ECLI:NL:RBMNE:2026:424

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/16/587445 / HL ZA 25-23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 BWArt. 5:2 BWArt. 6:119 BWArt. 46 lid 3 en 4 Monumentenwet 1988Art. 50 aanhef en onder a Monumentenwet 1988
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afgifte archeologische vondsten en documentatie aan provincies toegewezen

De Provincies vorderden op grond van artikel 5:2 BW Pro de afgifte van archeologische vondsten en bijbehorende documentatie die door eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] waren aangetroffen, maar niet waren overgedragen. De vondsten en documentatie bevinden zich nu bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], die dit onrechtmatig houden.

De rechtbank oordeelt dat de Provincies eigenaar zijn van de vondsten en de opgravingsdocumentatie, die volgens verkeersopvatting onlosmakelijk met de vondsten verbonden zijn. Het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op auteursrecht verzet zich niet tegen afgifte. Ook het argument dat de vorderingen te onbepaald zijn, wordt verworpen.

De zorgplicht van de Provincies om betaling door opdrachtgevers af te dwingen bestaat niet; het betalingsrisico ligt bij de archeologische bedrijven. [gedaagde sub 1] wordt ook persoonlijk aangesproken vanwege zijn betrokkenheid. De rechtbank legt een termijn van vier weken voor afgifte op, met een dwangsom van €2.500 per dag tot maximaal €250.000. Proceskosten en wettelijke rente worden aan de Provincies toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot afgifte van archeologische vondsten en documentatie aan de provincies binnen vier weken, met dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/587445 / HL ZA 25-23
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.PROVINCIE DRENTHE,

te Assen,
2.
PROVINCIE FLEVOLAND,
te Lelystad,
3.
PROVINCIE FRYSLÂN,
te Leeuwarden,
4.
PROVINCIE GELDERLAND,
te Arnhem,
5.
PROVINCIE GRONINGEN,
te Groningen,
6.
PROVINCIE LIMBURG,
te Maastricht,
7.
PROVINCIE NOORD-BRABANT,
te 's-Hertogenbosch,
8.
PROVINCIE UTRECHT,
te Utrecht,
9.
PROVINCIE ZEELAND,
te Middelburg,
10.
PROVINCIE ZUID-HOLLAND,
te Den Haag,
11.
PROVINCIE NOORD-HOLLAND,
te Haarlem,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de Provincies,
advocaat: mr. T.W. Franssen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. B.R.S. Goudkamp.

1.De procedure

1.1.
De volgende stukken zitten in het procesdossier:
- de dagvaarding van 14 januari 2025 met producties (1-34b),
- de conclusie van antwoord met producties (1-14),
- de nadere producties van de Provincies (35 en 36).
1.2.
Op 6 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Eerdere archeologische bedrijven van [gedaagde sub 1] hebben bij archeologische onderzoeken vondsten aangetroffen. De provincie op wiens grondgebied de archeologische vondst is gedaan is eigenaar van de vondst. Op de eerdere archeologische bedrijven van [gedaagde sub 1] rustte daarom de verplichting de vondsten over te dragen. Dat is niet gebeurd. Volgens de Provincies worden de vondsten nu op onrechtmatige wijze gehouden door [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] .
2.2.
De Provincies vorderen daarom – samengevat – op grond van artikel 5:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot afgifte van deze vondsten en afgifte van alle bijbehorende documentatie, op straffe van een dwangsom. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] komen de vorderingen van de Provincies om meerdere redenen niet voor toewijzing in aanmerking. De Provincies krijgen gelijk.

3.De beoordeling

Vooraf
3.1.
De eerste vraag die gesteld kan worden in deze zaak is hoe het komt dat volgens de Provincies vondsten die aan haar toebehoren en die door eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] zijn aangetroffen bij opgravingen nu zouden liggen bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] . In dat kader wordt onder het kopje ‘inleiding’ uitgelegd wanneer en waarom opgravingen worden gedaan, welke rollen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] spelen in deze zaak en welke relevante gebeurtenissen zich hebben voorgedaan tussen de eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] en (een aantal van) de Provincies.
