet een voorschot betalen voor het overnemen van de praktijk
3.11
Feit is wel dat voor die praktijk moet worden betaald. Daar is ook geen discussie over. Ook is er geen discussie over dat de waarde minimaal € 100.000 is. [gedaagde sub 3] heeft een aantal jaar geleden voor het overnemen van de praktijk van [eiseres] € 112.500 betaald.
[eiseres] stelt echter dat het raar zou zijn als zij nu daarvoor zou moeten betalen, terwijl zij ook verwacht nog een groot bedrag te ontvangen voor haar aandeel in het kantoor.
3.12
Hoe dat zit – worden de aandelen van [eiseres] in [gedaagde sub 3] overgenomen door de andere aandeelhouders of niet, en wat zal dan de prijs zijn – kan ik niet overzien. Daar spelen allerlei discussies over tussen partijen en hoe dat gaat aflopen daar kan in een kort geding niet op vooruit worden gelopen, tenzij het vrij duidelijk is, maar dat is het zeker niet. Dus kan ik met de stelling dat met die waarde rekening moet worden gehouden bij de vraag hoeveel [eiseres] moet betalen voor de mee te nemen praktijk maar in beperkte mate iets doen.
3.13
Ik bepaal dat een voorschot moet worden betaald van € 75.000. Aan de ene kant lijkt het me realistisch dat [eiseres] in de eindafwikkeling nog wel iets tegoed heeft, omdat de aandelen uiteindelijk wel zullen worden overgedragen. Aan de andere kant kan ik daar als gezegd niet te veel op vooruitlopen, en zie ik het belang van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dat het ook een aderlating voor [gedaagde sub 3] is als de praktijk weggaat. Zij moeten daar nu voor gecompenseerd worden: boter bij de vis.
3.14
[eiseres] krijgt twee maanden de tijd om die € 75.000 te betalen.
Het gaat om een voorschot op een bedrag dat minimaal € 100.000 zal zijn. Als u er niet samen uitkomt, dan zult u in een bodemprocedure moeten discussiëren over wat de waarde van de praktijk is, en die waarde zal dan uiteindelijk moeten worden betaald, met aftrek van dit voorschot. Maar ik stel mij voor dat u in een eventuele bodemprocedure nog wel meer vorderingen over en weer zult instellen. Dit zal er slechts één van zijn.
Het relatiebeding ten aanzien van de medewerker (artikel 4.1 ii SHA) wordt geschorst
3.15
Dit artikel is bedoeld om [gedaagde sub 3] te beschermen tegen het wegkapen van medewerkers waarin kantoor veel heeft geïnvesteerd, door kosten te maken voor vooral natuurlijk werving en opleiding.
3.16
Maar ook hier is de vraag of je daar in deze situatie in redelijkheid nog een beroep op kan doen. De medewerker waar het over gaat heeft al maanden geleden besloten weg te willen bij [gedaagde sub 3] . Dat is duidelijk, zie ik ook in haar reactie op mijn verzoek. Zij zit nu ziek thuis en kost kantoor alleen maar geld en levert kantoor niets op. Het belang van de medewerker neem ik hier ook bij mee. Dat maakt dat ik nu bepaal dat zij met [B] mee moet kunnen gaan.
3.17
Daarom onthef ik [eiseres] per vandaag van die verplichting uit de aandeelhoudersovereenkomst.
3.18
Voor de goede orde: daarmee zeg ik niets over de vraag of [B] / [eiseres] die bepaling heeft overtreden, boetes heeft verbeurd en misschien een bad leaver is. Daar kunt u in een bodemprocedure over procederen. En als daarin wordt vastgesteld dat [B] fout zit, dan zullen gedaagden – door een boete of een schadevergoeding of het vaststellen van de koopprijs met de bad leaver-bepaling – naar ik verwacht ruimschoots gecompenseerd worden voor het vertrek van de medewerker, die pas (ruim) een halfjaar werkzaam was bij [gedaagde sub 3] .
[eiseres] heeft geen belang bij het schorsen van het non-concurrentiebeding (artikel 4.1 i SHA)
3.19
De eis het non-concurrentiebeding onder 4.1 (i) SHA te schorsen wijs ik af, bij gebrek aan belang. Onder andere uit het gisteren door de advocaat van [onderneming] B.V. c.s. ingediende bericht blijkt namelijk dat, hoewel [eiseres] nog steeds aandeelhouder is, gedaagden haar sinds het ontslag van gisteren niet meer aan dit beding (willen) houden.
