ECLI:NL:RBMNE:2026:4213

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
12131127 \ UC EXPL 26-2065
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling waarborgsom opslagloods na huurperiode zonder schade

Eiser huurde van augustus 2024 tot juli 2025 een opslagloods van gedaagde en betaalde een waarborgsom van € 2.300,00. Na afloop vorderde eiser de terugbetaling van deze waarborgsom, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten, omdat gedaagde deze niet had terugbetaald.

Gedaagde stelde dat hij de waarborgsom mocht verrekenen wegens olievlekken veroorzaakt door de bakwagen van eiser, vermeende houtworm- of boktorbesmetting van de houten constructie door de meubels van eiser, en het gebruik van de opslagruimte als showroom met overlast. Tevens stelde hij dat er nog servicekosten openstonden.

De kantonrechter oordeelde dat geen schade was vastgesteld die verrekening rechtvaardigde. De olievlekken waren door eiser schoongemaakt en gedaagde had geen bewijs van achtergebleven schade geleverd. Het vermoeden van houtworm/boktor was onvoldoende onderbouwd en het gebruik als showroom was niet verboden en niet relevant voor de waarborgsom. De achteraf opgelegde servicekosten konden niet worden verrekend omdat hierover geen afspraken waren gemaakt.

Daarom werd gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom met wettelijke rente vanaf 10 februari 2026, betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 345,00 en de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verhuurder moet waarborgsom inclusief wettelijke rente en incassokosten terugbetalen wegens ontbreken van schade en onrechtmatige servicekosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12131127 \ UC EXPL 26-2065
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 2 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Van Loon Incasso Advocaten,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, bijgestaan door mr. X.A. Koehoorn als griffier.

1.De procedure

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 17 februari 2026, met producties,
  • de conclusie van antwoord van 9 maart 2026, met producties,
  • de aanvullende producties van [eiser] ,
  • de brief waarin de mondelinge behandeling is bepaald.
1.2
Op 2 juli 2026 is de zaak besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting). Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Bij de mondelinge behandeling was [eiser] aanwezig met zijn partner en schoonvader. [gedaagde] was ook aanwezig met zijn partner. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak is hieronder opgenomen onder paragraaf 3 en 4. Paragraaf 1 en 2 zijn toegevoegd voor de duidelijkheid.

2.Waar deze zaak over gaat

2.1
[eiser] heeft van 1 augustus 2024 tot en met 31 juli 2025 een opslagloods gehuurd van [gedaagde] om daar houten meubels in te stallen, die hij via zijn bedrijf verkoopt. [eiser] heeft aan [gedaagde] een waarborgsom van € 2.300,00 betaald. [eiser] heeft [gedaagde] (schriftelijk) gevraagd om de waarborgsom terug te betalen, maar dat is nog niet gebeurd. Daarom vordert [eiser] de waarborgsom, de wettelijke rente daarover en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 345,00) van [gedaagde] .
2.2
[gedaagde] is van mening dat hij de waarborgsom niet hoeft terug te betalen, omdat [eiser] volgens hem schade heeft veroorzaakt aan de opslagruimte en er nog servicekosten moeten worden betaald. Het totaal bedrag is hoger dan de waarborgsom. Volgens [gedaagde] heeft de bakwagen van [eiser] olie gelekt op de betonplaten waar [eiser] parkeerde en heeft [eiser] dit niet goed schoongemaakt. De herstelkosten daarvan zijn volgens [gedaagde] € 1.200,00. Daarnaast heeft [gedaagde] het vermoeden dat er houtworm of boktor zit in de houten meubels die [eiser] verkoopt en dat deze ook in de houten constructie van de opslagruimte zijn gekomen en deze hebben aangetast. De herstelkosten daarvan zijn meer dan € 2.500,00. Verder voert [gedaagde] aan dat de opslagruimte zonder zijn toestemming is gebruikt als showroom en daardoor had hij naar eigen zeggen last van bezoekers die op zijn privéterrein kwamen. Tot slot moet [eiser] volgens [gedaagde] nog servicekosten betalen. Die heeft [gedaagde] achteraf berekend op € 1.800,00 per jaar. [eiser] betwist al deze verweren van [gedaagde] .

