ECLI:NL:RBMNE:2026:4230

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
16.261796.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met misdrijf tegen het leven en zware mishandeling

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling. De feiten betroffen bedreigingen op 22 juni 2025 en 4 oktober 2025, waarbij onder meer een kettingslot werd gegooid richting de slachtoffers. Een bedreiging op 28 juni 2025 werd niet bewezen verklaard.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers, politieprocessen-verbaal, en deskundigenrapporten, waaronder een observatierapport van het Pieter Baan Centrum. De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege neurobiologische ontwikkelingsstoornissen zoals ASS en ADHD, die zijn gedragsproblemen verklaren.

Hoewel de officier van justitie de ISD-maatregel eiste en de verdediging pleitte voor tbs met dwangverpleging, oordeelde de rechtbank dat beide maatregelen niet passend zijn gezien de complexiteit van de persoonlijkheidsproblematiek, het beperkte risico op ernstig lichamelijk letsel en de beperkte duur van de ISD-maatregel. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee maanden op, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht.

Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand toegewezen, omdat de bewezen feiten tijdens de proeftijd zijn gepleegd. De voorlopige hechtenis werd opgeheven met ingang van de datum van het vonnis.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor meerdere bedreigingen; ISD-maatregel en tbs met dwang niet passend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16.261796.25, 05.227496.25 (t.t.z. gevoegd), 05.024060.25 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
Penitentiair Psychiatrisch Centrum, in [plaats 1]
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. F.A.M. Bouwhuis;
  • de advocaat van de verdachte: mr. A.W. Syrier;
  • de deskundige [A] , psychiater;
  • de deskundige [B] , GZ-psycholoog;
  • de deskundige A.W. de Groen, reclasseringswerker.

2.Tenlastelegging

Het strafbare feit (of feiten) waarvan een verdachte door de officier van justitie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de rechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. De rechter doet dat op basis van die tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting.
De officier van justitie beschuldigt de verdachte er samengevat van dat hij:
16.261796.25
op 4 oktober 2025 in Amersfoort [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht;
05.227496.25
feit 1
op 22 juni 2025 in Zwolle [aangever 3] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2
op 28 juni 2025 in Zwolle [aangever 3] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.
De volledige tekst van de beschuldigingstaat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
16.261796.25
De advocaat voert geen verweer over het bewijs van de bedreiging van [aangever 1] en [aangever 2] .
05.227496.25
feit 1
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de bedreiging van [aangever 3] op 22 juni 2025, namelijk van de woorden “Als jij meedoet met dat kanker informantenstelsel GGZ centraal, gaan er kankerkoppen vallen”.
feit 2
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte geheel vrij te spreken van de bedreiging van [aangever 3] op 28 juni 2025.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
Parketnummer 05.227496.25 – feit 2
De rechtbank oordeelt dat de bedreiging van [aangever 3] op 28 juni 2025 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Bij het uitluisteren van de gesprekken die de verdachte vanuit de PI in Zwolle heeft gevoerd, is een voicemailgesprek aangetroffen van 28 juni 2025. Het is een voicemailgesprek gericht aan het telefoonnummer [nummer] dat in gebruik is bij aangever [aangever 3] . In dit voicemailgesprek zijn bedreigende woorden te horen. Aangever [aangever 3] heeft in zijn aangifte echter alleen verklaard dat de verdachte op zondag 22 juni 2025 en op woensdag 25 juni 2025 bedreigende woorden op zijn voicemail heeft ingesproken. Hij heeft niet verklaard dat de verdachte hem ook op 28 juni 2025 via een voicemail bericht heeft bedreigd. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat aangever [aangever 3] ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreigende woorden van 28 juni 2025. Dat betekent dat de rechtbank ook niet kan vaststellen dat bij aangever [aangever 3] door deze woorden de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Er is dus onvoldoende bewijs voor de bedreiging van aangever [aangever 3] op 28 juni 2025. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de bedreiging van [aangever 1] en [aangever 2] (het feit op de dagvaarding met parketnummer 16.261796.25) en de bedreiging van [aangever 3] op 22 juni 2025 (feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 05.227496.25) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