[onderneming] B.V. c.s. moeten meewerken aan een ordentelijke overdracht van de dossiers van [eiseres]
3.2
Deze vordering (vordering V) zal ik grotendeels toewijzen. Dat volgt logischerwijs uit wat ik net heb gezegd over het moeten kunnen vertrekken met praktijk. Ik wijs het toe woordelijk zoals het is geëist, omdat er geen specifiek verweer tegen is gevoerd. Alleen iv. en v. wijs ik niet toe, want daartegen is het verweer gevoerd dat het te vaag is en dat zie ik ook. Voor iv. geldt dat niet duidelijk is wat kantoor daaraan moet doen. Als de medewerker wil overstappen, dan moet ze kunnen overstappen. Ook v. is te vaag geformuleerd.
3.21
Deze vordering wordt ook toegewezen onder dezelfde voorwaarde als vordering IV. Dus [eiseres] moet uiterlijk 31 augustus 2026 een voorschot van € 75.000 aan [gedaagde sub 3] betalen.
Praktische opmerkingen
3.22
Ter voorkoming van onduidelijkheid of verdere geschillen maak ik nog een paar praktische opmerkingen:
  • Onder het begrip ‘dossiers’ in vordering V versta ik: alle lopende dossier waar [B] behandelend advocaat is of waar hij accountmanager van is en de medewerker de behandelend advocaat is.
  • Onder het begrip ‘advocatenarchief’ in vordering V. versta ik: hetzelfde als onder het begrip ‘dossiers’, maar dan dus dossiers uit het verleden.
  • Het begrip ‘klanten/relaties van [eiseres] ’ in vordering IV: is breder dan ‘dossiers’ en is een punt dat reden kan geven tot discussie. Daar kan ik uiteindelijk niet zoveel aan doen. Ik denk dat u uiteindelijk met elkaar voor het leeuwendeel van de klanten en relaties prima weet hoe het zit. Dus of het een klant/relatie van [eiseres] is of niet. Bijvoorbeeld omdat er een lijst is opgesteld waarop een akkoord is gegeven, ook al is die lijst tijdens de mediation opgesteld. Maar ik krijg de indruk dat dit op grote lijnen wel duidelijk voor u is. Ik kan echter niet voorkomen dat er discussie over ontstaat. Het komt er dan vooral op neer dat [eiseres] voorzichtig moet zijn, want ik onthef [eiseres] alleen van die verplichting voor zover het gaat om klanten/relaties van [eiseres] . Dus als [eiseres] een kantoorcliënt benadert die geen cliënt is van [eiseres] / [B] , dan kunnen gedaagden zeggen dat zij daarmee een boete verbeurt, die cliënten vallen immers niet onder de ontheffing. Dat [eiseres] dat zal willen voorkomen is denk ik wel een goede prikkel om gedoe te voorkomen.
  • Er is niets gevorderd dat ziet op de vraag wat er in juli en augustus moet gebeuren met de lopende dossiers. Ik heb daar dus ook niets over geoordeeld. Maar ik denk op basis van wat ik nu heb gehoord dat dat wel goedkomt. Partijen moeten een tussenoplossing treffen voor die twee maanden voor dossiers waaraan [B] werkt. [B] moet die klanten in die periode bedienen. Er moet ook iets worden afgesproken over de financiële afwikkeling daarvan, nu de managementovereenkomst is weggevallen. Maar dat zal wel lukken. En als er discussie over is, bedenk dan goed dat de belangen van cliënten voorop moeten worden gesteld.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.23
Partijen zijn allebei over en weer in ongelijk gesteld. Vandaag zijn namelijk de meeste vorderingen die over zijn toegewezen, maar één niet, en woensdag zijn een aantal vorderingen afgewezen. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.24
De beslissing wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1
schorst het beding ex artikel 4.1 (ii) SHA gedeeltelijk, te weten alleen ten aanzien van de medewerker, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld over de vordering tot schorsing;
4.2
schorst het relatiebeding ex artikel 4.1 (iii) SHA gedeeltelijk, te weten alleen ten aanzien van de klanten/relaties van [eiseres] , totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld over de vordering tot schorsing, onder de voorwaarde dat [eiseres] uiterlijk 31 augustus 2026 een voorschot van € 75.000 betaalt aan [gedaagde sub 3] ;
4.3
gebiedt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , onder dezelfde voorwaarde als onder 4.2 (dat [eiseres] uiterlijk 31 augustus 2026 een voorschot van € 75.000 betaalt aan [gedaagde sub 3] ), hun medewerking te verlenen aan een ordelijke overdracht van de dossiers en het advocatenarchief van [B] / [eiseres] en de medewerker aan [eiseres] , dan wel een door haar aan te wijzen advocatenkantoor, waarbij de overdracht op 1 september 2026 afgerond dient te zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000, vermeerderd met een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag na 1 september 2026 dat de overdacht niet is afgerond en enige van de hierna te noemen handelingen niet is uitgevoerd, voor ieder hoofdelijk, waarbij de gevorderde medewerking bestaat uit de navolgende handelingen:
  • uitvoeren van een volledige digitale export van de dossiers van de klanten/relaties en de dossiers die in het verleden door [B] zijn behandeld;
  • uitvoeren van een export uit het CRM systeem BaseNet met betrekking tot die dossiers, inclusief correspondentie, processtukken, contracten, termijnen, opdracht-bevestigingen, uren, declaratiehistorie en cliëntgegevens;
  • verlenen van machtiging aan [B] / [eiseres] om cliënten over het vertrek/overstap van [B] / [eiseres] te informeren;
  • benoemen van een contactpersoon binnen [gedaagde sub 3] waarmee [B] / [eiseres] contact kan onderhouden gedurende het proces van de overdracht van de praktijk over de overdracht van de praktijk;
  • instellen in het [gedaagde sub 3] e-mailaccount van [B] dat alle op dat account ontvangen e-mails gedurende een jaar na overdracht van de praktijk automatisch worden doorgestuurd naar een door [B] / [eiseres] aan te wijzen e-mailadres.
