ECLI:NL:RBMNE:2026:4241

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/16/609752 / KG ZA 26-194
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.12 Aanbestedingswet 2012Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige intrekking nationale aanbestedingsprocedure wegens ontbreken feitelijke grondslag

SRO Servicecentrum organiseerde een nationale niet openbare aanbesteding voor renovatie en verduurzaming van haar hoofdkantoor. [Eiser] was toegelaten tot de gunningsfase en diende een inschrijving in. Voordat een voorlopige gunningsbeslissing werd genomen, trok SRO Servicecentrum de aanbestedingsprocedure in met als reden dat onvoldoende financiële middelen beschikbaar zouden zijn vanwege inschrijvingen die de opdrachtwaarde overschreden.

[Eiser] maakte bezwaar tegen deze intrekking en startte een kort geding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de intrekking aan het gelijkheidsbeginsel en transparantiebeginsel, zoals neergelegd in het Croce Amica arrest, dat ook analoog geldt voor nationale aanbestedingen. De rechtbank stelde vast dat SRO Servicecentrum niet voldeed aan haar onderbouwingsverplichting: zij had onvoldoende feitelijke grondslag geleverd voor het ontbreken van financiële middelen.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking onrechtmatig was omdat de opgegeven reden niet feitelijk was onderbouwd. Het afzien van het toelichtingsgesprek door [eiser] deed hieraan niet af. De rechtbank verbood SRO Servicecentrum verdere uitvoering te geven aan de intrekking en beval voortzetting van de aanbestedingsprocedure in de huidige stand. Het verbod om de aanbesteding daadwerkelijk in te trekken en het verbod op heraanbesteding werden afgewezen. SRO Servicecentrum werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de aanbestedingsprocedure onrechtmatig is wegens ontbreken van feitelijke grondslag en beveelt voortzetting van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609752 / KG ZA 26-194
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.H. Ligtenberg,
tegen
SRO SERVICECENTRUM B.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SRO Servicecentrum,
advocaten: mrs. B. de Smits en M.M. Fimerius.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties 1 tot en met 26 van [eiser]
- de conclusie van antwoord (genaamd pleitnota)
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026.

2.De kern van het kort geding

Het gaat in dit kort geding om de beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtmatige intrekking van een door SRO Servicecentrum georganiseerde aanbestedings-procedure. De uitkomst is dat dit zo is, omdat de feitelijke grondslag voor de door SRO Servicecentrum aan die intrekking ten grondslag gelegde reden ontbreekt.

3.3 De achtergrond van het kort geding

3.1
SRO Servicecentrum heeft een nationale niet openbare aanbesteding georganiseerd voor de renovatie en verduurzaming van het hoofdkantoor van SRO Servicecentrum.
3.2
[eiser] is met nog vier andere gegadigden tot de gunningsfase toegelaten en heeft een inschrijving ingediend.
3.3
SRO Servicecentrum heeft voordat zij een voorlopige gunningsbeslissing heeft genomen de aanbestedingsprocedure ingetrokken.
3.4
[eiser] heeft tegen die intrekking bezwaar gemaakt.
3.5
SRO Servicecentrum heeft [eiser] en de andere inschrijvers uitgenodigd voor een “toelichtingsgesprek” (hierna: het toelichtingsgesprek). [eiser] heeft daarvan afgezien en heeft dit kort geding aanhangig gemaakt. Ook de andere inschrijvers zijn niet op de uitnodiging ingegaan. Het toelichtingsgesprek heeft dus niet plaatsgevonden.
3.6
[eiser] vordert in dit kort geding dat SRO Servicecentrum wordt:
verboden om uitvoering te geven aan de intrekkingsbeslissing,
verboden om de aanbestedingsprocedure daadwerkelijk in te trekken,
verboden om over te gaan tot heraanbesteding,
geboden om de aanbestedingsprocedure te vervolgen in de stand waarin deze zich bevindt.