Parketnummer 16.261796.25
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 4 oktober 2025 bevond ik mij in mijn woning in Amersfoort. Mijn zoon was ook in de woning. Ik zag dat het raam van de slaapkamer van mijn zoon openstond. Ik hoorde een man schreeuwen: “Ik maak jullie kapot”. Ik keek uit het raam en zag een man staan. Ik zag dat de man een kettingslot in zijn hand droeg. Ik zag dat de man het kettingslot naar achter wierp. [2] Ik zag dat de man het kettingslot naar voren wierp. Ik zag het kettingslot op mij afkomen. Ik zag dat het kettingslot net onder het raam tegen de vensterbank kwam en op de grond viel. Ik zag dat de man het kettingslot pakte. Ik zag dat de man het kettingslot naar voren wierp. Ik zag het kettingslot op mij afkomen. Ik zag dat het kettingslot net onder het raam tegen de gevel aankwam. [3]
Het proces-verbaal van bevindingen van politieagent [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik hoorde aangeefster [aangever 1] zeggen dat haar zoon [aangever 2] heet. Ik belde naar [aangever 2] en hoorde dat hij het volgende verklaarde:
Op zaterdag (
de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2025) was ik bij mijn moeder in Amersfoort. Ik was op mijn slaapkamer. Ik zag een man staan buiten. Ik zag dat hij met een groot kettingslot stond te slaan. Ik hoorde dat hij schreeuwde “hou je kankerbek, moet ik dit ding anders naar je toe gooien”. Ik zag dat hij het kettingslot in mijn richting gooide, maar mij niet raakte maar dat hij net onder de vensterbank terecht kwam.
Toen kwam mijn moeder aanlopen. Op dat moment pakte hij gelijk weer dat kettingslot
op en zwaaide daar weer mee in de lucht. Mijn moeder en ik stonden samen in mijn
raam. Ik hoorde toen de man schreeuwen "ik maak jullie kapot". En daarna zag ik dat hij het slot weer in onze richting gooide. [4]
De verklaring van de verdachte op de zitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 4 oktober 2026 stond ik buiten bij een flat in Amersfoort. Ik heb met het kettingslot tegen de muur gegooid. Het was een zwaar slot. Ik zag de vrouw staan. Ik heb één of twee zinnen gezegd.
Parketnummer 05.227496.25 – feit 1
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] (registratienummer 2025337375), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] zit momenteel gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats 2] . Vanuit hier heeft hij mij onlangs gebeld. Op 22 juni 2025 heb ik een voicemail van [verdachte] ontvangen. Ik herkende [verdachte] gelijk aan zijn stem. De inhoud van de voicemail betreft:
“Als jij meedoet met dat kanker informantenstelsel GGZ centraal, gaan er kankerkoppen vallen. Als je eraan meedoet heb ik het recht om je een kankerkogel te geven, die geef ik persoonlijk. Ik heb adres van je moeder en inmiddels je eigen kankeradres.” [5]
Het proces-verbaal van bevindingen van politieagent [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb gesprekken beluisterd die zijn gevoerd vanuit PI Zwolle met TULP-nummer [nummer] . Aan dat TULP-nummer is de verdachte [verdachte] gekoppeld.
In de aangifte met registratienummer 2025337375 wordt door aangever verklaard dat op 22 juni 2025 zijn voicemail wordt ingesproken door verdachte waarin bedreigingen zijn
geuit. In de verstrekte gegevens trof ik op 22 juni 2025 een gesprek aan waarbij [nummer] belt met [nummer] , in gebruik bij aangever [aangever 3] . Het betreft een ingesproken voicemailbericht met de volgende tekst:
“Ja [aangever 3] , als jij meedoet met dat kanker informantenstelsel GGZ centraal gaan er kankerkogels vallen. [6] Als je eraan meedoet dan heb ik het recht om jou ook een kankerkogel te geven en die geef ik je persoonlijk. Ik heb het adres van je moeder en ik heb inmiddels je eigen kankeradres.”
3.3.3.
Bewijsoverwegingen
Parketnummer 16.261796.25
De advocaat heeft geen verweer gevoerd over het bewijs van de bedreigingen van [aangever 1] en [aangever 2] . De rechtbank zal daarom niet verder uitleggen waarom zij tot een bewezenverklaring van deze bedreigingen komt.
