Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[gedaagde sub 1] B.V.,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
3.
[gedaagde sub 3] B.V,,
1.De procedure
- dagvaarding met producties 1 t/m 12;
- akte overlegging producties 13 t/m 15;
- conclusie van antwoord met producties 1 t/m 11.
- de heer [A] , enig bestuurder en aandeelhouder van [eiseres] ;
- mr. Verberkmoes-Cota;
- mr. Martens;
- de heer [B] , enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 1] en indirect bestuurder van [gedaagde sub 3] ;
- de heer [C] , enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 2] en indirect bestuurder van [gedaagde sub 3] ;
- mr. Passer.
- a) gedeeltelijk mondeling uitspraak gedaan, namelijk ten aanzien van de vorderingen onder I, III en VI, en
- b) de inhoudelijke behandeling van de rest van de vorderingen aangehouden tot vrijdag 3 juli 2026 om 9:00 uur,
- c) waarbij het (verder) verkennen van een (tijdelijke) regeling kan, maar niet hoeft.
- a) omdat het gaat om een spoed kort geding, omdat de algemene vergadering voor morgen is gepland, zodat er vandaag op in ieder geval vordering I moest worden beslist,
- b) omdat de zitting al drie uur duurde, zodat er geen tijd meer is voor verder overleg over een (tijdelijke) regeling of verdere inhoudelijke behandeling en
- c) de rechter na lezing van alleen de dagvaarding al tot de conclusie was gekomen dat de vorderingen onder I en III zich niet voor toewijzing lenen, en uit het feit dat de vorderingen onder VI niet worden erkend al volgt dat die ook niet kunnen worden toegewezen.