3.2.
De tweede vraag die gesteld kan worden is waarom er nu precies een geschil is tussen de Provincies enerzijds en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds. Want als er vondsten bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] liggen, waarom menen zij dan dat deze – alsmede de bijbehorende documentatie – niet hoeven te worden afgegeven aan de Provincies? De beantwoording van die vraag vergt een juridische beoordeling die plaatsvindt onder de kop ‘juridische beoordeling’.
Inleiding
3.3.
Voordat in Nederland gebouwd mag worden, moet zijn voldaan aan de voorwaarden die het college van burgemeester en wethouders aan een verleende omgevingsvergunning heeft verbonden. Die voorwaarden vinden hun grondslag in een omgevingsplan. Gelet op het grote maatschappelijke belang van een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed, is in een omgevingsplan bepaald dat een archeologisch onderzoek (een opgraving) moet plaatsvinden voordat bodemverstorende activiteiten (zoals bouwwerkzaamheden) mogen worden verricht. Hiervoor moet degene die de bodemverstorende activiteiten wil verrichten (de bodemverstoorder: een particulier of een projectontwikkelaar) een bedrijf inschakelen. In de Erfgoedwet die nu geldt staat dat zo’n bedrijf moet beschikken over een certificaat. Maar in de Monumentenwet 1988, die relevant is voor deze zaak en die gold tot 2016, stond dat zo’n bedrijf moet beschikken over een vergunning. Een certificaat- of vergunninghouder is verplicht de archeologische vondsten te conserveren en deze binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving over te dragen aan de rechthebbende. Soms is dit een provincie. De provincies houden voor de opslag van vondsten speciale depots in stand.
3.4.
[gedaagde sub 1] is archeoloog. In het verleden heeft hij de bedrijven [onderneming 1] B.V., [onderneming 2] B.V., [onderneming 3] en [onderneming 4] ( [onderneming 4] ) opgericht. Deze bedrijven beschikten over een vergunning als hiervoor genoemd en hebben in het verleden opgravingen gedaan op het grondgebied van de Provincies. De bodemverstoorder geldt als opdrachtgever en moet dus betalen voor het archeologisch onderzoek. In de praktijk bleek deze daar vaak niet toe over te gaan. De bedrijfsvoering van de bedrijven van [gedaagde sub 1] kwam daardoor steeds verder onder druk te staan.
3.5.
Dit maakte dat in 2016 [onderneming 1] B.V. aan diverse provincies heeft gemeld dat zij vondsten die zij op het grondgebied van de provincies heeft aangetroffen niet zal overdragen. In plaats daarvan zou zij van plan zijn de archeologische vondsten, waarbij de opdrachtgevers niet betaald hadden, te verkopen door middel van een veiling. Vondsten zouden voorafgaand aan de veiling worden vermengd, zodat niet meer traceerbaar zou zijn welke vondst bij welke opgraving hoorde. Onverkochte vondsten zou [onderneming 1] B.V. vernietigen. Met deze actie wilde [onderneming 1] B.V. bewerkstelligen dat de Provincies druk op de opdrachtgevers zouden uitoefenen om tot betaling over te gaan, of dat de Provincies zelf zouden betalen voor archeologische werkzaamheden. Er is vanuit de betrokken provincies geprobeerd met [onderneming 1] B.V een oplossing te bereiken, maar dat is mislukt.
3.6.
Om die reden zijn partijen verwikkeld geraakt in een procedure die werd aangevangen met een conservatoir beslag tot afgifte dat vijf provincies op 8 en 9 september 2016 hebben laten leggen op archeologische vondsten en bijbehorende documentatie die zich bevonden in het bedrijfsgebouw van [onderneming 1] B.V. De in beslag genomen vondsten en bijhorende documentatie zijn in gerechtelijke bewaring gegeven.