Parketnummer 05.227496.25
feit 1
Ook heeft de advocaat geen verweer gevoerd over het bewijs van een deel van de bedreigende woorden die de verdachte op 22 juni 2025 op de voicemail van aangever [aangever 3] heeft ingesproken. Over de op deze datum geuite woorden “als jij meedoet met dat kanker informantenstelsel GGZ centraal, gaan er kankerkoppen vallen”, heeft de advocaat echter wel verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat deze woorden onvoldoende gericht zijn aan aangever [aangever 3] om als een tegen hem gerichte bedreiging te kunnen aanmerken en dat verdachte daarom van dit feit moet worden vrijgesproken.
De rechtbank ziet dat anders. Een bedreiging kan specifiek over de bedreigde persoon in kwestie gaan, maar ook bijvoorbeeld over de groep waartoe de bedreigde behoort. Dat laatste is hier het geval. Gelet op de inhoud van de woorden, het gegeven dat aangever de bewindvoerder van de verdachte is en – in het bijzonder – de woorden die er meteen opvolgden (‘als jij er aan mee doet dan heb ik het recht om jou ook een kankerkogel te geven’), kon bij aangever [aangever 3] de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte met deze specifieke woorden ook hem bedreigde. De rechtbank oordeelt daarom dat dit feit in zijn geheel is bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16.261796.25
op 4 oktober 2025 te Amersfoort [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [aangever 1] en [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen “hou je
kankerbek, moet ik dit ding anders naar je toegooien” en “kankermongolen, ik
maak jullie kapot”, en tweemaal een kettingslot richting die [aangever 1]
en [aangever 2] te gooien;
05.227496.25
feit 1
op 22 juni 2025 te Zwolle [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen
- “ Als jij meedoet met dat kanker informantenstelsel GGZ centraal, gaan er
kankerkoppen vallen” en
- “ Als je er aan meedoet heb ik het recht om je een kankerkogel te geven, die geef ik
persoonlijk” en
- “ Ik heb adres van je moeder en inmiddels je eigen kankeradres”.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten zijn strafbaar gesteld als:
16.261796.25
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
05.227496.25
feit 1
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (veelplegers) voor de duur van twee jaar (de ISD maatregel).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat niet is voldaan aan de harde criteria voor de oplegging van de ISD maatregel. Daarnaast vindt de advocaat dat deze maatregel niet geschikt is voor de verdachte. De enige juiste maatregel is in de visie van de advocaat tbs met dwangverpleging met een maximale duur van vier jaar.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van twee maanden. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Gelet op al deze omstandigheden ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie en de advocaat, geen mogelijkheid voor de oplegging van een maatregel.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen. Hij heeft meerdere doodsbedreigingen geuit en met een zwaar kettingslot in de richting van twee personen gegooid. Ook dat laatste is zeer bedreigend, ook al stonden deze personen in een raamopening op de eerste verdieping Als de ketting de personen had geraakt, had dit tot (zwaar) lichamelijk letsel kunnen leiden.
De twee personen die naast woordelijke bedreigingen het kettingslot in hun richting gegooid kregen, waren ogenschijnlijk willekeurige personen. Zij zijn erg geschrokken van de woorden en het gedrag van de verdachte, zo is in hun verklaringen te lezen. Één van hen had de verdachte aangesproken op het maken van lawaai. De rechtbank vindt de reactie van de verdachte hierop kwalijk en zorgelijk.
Het andere slachtoffer was de mentor en bewindvoerder van de verdachte. Hij zet zich in voor de verdachte en kent hem goed. Hij is dus ook bekend met het onvoorspelbare gedrag van de verdachte en is bang dat waanideeën de verdachte ertoe kunnen brengen om het gedrag waarmee hij dreigt daadwerkelijk uit te voeren. Dat maakt de bedreigingen voor hem heel reëel en angstig.
Met deze gevoelens van de slachtoffers heeft de verdachte geen rekening gehouden. Hij heeft telkens alleen zijn eigen frustratie en woede op de voorgrond gesteld.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het meest recente strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de verdachte blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Naast veroordelingen voor bedreigingen staan er bovendien veroordelingen voor vernielingen en beledigingen op zijn strafblad. De bedreiging op 4 oktober 2025 vond plaats kort na een eerdere veroordeling door de rechtbank Gelderland van 16 september 2025 voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, een vernieling en een brandstichting. De verdachte liep toen ook in de proeftijd van deze veroordeling. Op 30 september 2025, slechts enkele dagen voor de bedreiging van 4 oktober 2025, was de verdachte vrijgekomen. Er is dus sprake van herhaling van delictgedrag.