4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.
Bijlage: de vorderingen van [eiseres]
vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verbiedt om de AV op 2 juli 2026 te houden, althans op die AV te besluiten tot ontslag of schorsing van [eiseres] , althans verdere uitvoering te geven aan een dergelijk besluit, en ook geen andere AV van [gedaagde sub 3] bijeen te roepen waarop het ontslag of schorsing van [eiseres] op de agenda staat, zolang de praktijk van [eiseres] niet overgedragen is aan [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000 per verboden handeling, voor ieder hoofdelijk;
II. voor zover Vordering I niet wordt toegewezen, [gedaagde sub 3] verbiedt om de MOVK te beëindigen, zolang de praktijk van [eiseres] niet overgedragen is aan [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000, en [gedaagde sub 3] gebiedt de management fee van [eiseres] te blijven doorbetalen totdat de praktijk van [eiseres] overgedragen is aan [eiseres] , althans op zijn minst gedurende een opzegtermijn van drie maanden;
III. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verbiedt [eiseres] als bad leaver in de zin van artikel 3.4 van de SHA aan te merken, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld dat aan de vereisten van artikel 3.4 SHA is voldaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000, voor ieder hoofdelijk;
IV. het non-concurrentiebeding ex artikel 4.1(I) van de SHA volledig schorst, het relatiebeding ex artikel 4(II) SHA gedeeltelijk schorst, te weten alleen ten aanzien van de Medewerker, en het relatiebeding ex artikel 4(III) SHA gedeeltelijk schorst, te weten alleen ten aanzien van de klanten/relaties van [eiseres] , totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld over de vordering tot schorsing;
V. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gebiedt hun medewerking te verlenen aan een ordelijke overdracht van de dossiers en het advocatenarchief van [B] / [eiseres] en de Medewerker aan [eiseres] , dan wel een door haar aan te wijzen advocatenkantoor, waarbij de overdracht op 1 september 2026 afgerond dient te zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000, vermeerderd met een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag na 1 september 2026 dat de overdacht niet is afgerond en enige van de hierna te noemen handelingen niet is uitgevoerd, voor ieder hoofdelijk, waarbij de gevorderde medewerking bestaat uit de navolgende handelingen:
(I) uitvoeren van een volledige digitale export van de dossiers van de klanten/relaties en de dossiers die in het verleden door [B] zijn behandeld;
(II) uitvoeren van een export uit het CRM systeem BaseNet met betrekking tot de onder (I) genoemde dossiers, inclusief correspondentie, processtukken, contracten, termijnen, opdracht-bevestigingen, uren, declaratiehistorie en cliëntgegevens;
(III) verlenen van machtiging aan [B] / [eiseres] om cliënten over het vertrek/overstap van [B] / [eiseres] te informeren;
(IV) verlenen van medewerking aan een overstap van de Medewerker naar [eiseres] , dan wel een door haar aan te wijzen advocatenkantoor;
(V) zich onthouden van het frustreren van de vrije advocaatkeuze van de klanten/relaties van [eiseres] of [gedaagde sub 3] ;
(VI) benoemen van een contactpersoon binnen [gedaagde sub 3] waarmee [B] / [eiseres] contact kan onderhouden gedurende het proces van de overdracht van de praktijk over de overdracht van de praktijk;
(VII) instellen in het [gedaagde sub 3] e-mailaccount van [B] dat alle op dat account ontvangen e-mails gedurende een jaar na overdracht van de praktijk automatisch worden doorgestuurd naar een door [B] / [eiseres] aan te wijzen e-mailadres.
VI. [gedaagde sub 3] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 20.418,75, te vermeerderen met wettelijke handelsrechte vanaf 31 maart 2026, en een bedrag van 22.687,50, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 15 april 2026, in beide gevallen tot de dag van algehele voldoening;
VII. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis zijn voldaan.