3.7.
Nadat [onderneming 1] B.V. werd gedagvaard in een bodemprocedure en voordat de rechtbank Gelderland vonnis had gewezen, zijn [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. op 6 oktober 2016 is staat van faillissement verklaard. In beide faillissementen is mr. H.J.D. te Waarbeek als curator benoemd (hierna: de curator). De curator heeft in zijn eerste openbaar verslag van 14 november 2016 gemeld dat op de bedrijfslocaties van [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. diverse archeologische vondsten zijn opgeslagen die eigendom zijn van de provincie waar deze gevonden zijn. Volgens de curator gaat het om alle provincies, met uitzondering van de provincie Limburg. De curator heeft gemeld de vondsten in kaart te brengen, zodat op correcte wijze uitgeleverd kan worden. Vervolgens zijn op 13 december 2016 archeologische vondsten en documentatie aan de desbetreffende provincies overgedragen. De provincies meenden dat hiermee een einde was gekomen aan het geschil met de bedrijven van [gedaagde sub 1] .
3.8.
[gedaagde sub 1] had intussen op 29 september 2016 een nieuwe vennootschap opgericht, namelijk [gedaagde sub 2] , met [gedaagde sub 1] als enig bestuurder. Sinds 6 maart 2019 is [gedaagde sub 1] ook enig aandeelhouder van [gedaagde sub 2] .
Op 31 oktober 2017 hebben de curator en [gedaagde sub 2] een akte van cessie getekend. De curator heeft de vorderingen die [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. hebben op de in de akte van cessie omschreven opdrachtgevers gecedeerd aan [gedaagde sub 2] . De cessie leverde [gedaagde sub 2] uiteindelijk in financiële zin weinig op; veel opdrachtgevers lieten de vorderingen onbetaald.
3.9.
In een brief van 30 augustus 2021 meldt [gedaagde sub 1] zich namens [gedaagde sub 2] bij de Provincies. [gedaagde sub 2] schrijft dat [gedaagde sub 1] , althans [gedaagde sub 2] , nog veel informatie over opgravingen heeft, die tijdens het faillissement van [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. niet zijn overgedragen. [1] Volgens [gedaagde sub 2] bezit zij ook archeologische vondsten van “onbetaalde projecten en vondsten die toevallig nog tevoorschijn gekomen zijn”. [gedaagde sub 2] vraagt om een overleg met de Provincies om tot overdracht van de archeologische vondsten te komen. [gedaagde sub 2] wil wel een financiële vergoeding van de Provincies ontvangen als compensatie van de schade die ontstaan is door de beslaglegging in september 2016 en de schending van een op de Provincies rustende zorgplicht.
3.10.
Partijen hebben gesproken over de teruggave door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van archeologische vondsten en documentatie alsook over de financiële voorwaarden waaronder dit zou moeten gebeuren, maar er is geen overeenstemming bereikt.
Juridische beoordeling
3.11.
Hiervoor is toegelicht hoe het komt dat volgens de Provincies vondsten die aan haar toebehoren en die door eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] bij opgravingen zijn aangetroffen alsnog bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] zouden liggen. Daarom wordt nu toegekomen aan de bespreking van de tweede vraag die genoemd is onder 3.2.: waarom vinden [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] dat zij de vondsten met bijbehorende documentatie niet aan de Provincies hoeven te verstrekken?
3.12.
[gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] wijzen er allereerst op dat de Provincies niet precies stellen welke provincie eigenaar is van welke archeologische vondst. Om die reden kan volgens hen een revindicatievordering niet slagen. Daarbij vinden ze de vordering te onbepaald, omdat geen gedetailleerd overzicht is gegeven van de vondsten die zij willen verkrijgen. Vervolgens voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan dat de Provincies van de opgravingsdocumentatie geen eigenaar zijn en het auteursrecht zich tegen afgifte verzet.