Aan die herhaling van het delictgedrag ligt vermoedelijk hardnekkige persoonlijkheidsproblematiek ten grondslag. De verdachte is bekend met een lange hulpverleningsgeschiedenis en eerder zijn bij hem ook de diagnoses ADHD, autisme, schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis en stoornis in het gebruik van alcohol en drugs (o.a. speed, cocaïne) gesteld. De verdachte was niet bereid om in het kader van deze strafzaak mee te werken aan Pro Justitia onderzoek van het NIFP en is daarom ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC).
Naar aanleiding van deze observatie heeft het PBC op 29 april 2026 een rapport opgemaakt. De verdachte heeft daaraan naar vermogen meegewerkt. Belemmerend voor zijn medewerking waren zijn zeer geringe verdraagzaamheid en frustratietolerantie en daarnaast een continue zucht naar allerlei gedragsbeïnvloedende middelen, waaronder medicatie, wat maakt dat hij moeilijk in staat was om lange en confronterende onderzoeksgesprekken aan te gaan. Met de grote hoeveelheid dossierinformatie over zowel de behandelgeschiedenis van de verdachte als zijn justitiële verleden en met de informatie van de mentor en familie van de verdachte, was het toch mogelijk voor de deskundigen om de onderzoeksvragen te beantwoorden.
Geconcludeerd is dat bij de verdachte sprake is van een neurobiologische ontwikkelingsstoornissen. Vanaf zijn geboorte en verdere ontwikkeling kwamen kenmerken naar voren van de (ook destijds) vastgestelde autismespectrumstoornis (ASS) en aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteit stoornis (ADHD). De beperkingen voortkomend uit deze stoornissen in de vorm van prikkelgevoeligheid, gebrekkige impulsbeheersing, emotieregulatieproblemen met forse driftaanvallen, beperkte sociale cognitie, rigiditeit, onrust en een korte aandachtsspanne zijn - ondanks de ingezette interventies gedurende zijn gehele levensloop - tot heden aanwezig gebleven en dragen bij aan de (forse) gedragsproblemen die door de jaren heen zijn opgetreden. De vastgestelde stoornissen van de verdachte zijn volgens het rapport van het PBC chronisch van aard en hiermee ook aanwezig ten tijde van de feiten waarvan hij wordt beschuldigd. Bij de verdachte is volgens de rapporteurs sprake van een verminderd vermogen om zijn eigen gedrag te controleren en te sturen. De stoornissen hebben dus ook invloed gehad op de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Daarom adviseren de deskundigen om de feiten in ten minste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
De inschatting van de deskundigen is verder dat sprake is van een hoge kans op herhaling van soortgelijk delictgedrag. Zij constateren ook dat de eerdere professionele ondersteuning en plannen, ondanks langdurige inzet van de GGZ, onvoldoende zijn gebleken om herhaling van delictgedrag te kunnen voorkomen. In het patroon van delictgedrag zoals dat zich al jarenlang herhaalt is echter geen toename of escalatie in de ernst van het geweld zichtbaar. Het toekomstig risico op ernstig lichamelijk letsel wordt dan ook ingeschat als laag.
De chronische en complexe psychopathologie van de verdachte vraagt volgens de deskundigen om een langdurig intensieve structurering en behandeling. Adequate medicamenteuze behandeling is noodzakelijk, net als voortdurende controle op en behandeling van middelengebruik. Een langdurig verblijf in een gesloten forensische setting is daarvoor nodig. Een kader met voorwaarden is volgens de deskundigen niet haalbaar, omdat het juist inherent is aan de pathologie van de verdachte dat hij zich niet aan voorwaarden zal houden. Als optie die past bij de aard van de delicten noemen zij de ISD-maatregel. Als alternatief is volgens deskundigen uitsluitend de maatregel tbs met dwangverpleging mogelijk.
De reclassering is vervolgens verzocht te onderzoeken of de oplegging van de ISD-maatregel haalbaar is. De reclassering heeft daarop negatief geadviseerd. De reclassering vindt de ISD-maatregel niet passend voor de verdachte, omdat de verdachte vanwege zijn psychiatrische problematiek gebaat is bij een intensieve en langdurige klinische behandeling en de maximumtermijn van de ISD-maatregel van twee jaar daaraan in de weg staat. De ISD-maatregel is bovendien in de eerste plaats gericht op het beschermen van de maatschappij en het doorbreken van het patroon van herhaling van delictgedrag. Behandeling en begeleiding kunnen onderdeel zijn van deze maatregel, maar dit is niet het uitgangspunt. De reclassering is van mening dat enkel het doorbreken van het patroon van herhaling van delictgedrag in dit geval niet afdoende is.
