ECLI:NL:RBMNE:2026:4202

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/16/589273 / HA ZA 25-117
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldleningsovereenkomsten: terugbetaling, rente, boete en incassokosten

In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van openstaande bedragen uit twee geldleningsovereenkomsten die gedaagden met haar zijn aangegaan voor de aankoop van een perceel grond. Gedaagden hebben een deel afgelost, maar blijven een substantieel bedrag schuldig. Daarnaast vordert eiseres contractuele rente en een boete wegens niet-tijdige terugbetaling.

Gedaagden voeren verweer met een beroep op vernietiging van de bepalingen over rente en boete wegens misbruik van omstandigheden, stellende dat zij economisch afhankelijk waren en onder druk de leningen zijn aangegaan. Ook wordt matiging van de boete gevorderd en verrekening met betalingen voor goederen en diensten die gedaagden voor eiseres hebben verricht.

De rechtbank oordeelt dat gedaagden de leningen moeten terugbetalen, verminderd met erkende verrekeningen. Het beroep op vernietiging van de rente- en boetebepalingen faalt, omdat partijen bewust en onderhandelingsovereenkomst deze afspraken zijn aangegaan, waarbij gedaagden zelfs het boetepercentage zelf hebben voorgesteld. Matiging van de boete wordt eveneens afgewezen vanwege het ontbreken van een buitensporig resultaat. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten toegewezen. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de genoemde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van de leningen met rente, boete, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/589273 / HA ZA 25-117
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.
v.h.o.d.n. [handelsnaam] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R.A.F. Willems,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
3.
[gedaagde sub 3],
te [plaats] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
en afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] in persoon en [gedaagde sub 3] ,
advocaat: onttrokken (voorheen: mr. J. Smael).

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 25 februari 2025, met producties 1 tot en met 13,
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2,
  • de akte tot het in het geding brengen van producties tevens vermeerdering van eis van [eiseres] , met producties 14 en 15,
  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
  • de akte tot het in het geding brengen van producties tevens wijziging van eis van [eiseres] , met productie 16,
  • de akte tot het in het geding brengen van producties van [eiseres] , met productie 17.
1.2
Met het bericht (B-formulier) van 25 januari 2026 heeft mr. J. Smael zich als advocaat aan de zaak onttrokken. In dit bericht staat dat hij [gedaagden] over de gevolgen daarvan heeft geïnformeerd. De zaak is daarna naar de rol verwezen voor het stellen van een nieuwe advocaat. Voor [gedaagden] heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de mondelinge behandeling doorgang zou vinden.
1.3
Op 15 mei 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Hierbij waren namens [eiseres] aanwezig de heer [A] en de bovengenoemde advocaat. Aan de zijde van [gedaagden] is niemand verschenen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.4
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] en [gedaagden] hebben twee geldleningsovereenkomsten gesloten, zodat [gedaagden] een perceel grond van [eiseres] kon kopen voor projectontwikkeling. [gedaagden] heeft een deel van de geldleningen terugbetaald. [eiseres] vordert nu (terug)betaling van de nog openstaande bedragen en betaling van de contractuele rente en de contractuele boete. [gedaagden] voert verweer. Hij beroept zich onder meer op vernietiging van de contractuele bepalingen over de rente en de boete en op matiging van de gevorderde boete. Ook doet hij een beroep op verrekening met andere betalingen die hij voor [eiseres] heeft gedaan. Het gelijk ligt grotendeels bij [eiseres] . [gedaagden] moet daarom de geldleningen aan [eiseres] terugbetalen. De rechtbank licht dat hieronder toe.