Tot slot menen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de Provincies een zorgplicht hebben geschonden. De standpunten van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] baten haar niet.
De Provincies zijn eigenaar van de zich bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] bevindende archeologische vondsten
3.13.
De door de onder 3.4. genoemde archeologische bedrijven verrichte werkzaamheden zijn uitgevoerd in een periode dat de Monumentenwet 1988 nog geldend recht was. Op grond van artikel 50 aanhef Pro en onder a van de Monumentenwet 1988 zijn de vondsten eigendom van de provincie waar zij zijn gevonden. De in artikel 50 Monumentenwet Pro 1988 genoemde uitzonderingen, dat iemand anders het recht van eigendom kan bewijzen of dat het eigendom de gemeente of de Staat toekomt, zijn niet van toepassing. Partijen zijn het namelijk eens dat de vondsten geen eigendom van de gemeente of van de Staat zijn. Ook heeft niemand anders een recht van eigendom bewezen. Dit houdt in dat de vondsten in eigendom toebehoren aan de Provincies waar deze zijn gevonden.
De Provincies zijn ook eigenaar van de opgravingsdocumentatie
3.14.
De Provincies vorderen ook afgifte van alle analoge en digitale archeologische opgravingsdocumentatie die hoort bij de archeologische projecten die zijn uitgevoerd op het grondgebied van de Provincies. De rechtbank volgt de Provincies in het standpunt dat opgravingsdocumentatie die hoort bij een concrete opgraving (archeologische vondst) naar verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van die opgraving (artikel 3:3 BW Pro). Opgravingsdocumentatie vormt namelijk een zo essentieel deel van de archeologische opgraving, dat zonder dit deel de opgraving niet aan haar economische of maatschappelijke bestemming kan beantwoorden. Zonder bijbehorende documentatie is de opgraving dus incompleet. Op de zitting hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf ook gesteld dat zonder de bijbehorende opgravingsdocumentatie een opgraving geen waarde heeft.
3.15.
Dat de concrete opgraving en de daarbij behorende opgravingsdocumentatie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, is ook in lijn met artikel 46 Monumentenwet Pro 1988. Lid 3 van dat artikel legt aan de houder van een opgravingsvergunning de verplichting op om de geconserveerde monumenten alsmede de daarbij behorende opgravingsdocumentatie over te dragen aan de eigenaar.
3.16.
Een en ander betekent dat de provincie op wiens grondgebied opgravingen zijn gedaan, ook eigenaar is van de opgravingsdocumentatie en opgravingsrapporten die betrekking hebben op de archeologische vondsten.
Het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op het auteursrecht verzet zich niet tegen afgifte van de opgravingsdocumentatie
3.17.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzetten zich tegen afgifte van de opgravingsdocumentatie met een beroep op artikel 55 lid 2 Monumentenwet Pro 1988. Dat artikel bepaalde dat het auteursrecht op de rapporten (waarin na de voltooiing van de opgraving de resultaten van de opgraving zijn beschreven) en de daarin opgenomen werken is voorbehouden. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt verworpen.
3.18.
Het eigendom en het auteursrecht op de opgravingsdocumentatie kunnen bij verschillende personen liggen. Een eigenaar kan dus aanspraak maken op afgifte van de
documentatie, zonder dat hij het auteursrecht daarop heeft. De Monumentenwet 1988 gaat ook van een dergelijke constructie uit. In het tweede lid van artikel 55 Monumentenwet Pro 1988 is bepaald dat het auteursrecht ligt bij de makers van de rapporten en de daarin opgenomen werken, maar de provincie waarop de opgravingswerkzaamheden zijn uitgevoerd zijn eigenaar van de archeologische vondsten en documentatie. [2]
3.19.