De reclassering heeft het risico op herhaling van delictgedrag met kans op letsel hoger ingeschat dan het PBC, namelijk op gemiddeld. Zij wijzen op het feit dat de verdachte in het verleden meerder keren voor geweld is veroordeeld en daarnaast ook brand heeft gesticht in zijn kamer tijdens zijn verblijf in een instelling. Volgens de reclassering is niet uit te sluiten dat de verdachte opnieuw zal overgaan op het gebruik van geweld als niet wordt voldaan aan zijn wensen.
Straf- en maatregelenkader
De rechtbank constateert dat bij de verdachte sprake is van complexe persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarvoor intensieve en langdurige hulp nodig heeft, maar moet tegelijkertijd ook concluderen dat de mogelijkheden die de wet in het kader van deze strafzaak daarvoor biedt beperkt zijn.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de oplegging van de ISD-maatregel een adequate reactie is. De adviezen hierover zijn tegenstrijdig. De rechtbank beantwoordt die vraag, net als de reclassering en de advocaat, ontkennend. De rechtbank benadrukt dat de ISD-maatregel in de eerste plaats is gericht op bescherming van de maatschappij. Gedragsverandering komt op de tweede plaats. De tijd en ruimte die aan die gedragsverandering kunnen worden besteed, zullen bij oplegging van de ISD-maatregel dan ook beperkt zijn. Gelet op deze beperkte tijd en ruimte, in combinatie met de complexe persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat de gewenste gedragsverandering binnen de mogelijkheden van de ISD-maatregel kan worden bereikt.
Beantwoording van de vraag of de verdachte aan de gestelde harde criteria voor oplegging van de ISD-maatregel heeft voldaan (met het oog op een aantal voorwaardelijke straffen) is, gelet op het voorgaande, niet meer nodig. De rechtbank merkt op dat bij aanhoudende recidive het belang van behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek wel minder zwaar gaat wegen ten opzicht van het belang van bescherming van de maatschappij.
De advocaat heeft verzocht de maatregel tbs met dwangverpleging op te leggen. De deskundigen van het PBC hebben deze maatregel als alternatieve en enig resterende mogelijkheid benoemd. Met de verdachte heeft de rechtbank deze mogelijke maatregel niet kunnen bespreken omdat hij toen de zittingszaal al had verlaten (zie hierna). In het PBC rapport valt echter te lezen dat hij zelf liever geen tbs krijgt.
Oplegging van de tbs-maatregel vindt de rechtbank net als de ISD-maatregel niet passend. Er is sprake van een veroordeling voor met name woordelijke bedreigingen. Voor de oplegging van de maatregel tbs moet aan het gevaarscriterium zijn voldaan. Alleen wanneer de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de tbs-maatregel worden opgelegd. Hoewel de tbs-maatregel ook kan worden opgelegd wegens een veroordeling voor bedreiging, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank wel nodig dat van de verdachte een zodanig gevaar uit gaat dat dit de oplegging van die zware maatregel rechtvaardigt. De oplegging moet dus ook proportioneel zijn. Voor de beoordeling daarvan is met name het recidive risico op geweld van belang. Op zitting is het recidivegevaar uitvoerig met de deskundigen besproken, nadat ook de rechtbank heeft kunnen constateren dat de verdachte snel boos kan worden en dan – ogenschijnlijk – helemaal vast kan raken in die boosheid. Tijdens het bespreken van de beschuldigingen raakte de verdachte namelijk dusdanig gefrustreerd dat hij al snel de zittingszaal verliet en nadien ook niet meer terug wilde komen. De reclasseringswerker heeft op zitting toegelicht waarom hij tot een gemiddeld risico op geweldsdelicten komt. Hij gaf desgevraagd aan dat hij ook woordelijke bedreigingen onder de noemer geweld schaart (verbaal geweld), zodat sprake is van meerdere veroordelingen voor geweld. De psycholoog en psychiater gaven op zitting te kennen dat de verdachte kampt met een zeer gebrekkige emotieregulatie. Hij raakt snel gefrustreerd. In zo’n geval gaat hij schelden, bedreigen en met spullen gooien. In die context ziet de rechtbank ook het slaan tegen de brievenbus en het gooien met het kettingslot in deze zaak. Volgens de psycholoog en psychiater heeft de verdachte niet de intentie om anderen pijn te doen. Zij denken niet dat het geweld zal escaleren, en blijven daarom bij hun eerdere beoordeling van een laag risico op ernstig lichamelijk letsel.