4.De beoordeling

Het oordeel
4.1
De vorderingen genoemd onder 1 en 4 worden toegewezen en de vorderingen genoemd onder 2 en 3 worden afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
De kernvraag
4.2
De kernvraag die moet worden beantwoord, is of sprake is van een onrechtmatige intrekking van de aanbestedingsprocedure door SRO Servicecentrum.
Toetsingskader4.3 Het gaat hier om de intrekking van een nationale aanbesteding. Het toetsingskader dat geldt voor intrekkingen van een Europese aanbesteding (zoals onder andere volgt uit het Croce Amica arrest [1] ) is analoog van toepassing. Reden daarvoor is dat dit toetsingskader neerkomt op een invulling en toepassing van het gelijkheidsbeginsel en transparantie-beginsel en deze beginselen als uitgangspunten ook van toepassing zijn in nationale aanbestedingen (zie artikel 1.12. Aanbestedingswet 2012).
4.4
Het toetsingskader dat volgens het Croce Amica arrest geldt, houdt het volgende in. Een aanbestedende dienst is niet verplicht een opgestarte aanbestedingsprocedure te voltooien en de betrokken opdracht te gunnen, mits hij daarbij de beginselen van transparantie en gelijke behandeling in acht neemt. Concreet betekent dit dat de gegadigden en inschrijvers zo spoedig mogelijk in kennis moeten worden gesteld van het besluit tot intrekking van de aanbestedingsprocedure met opgave van de redenen voor die intrekking [2] . Wat betreft die reden geldt dat niet is vereist dat sprake is van een uitzonderlijk geval of van gewichtige redenen [3] . Het is echter niet toegestaan de aanbesteding in te trekken om een inschrijver te bevoordelen of te benadelen. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende verbod op willekeur en favoritisme. In dit toetsingskader ligt besloten dat de opgegeven reden voor intrekking juist is ofwel dat er een feitelijke grondslag moet zijn voor die opgegeven reden. Is dat niet het geval dan ontstaat de indruk van willekeur en favoritisme.
Standpunt [eiser] : onrechtmatige intrekking want feitelijke grondslag voor opgegeven reden ontbreekt
4.5
[eiser] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onrechtmatige intrekking van de aanbesteding door SRO Servicecentrum. Zij voert daarvoor onder andere aan dat de feitelijke grondslag voor de door SRO Servicecentrum aan de intrekking van de aanbestedingsprocedure ten grondslag gelegde reden ontbreekt.
Beoordeling van dit standpunt
4.6
[eiser] wordt in dit standpunt gevolgd.
Reden voor intrekking: onvoldoende financiële middelen beschikbaar
4.7
SRO Servicecentrum heeft de aanbesteding in een brief van 12 maart 2026 ingetrokken (productie 17). In deze brief wordt als reden voor die intrekking vermeld:
“De aanleiding hiervoor is dat de ontvangen inschrijvingen de opdrachtwaarde dermate overschrijden dat er onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn.”
De reden is dus dat er onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Dat is wat er staat en een andere uitleg van de opgegeven reden is niet mogelijk.
Niet voldaan aan onderbouwingsverplichting
4.8
Op SRO Servicecentrum rust de verplichting om het bestaan (de feitelijke grondslag) van de aan de door haar aan de intrekking ten grondslag gelegde reden te onderbouwen.
4.9
Het is daarvoor, anders dan SRO Servicecentrum aanvoert, niet van belang hoeveel geld SRO Servicecentrum “
wil” uitgeven aan de aanbesteding en of SRO Servicecentrum haar “publieke” gelden (bij nader inzien) aan deze aanbesteding wil uitgeven. Dat heeft SRO Servicecentrum immers niet als reden voor de intrekking van de aanbesteding opgegeven. Het gaat er alleen om of er voor SRO Servicecentrum onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Dat dit het geval is, heeft SRO Servicecentrum niet/onvoldoende onderbouwd.
4.1
SRO Servicecentrum heeft daarvoor alleen aangevoerd dat de inschrijfprijzen de opdrachtwaarde (aanzienlijk) overstijgen. De opdrachtwaarde geeft (in beginsel) geen informatie over de beschikbaarheid van financiële middelen. De opdrachtwaarde bepaalt of Europees moet worden aanbesteed en geeft voor gegadigden (opdrachtnemers) een indicatie over de waarde van de opdracht. SRO Servicecentrum heeft dat op de mondelinge behandeling ook bevestigd. SRO Servicecentrum heeft niet kunnen uitleggen waarom de opdrachtwaarde in dit geval ook informatie zou geven over de beschikbaarheid van financiële middelen. SRO Servicecentrum heeft verder niet toegelicht uit welke stukken wel kan worden opgemaakt dat zij geen financiële middelen beschikbaar heeft voor de aanbesteding.