Daarnaast geldt dat het niet aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het auteursrecht hebben waarop zij zich beroepen. De opgravingswerkzaamheden zijn namelijk verricht door een van de onder 3.4 genoemde archeologische bedrijven. Deze bedrijven hadden ieder de vereiste vergunning om deze werkzaamheden uit te voeren en hebben ook de daarbij behorende opgravingsdocumentatie opgesteld. Op grond van de Monumentenwet 1988 ligt het auteursrecht dan ook bij (een van) de onder 3.4 genoemde archeologische bedrijven. Overdracht van een auteursrecht moet bij akte geschieden en daarvan is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niets gesteld. In de akte van cessie is ook niets over een auteursrecht opgenomen. Verder geldt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet beschikken over een vergunning en niet zijn gecertificeerd en dus ook geen opgravingswerkzaamheden mogen uitvoeren. [3] Ook daarom ligt het auteursrecht op opgravingsdocumentatie niet bij hen.
De archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie zijn voldoende concreet bepaald
3.20.
De Provincies vorderen afgifte van alle hun in eigendom toekomende vondsten en documentatie, waaronder in elk geval de vondsten en documentatie genoemd onder de randnummers 9.2-9.4 van de dagvaarding. Dit zijn vondsten en documentatie die door of namens [gedaagde sub 2] zelf zijn beschreven en waar zij dus ook zelf bekend mee is. Het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat deze vordering te onbepaald is en dat elke provincie afzonderlijk moet aangeven van welke spullen men afgifte wenst, wordt dan ook afgewezen. Daarnaast geldt nog het volgende.
3.21.
De Provincies hebben op de zitting gemeld dat zij afgifte van de vondsten en documentatie willen
‘as is’. Niet wordt verlangd dat er nog werkzaamheden worden afgerond, er nog geordend wordt of dat de afgifte moet voldoen aan de eisen van deponering. Men wil feitelijk alleen afgifte van wat er bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] ligt, zoals het er ligt. Verder hebben de Provincies aangegeven dat zij digitale informatie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] willen ontvangen op basis van de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf geproduceerde overzichtslijsten die als productie 34a en 34b door de Provincies in het geding zijn gebracht. Ook hier geldt dat deze gegevens op de overzichtslijsten voldoende concreet zijn omschreven.
3.22.
Daarbij komt dat de curator in 2016 ook in staat was om de door hem bij de gefailleerde vennootschappen [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. aangetroffen vondsten en documentatie aan de juiste provincie te geven, zonder dat de provincies eerst een opgave van vondsten en documentatie moesten doen. En ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat afgifte mogelijk is, mits de provincies daar een financiële vergoeding tegenover stellen. Dat de vondsten en documentatie nog niet zijn afgegeven lijkt dan ook meer te maken te hebben met het feit dat partijen nooit tot financiële overeenstemming zijn gekomen, dan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet wisten wat zij aan wie moesten afgeven.
3.23.
De Provincies hoeven dus niet nader op te geven van welke concrete opgravingen zij afgifte van vondsten en documentatie willen.
De problematiek van de niet-betalende opdrachtgevers verzet zich ook niet tegen afgifte van de archeologische vondsten en de daarmee samenhangende documentatie
3.24.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gemotiveerd en onweersproken gesteld dat bedrijven die in opdracht archeologische opgravingen doen vaak niet (volledig) door de opdrachtgever betaald krijgen, terwijl zij tegenover de gemeente of provincie wel verplicht zijn de archeologische vondsten en bijbehorende documentatie af te geven. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwijten de Provincies dat zij hun zorgplicht hebben geschonden door onvoldoende druk uit te oefenen op de opdrachtgevers om alsnog tot betaling van de verrichte werkzaamheden over te gaan.
3.25.
Anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] menen, valt het niet betaald krijgen voor verrichte werkzaamheden onder het ondernemingsrisico van de opgravingsbedrijven. De archeologische bedrijven [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. hadden bij hun opdrachtgever financiële zekerheden kunnen inbouwen of uitvoering van haar contractuele verplichtingen kunnen opschorten totdat (volledige) betaling zou volgen. Dit hebben zij niet gedaan.
3.26.
