Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 17 februari 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord van 9 maart 2026, met producties,
- de aanvullende producties van [eiser] ,
- de brief waarin de mondelinge behandeling is bepaald.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser huurde van augustus 2024 tot juli 2025 een opslagloods van gedaagde en betaalde een waarborgsom van € 2.300,00. Na afloop vorderde eiser de terugbetaling van deze waarborgsom, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten, omdat gedaagde deze niet had terugbetaald.
Gedaagde stelde dat hij de waarborgsom mocht verrekenen wegens olievlekken veroorzaakt door de bakwagen van eiser, vermeende houtworm- of boktorbesmetting van de houten constructie door de meubels van eiser, en het gebruik van de opslagruimte als showroom met overlast. Tevens stelde hij dat er nog servicekosten openstonden.
De kantonrechter oordeelde dat geen schade was vastgesteld die verrekening rechtvaardigde. De olievlekken waren door eiser schoongemaakt en gedaagde had geen bewijs van achtergebleven schade geleverd. Het vermoeden van houtworm/boktor was onvoldoende onderbouwd en het gebruik als showroom was niet verboden en niet relevant voor de waarborgsom. De achteraf opgelegde servicekosten konden niet worden verrekend omdat hierover geen afspraken waren gemaakt.
Daarom werd gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom met wettelijke rente vanaf 10 februari 2026, betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 345,00 en de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Verhuurder moet waarborgsom inclusief wettelijke rente en incassokosten terugbetalen wegens ontbreken van schade en onrechtmatige servicekosten.