3.De mondelinge uitspraak

[gedaagde] moet de waarborgsom terugbetalen aan [eiser]
3.1
De kantonrechter stelt voorop dat een waarborgsom het doel heeft om [gedaagde] financiële zekerheid te geven als bij de oplevering van de opslagruimte blijkt dat er schade is en er dus reden is om die kosten te verrekenen. Omdat er geen schade kan worden vastgesteld, moet de waarborgsom worden terugbetaald aan [eiser] .
Geen schade die [gedaagde] mocht inhouden op de waarborgsom
3.2
[eiser] en [gedaagde] hebben geen gezamenlijke eindinspectie of oplevering gehouden. [eiser] heeft de opslagruimte leeggehaald en in samenspraak met [gedaagde] de sleutels in de ruimte achtergelaten. Naderhand heeft [gedaagde] niks gezegd tegen [eiser] over dat er iets kapot of beschadigd was of dat nog iets gedaan moest worden aan de opslagruimte.
3.3
[gedaagde] heeft drie redenen/schades genoemd waarom hij de waarborgsom niet terug hoeft te betalen: 1. de olievlekken op de betonplaten door de bakwagen van [eiser] , 2. de houtworm/boktor uit de houten meubels heeft vermoedelijk de houten constructie van de opslagruimte aangetast en 3. de opslagruimte werd als showroom gebruikt en daar had [gedaagde] last van. De kantonrechter legt hierna uit waarom deze argumenten van [gedaagde] niet slagen.
1. De olievlekken heeft [eiser] in december 2024 schoongemaakt en [gedaagde] heeft naderhand, in 2024 en ook na de oplevering, niet geklaagd dat [eiser] dit niet goed zou hebben gedaan. De overgelegde foto’s zijn, zo blijkt uit de producties van [eiser] , dezelfde als van toen de vlekken voor het eerst gesignaleerd waren. [gedaagde] heeft geen foto’s van de huidige situatie laten zien, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen hoe de vlekken eruit zagen na het schoonmaken. [gedaagde] heeft ook geen berichten aan [eiser] overgelegd waaruit blijkt dat het nog niet goed was of waarin hij vraagt om de vlekken beter schoon te maken, zodat [eiser] erop mocht vertrouwen dat het goed genoeg opgelost was.
2. [gedaagde] stelt ‘een vermoeden’ van houtworm en boktor in de houtconstructie van de opslagruimte door de meubels van [eiser] , maar dat er houtworm of boktor in de meubels van [eiser] zaten en dat deze de houten constructie van de opslagruimte hebben aangetast heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Uit de foto’s van plekjes op de houten balken van de opslagruimte volgt niet dat deze plekjes het gevolg zijn van houtworm of boktor, laat staan dat duidelijk is wanneer deze plekjes zijn ontstaan en of de meubels van [eiser] dit hebben veroorzaakt. Daarbij komt dat [eiser] op de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij houtworm en boktor altijd preventief bestrijdt als hij al een vermoeden heeft dat dit in een meubel zou kunnen zitten.
3. Dat [eiser] de opslagruimte als een showroom had ingericht en [gedaagde] overlast had van de bezoekers daarvan, heeft [gedaagde] ook onvoldoende onderbouwd, nog los van dat de waarborgsom daar niet op ziet. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar erkend dat er weleens een bezoeker heeft aangebeld bij de woning van [gedaagde] omdat deze de weg naar de opslagruimte niet kon vinden, maar [eiser] en [gedaagde] zijn het er ook over eens dat zij hadden afgesproken dat mensen langs mochten komen bij de opslagruimte om gekochte meubels op te halen. In het dossier zitten verder geen aanknopingspunten waaruit volgt dat [eiser] voor een andere reden dan het ophalen van meubels mensen naar de opslagruimte liet komen.
[gedaagde] mag de servicekosten niet achteraf in rekening brengen
3.4
[gedaagde] heeft achteraf, nadat [eiser] de waarborgsom had teruggevraagd, servicekosten vastgesteld op € 1.800,00 per jaar en hij vindt dat hij dit kan verrekenen met de waarborgsom. Dit beroep op verrekening slaagt niet. In de huurovereenkomst staat weliswaar dat service- en energiekosten ‘NTB’ (nader te bepalen) zijn, maar dat is geen vrijbrief voor [gedaagde] om deze kosten naderhand (zonder deugdelijke onderbouwing) zelf te bepalen. Over deze kosten had [gedaagde] als verhuurder vooraf afspraken over moeten maken met [eiser] , maar dat heeft hij niet gedaan. Los daarvan is de waarborgsom ook niet bedoeld om eventuele servicekosten mee te verrekenen.
Conclusie
3.5
[eiser] vordert de waarborgsom terecht terug en [gedaagde] moet deze terugbetalen. [eiser] heeft de wettelijke rente hierover tot aan 10 februari 2026 berekend op € 45,12. Dit bedrag wordt toegewezen. De wettelijke rente vanaf 10 februari 2026 wordt ook toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
3.6
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 345,00 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.7
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,16
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
253,00
(1 punt × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
774,66
Uitvoerbaar bij voorraad
3.8
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroept instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.345,12, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.300,00, met ingang van 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 345,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 774,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.