Volgens [gedaagde sub 1] namen en nemen de opgravingsbedrijven uiteindelijk de betalingsrisico’s voor lief omdat zij zich anders uit de markt plaatsen. Deze toelichting van [gedaagde sub 1] komt neer op een bewust genomen bedrijfsrisico dat niet bij de Provincies neergelegd kan worden. Er gold dus ook geen zorgplicht van de Provincies om te bewerkstelligen dat [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. betaald zouden krijgen voor hun werk. Ook geldt er geen zorgplicht voor de Provincies voor betalingen aan [gedaagde sub 2] . Het staat [gedaagde sub 2] bovendien nog steeds vrij om de aan haar gecedeerde vorderingen van [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. zelf te proberen te incasseren. Volgens [gedaagde sub 1] gaat het om ongeveer € 200.000,-- aan onbetaald gebleven facturen. [gedaagde sub 1] stelt een aantal keren via een gerechtelijke procedure geprobeerd te hebben betaling van de facturen te krijgen, maar dat je niet altijd weet wat de uitkomst van zo’n procedure zal zijn. Dat kan zo worden gevoeld, maar ook dat verzet zich niet tegen afgifte van de archeologische vondsten en documentatie.
Ook de tegen [gedaagde sub 1] ingestelde vordering tot afgifte van de archeologische vondsten en documentatie is toewijsbaar
3.27.
[gedaagde sub 1] voert nog een zelfstandig verweer, namelijk dat de vorderingen van de Provincies tegenover hem niet toewijsbaar zijn omdat hij nooit als privépersoon gehandeld heeft. [gedaagde sub 1] stelt dat hij altijd heeft gehandeld namens de vennootschappen. De rechtbank verwerpt het verweer.
3.28.
De Provincies hebben namelijk op de zitting onweersproken gesteld dat [gedaagde sub 1] als bestuurder, aandeelhouder en/of vennoot steeds (in)direct betrokken was bij [onderneming 3] , [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. De boedel van de gefailleerde vennootschap [onderneming 4] is overgenomen door [onderneming 2] B.V., althans door de persoonlijke holdingmaatschappij van [gedaagde sub 1] .
3.29.
Verder is van belang dat de curator eind 2016 wilde dat alle zich bij de gefailleerde vennootschappen [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V bevindende archeologische vondsten en documentatie aan de desbetreffende provincies zouden worden overgedragen. Er werden vondsten overgedragen, waarna deze provincies dachten dat alles klaar was. Desondanks heeft de voormalige advocaat van [gedaagde sub 2] bij brief van 12 mei 2022 aan de Provincies gemeld dat er nog vondsten en documentatie zijn van ruim 3.500 projecten. [gedaagde sub 1] heeft niet kunnen aangeven hoe dit feitelijk kon gebeuren, terwijl ook vast staat dat [gedaagde sub 1] een week voor de faillissementen van [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. [gedaagde sub 2] heeft opgericht, waarvan hij sinds de oprichting enig bestuurder is. Daarmee is onvoldoende uitgesloten dat [gedaagde sub 1] persoonlijk heeft getracht de diverse vondsten en documentatie onder zich te houden om deze pas af te geven na ontvangst van een door de Provincies te betalen financiële vergoeding voor de onbetaald gebleven werkzaamheden die door de onder 3.4 bedoelde archeologische bedrijven zijn verricht.
3.30.
Dat het aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] als privépersoon feitelijk de beschikking heeft over de vondsten en documentatie volgt ook uit het volgende.
  • In de brief van 30 augustus 2021 meldt [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 2] dat
  • Op de zitting heeft [gedaagde sub 1] verder gemeld dat alle nog aanwezige vondsten en documentatie zijn opgeslagen in een hal en dat het huurcontract van de hal op naam van [gedaagde sub 2] stond. [gedaagde sub 1] heeft geen antwoord willen geven op de vraag op wiens naam het huurcontract nu staat. Het is dus zeer goed mogelijk dat [gedaagde sub 1] zelf de nieuwe huurder van de hal is waar de vondsten en documentatie zijn opgeslagen.
Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet over een opgravingsvergunning beschikken verzet zich ook niet tegen afgifte van de archeologische vondsten en de daarmee samenhangende documentatie
3.31.
Anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen, verzet het gegeven dat zij niet over een opgravingsvergunning beschikken zich niet tegen afgifte van de archeologische vondsten en de daarmee samenhangende documentatie. In het licht van wat hiervoor is overwogen staat vast dat de Provincies eigenaar zijn van de zich bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] bevindende archeologische vondsten en de daarmee samenhangende documentatie en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de vondsten en documentatie zonder recht onder zich houden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn daarom op grond van artikel 5:2 BW Pro gehouden deze aan de Provincies af te geven. Dat zij niet over een opgravingsvergunning beschikken speelt hierin geen rol.
Conclusie
3.32.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de Provincies gevorderde afgifte door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van de in de dagvaarding nader omschreven vondsten en documentatie in na te melden zin zal worden toegewezen.
De termijn van afgifte is vier weken
3.33.
De termijn waarbinnen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de vondsten en documentatie moeten afgeven wordt bepaald op de door de Provincies gevorderde termijn van vier weken. De Provincies willen afgifte van de vondsten en documentatie
‘as is’(zie ook 3.21). En [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet betwist dat de curator eind 2016 ook binnen een dergelijk tijdvak archeologische vondsten en documentatie aan de desbetreffende provincies kon overdragen. Dat er meer tijd nodig is om tot afgifte te komen, zoals de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde termijn van ten minste twaalf maanden, is door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op geen enkele wijze onderbouwd.
De dwangsom zal hoofdelijk worden opgelegd.
3.34.
De Provincies vorderen dat aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afzonderlijk een dwangsom zal worden opgelegd. Ter voorkoming van executieproblemen zal de rechtbank [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de dwangsom hoofdelijk opleggen. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] in staat zijn te beschikken over de archeologische vondsten en documentatie waarvan de Provincies afgifte wensen. De dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna in de beslissing is vermeld.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en er zal geen gerechtelijke bewaarder worden aangesteld
3.35.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn bereid om de vondsten en documentatie aan de Provincies te geven mits zij financieel worden gecompenseerd voor de door haar geleden schade. Een dergelijke door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde voorwaarde, hoe daar verder ook inhoudelijk over geoordeeld moet worden, is geen grond om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook is dit geen reden om een gerechtelijk bewaarder aan te stellen totdat de appeltermijn is verstreken dan wel totdat in hoger beroep is beslist. De door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde omstandigheid dat de archeologische documentatie door de Provincies kan worden gekopieerd of verspreid leidt niet tot een andere conclusie.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
3.36.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Provincies worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.264,47
3.37.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.38.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

4.1.
gebiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om alle archeologische vondsten en alle analoge en digitale archeologische opgravingsdocumentatie die behoren bij de op het grondgebied van de provincies uitgevoerde archeologische projecten, waaronder in ieder geval – maar niet beperkt tot – de vondsten en documentatie genoemd onder de randnummers
9.2
tot en met 9.4 van de dagvaarding, binnen vier weken na betekening van dit vonnis
over te dragen aan de provincie in wier grondgebied de opgraving is geschied,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan de Provincies een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.264,47, te vermeerderen de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Beukers-Brouwer, mr. M.M.J. Schoenaker en mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
4428

Voetnoten

1.Productie 11 van de Provincies
2.Zie de artikelen 46 lid 3 en 4, 50 aanhef en onder a en 55 lid 2 Monumentenwet 1988. Voor de huidige wetgeving volgt dit uit artikel 5.6 lid 3 Erfgoedwet. Voor de huidige wetgeving volgt dit uit artikel 5.6 lid 3 Erfgoedwet.
3.De Monumentenwet 1988 is opgevolgd door de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is de vergunning vervangen door een certificaat.