De rechtbank constateert dat de verdachte slechts eenmaal voor een geweldsdelict is veroordeeld. Dat ging om een eenvoudige mishandeling. Uit het strafblad van de verdachte kan worden opgemaakt dat zijn snel oplopende frustratie telkens uitmondt in bedreigingen, beledigingen en vernielingen. De rechtbank is dan ook, met de psycholoog en psychiater, van oordeel dat het risico op (zwaar) lichamelijk letsel als vrij beperkt moet worden ingeschat. Hoewel het waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd is totdat een volgend incident zich aandient zodra de verdachte vrij is, wordt de kans dat dit een geweldsincident zal zijn niet groot ingeschat. Alles overwegende vindt de rechtbank de oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging in deze zaak en op dit moment niet proportioneel.
Hoewel deze uitkomst voor de verdachte (die hulp nodig heeft) en de samenleving (die wel enige bescherming tegen de verdachte behoeft) onbevredigend is, resteert na dit alles echter alleen de oplegging van een kale gevangenisstraf. Deze strafmodaliteit past bij de ernst van de feiten. Voor de hoogte van de gevangenisstraf kijkt de rechtbank naar straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd.
De rechtbank vindt in dit geval strafverhogend dat de verdachte vaker voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank houdt tegelijkertijd rekening met de veroordeling van de rechtbank Gelderland van 16 september 2025. Die veroordeling is namelijk van na de datum van de bedreiging van 22 juni 2025, waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld. Dat heeft een strafmatigend effect.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twee maanden.
De voorlopige hechtenis
De duur van de gevangenisstraf die de rechtbank oplegt is korter dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank heft de voorlopige hechtenis daarom op met ingang van de datum van dit vonnis.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 05.024060.25 op 16 september 2025 een gevangenisstraf opgelegd van negen maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf toewijst.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De in dit vonnis bewezen feiten zijn tijdens de lopende proeftijd gepleegd. Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte de aan hem opgelegde voorwaarde overtreden dat hij voor het einde van de proeftijd geen strafbaar feit zou plegen. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toe en beslist dat de verdachte het voorwaardelijke deel van de straf alsnog moet ondergaan.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de wetsartikelen 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
-

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 05.227496.25 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit op de dagvaarding met parketnummer 16.261796.25 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 05.227496.25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (05.024060.25)
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland bij vonnis van 16 september 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand;
voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de datum van dit vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Terstegge, voorzitter, mr. J.P. Verboom en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Raedts als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16.261796.25
hij op of omstreeks 4 oktober 2025 te Amersfoort
[aangever 1] en/of [aangever 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- die [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "hou je
kankerbek, moet ik dit ding anders naar je toegooien" en/of "kankermongolen, ik
maak jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- tweemaal, althans een of meermalen een kettingslot richting die [aangever 1]
en/of [aangever 2] te gooien/werpen;
05.227496.25
feit 1
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Zwolle, althans in Nederland,
[aangever 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen
- “ Als jij meedoet met dat kanker informantenstelsel GGZ centraal, gaan er
kankerkoppen vallen” en/of
- “ Als je er aan meedoet heb ik het recht om je een kankerkogel te geven, die geef ik
persoonlijk” en/of
- “ Ik heb adres van je moeder en inmiddels je eigen kankeradres”,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 2
hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Zwolle, althans in Nederland,
[aangever 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen
- “ Als er ook maar 1 verkeerde overboeking naar een ander persoon tussen zit dan
krijg je een kankerkogel” en/of
- “ Je hebt een kankerprobleem als ik mijn rekeningafschriften niet krijgt want ik heb
daar recht op kankerhoerenzoon”,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Voetnoten

2.Pag. 5
3.Pag. 6
4.Pag. 10
5.Pag. 5
6.Pag. 30