Conclusie: onrechtmatige intrekking
4.11
De conclusie is dat sprake is van een onrechtmatige intrekking van de aanbesteding, omdat de feitelijke grondslag voor de daarvoor door SRO Servicecentrum opgegeven reden ontbreekt.
Toelichtingsgesprek4.12 SRO Servicecentrum heeft er nog een punt van gemaakt dat [eiser] heeft afgezien van het door haar voorgestelde toelichtingsgesprek. Dat heeft echter geen effect op de hiervoor genoemde conclusie. Het afzien van het toelichtingsgesprek speelt geen rol bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onrechtmatige intrekking van de aanbesteding. Overigens is tijdens de zitting onduidelijk gebleven dat en hoe SRO Servicecentrum in het toelichtingsgesprek zou hebben onderbouwd dat zij geen financiële middelen beschikbaar heeft om de aanbesteding door te laten gaan. Dat heeft SRO Servicecentrum immers in het kader van dit kort geding ook niet gedaan. Bovendien diende het toelichtingsgesprek er volgens SRO Servicecentrum vooral toe om de intrekking van de aanbesteding netjes af te handelen en aandacht te hebben voor de emoties van de inschrijvers, onder wie [eiser] .
De vorderingen nader bekeken4.13 Er is dus sprake van een onrechtmatige intrekking van de aanbesteding. Dit betekent dat SRO Servicecentrum geen uitvoering aan haar intrekkingsbeslissing mag geven en dat zij de aanbestedingsprocedure in de stand waarin deze zich bevindt zal moeten vervolgen. De daarop betrekking hebbende vorderingen worden daarom toegewezen.
4.14
SRO Servicecentrum zal na hervatting van de aanbestedingsprocedure de aanbesteding opnieuw kunnen intrekken. Er zijn op dit moment onvoldoende concrete aanwijzingen om SRO Servicecentrum dat te verbieden. Er is geen sprake van de bijzondere situatie zoals die in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden Nederland van 14 februari 2025 [4] aan de orde was. In die zaak was de aanbestedende dienst in het kader van een tweede intrekkingsbeslissing er nog steeds niet in geslaagd om een onderbouwing te geven voor het bestaan van de door haar aan de intrekking ten grondslag gelegde redenen. Het verbod om de aanbestedingsprocedure daadwerkelijk in te trekken wordt daarom afgewezen.
4.15
Het door [eiser] gevorderde verbod om tot heraanbesteding over te gaan is prematuur en wordt daarom afgewezen. Het is op dit moment nog onduidelijk of SRO Servicecentrum tot heraanbesteding zal over overgaan en hoe de opdracht er in geval van een eventuele heraanbesteding uit zou zien. Evenmin is daarom bekend of een eventuele heraanbesteding al dan niet aan de in de relevante jurisprudentie neergelegde uitgangspunten/criteria zal voldoen.
Proceskosten en uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis
4.16
SRO Servicecentrum is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.226,57
Bij het salaris advocaat is uitgegaan van het gemiddelde tarief, zoals gebruikelijk is bij aanbestedingszaken zoals deze.
4.17
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.18
Het vonnis wordt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter,
5.1
verbiedt SRO Servicecentrum om verdere uitvoering te geven aan de intrekkingsbeslissing van 12 maart 2026 ten aanzien van de nationale niet openbare aanbesteding “Renovatie en verduurzaming Hoofdkantoor SRO” met kenmerk TN517418,
5.2
gebiedt om de nationale niet openbare aanbesteding “Renovatie en verduurzaming Hoofdkantoor SRO” met kenmerk TN517418 te vervolgen in de stand waarin deze zich bevindt,
5.3
veroordeelt SRO Servicecentrum in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SRO Servicecentrum niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
veroordeelt SRO Servicecentrum tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en door mr. O.P. van Tricht in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
4374

Voetnoten

1.EU:C:2014:2435 (Croce Amica)
2.Zie rechtsoverweging 4.30 van het Croce Amica arrest
3.Zie rechtsoverweging 4.31. van het Croce Amica arrest