3.De beoordeling

Vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagde partijen
3.1
[gedaagde sub 3] heeft, hoewel op de juiste manier gedagvaard met inachtneming van de voorgeschreven termijn en formaliteiten, niet gereageerd of om uitstel verzocht. De conclusie van antwoord is namelijk alleen ingediend namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in persoon. Daarom wordt tegen [gedaagde sub 3] verstek verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 Rv Pro geldt dit vonnis toch als een vonnis op tegenspraak tegen zowel [gedaagde sub 1] en [gedaagden] in persoon als [gedaagde sub 3] .
[gedaagden] moet de geldleningen terugbetalen
3.2
Partijen hebben twee geldleningsovereenkomsten gesloten. Tussen partijen is niet in geschil dat de geldleningen aan [eiseres] moeten worden terugbetaald en dat [gedaagden] daarvoor hoofdelijk kan worden aangesproken.
3.3
[gedaagden] heeft op 21 februari 2024 een bedrag van € 1.000.000,- van [eiseres] geleend (lening 1) dat uiterlijk op 30 september 2024 moest zijn afgelost. Daarvan heeft [gedaagden] volgens [eiseres] nog maar een bedrag van € 413.000,- afgelost. [eiseres] heeft dit met bankrekeningafschriften onderbouwd. Volgens [gedaagden] heeft hij € 5.000,- meer afgelost, maar hij heeft nagelaten die extra aflossing met bankafschriften te onderbouwen. Dit mocht wel van hem worden verwacht, juist omdat de ontvangen aflossingen door [eiseres] wel met stukken zijn onderbouwd. Dat [gedaagden] op lening 1 nog eens € 5.000,- extra heeft afgelost, komt dan ook niet vast te staan.
3.4
[gedaagden] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voor het aangaan van lening 1 allerlei goederen en diensten voor [eiseres] heeft betaald om ervoor te zorgen dat [eiseres] de verkoop van het perceel zou laten doorgaan. Deze betalingen wenst hij te verrekenen met de af te lossen geldbedragen. [gedaagden] heeft ter onderbouwing van deze verrekening een aantal door hem betaalde facturen overgelegd. [eiseres] heeft deze betalingen tot een bedrag van € 50.373,33 erkend. Op zitting heeft [eiseres] toegelicht dat [gedaagden] deze betalingen niet heeft gedaan onder druk van [eiseres] of als compensatie voor de op dat moment opgelopen vertraging, en dat hij bereid is deze bedragen in mindering te brengen op de geldleningen. Nu deze betalingen voor aanvang van lening 1 zijn gedaan, brengt [eiseres] deze betalingen kennelijk daarop in mindering. Dat betekent dat [gedaagden] nog een bedrag van € 536.626,67,- (€ 1.000.000,- – € 50.373,33 – € 413.000,-) aan [eiseres] voor lening 1 moet terugbetalen.
3.5
Op 19 maart 2024 heeft [eiseres] nog eens een bedrag van € 200.000,- aan [gedaagden] geleend (lening 2) dat ook op uiterlijk 30 september 2024 volledig moest zijn afgelost. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] daarop geen aflossingen heeft gedaan. [gedaagden] moet dit hele bedrag dus terugbetalen.
De contractuele bepalingen over de rente en de boete worden niet vernietigd
3.6
In beide geldleningen is een contractuele rente van 1% per maand afgesproken, per maand vooraf te betalen. [eiseres] vordert daarom de contractuele rente over beide leningen vanaf 1 maart 2024. [eiseres] vordert ook betaling van de contractuele boete van € 15.000,- (€ 1,5% van de hoofdsom) per maand over lening 1.
3.7
[gedaagden] vordert vernietiging van de contractuele bepalingen over de contractuele rente en boete in beide leningsovereenkomsten op grond van misbruik van de omstandigheden. Volgens [gedaagden] is de overeenkomst aangegaan onder grote druk van [eiseres] . [eiseres] wist dat [gedaagden] niet de financiële middelen had om het perceel af te nemen en dat hij dus genoodzaakt was om de geldleningen aan te gaan. Anders zou [eiseres] de spreekwoordelijke stekker uit de overdracht van het perceel trekken. Hierdoor bevond [gedaagden] zich in een economisch afhankelijke positie en voelde hij zich niet vrij om over de voorwaarden van de geldleningen te onderhandelen, aldus [gedaagden] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] dit uitgebreid weersproken. [eiseres] heeft uitgelegd dat beide partijen bij het aangaan van de leningen niet zijn bijgestaan door een advocaat, maar dat [gedaagden] wel werd ondersteund door een financieel adviseur. Partijen hebben bovendien gezamenlijk over de voorwaarden onderhandeld, waaronder de bepaling van de contractuele rente en de boete. [eiseres] heeft bij het aangaan van de leningen zelfs aangeboden – voor het geval [gedaagden] niet kon betalen – het perceel terug te nemen, maar dat wilde [gedaagden] niet. Volgens [eiseres] wilde [gedaagden] de transactie koste wat het kost laten doorgaan en zijn de geldleningsovereenkomsten en de daarin opgenomen rentebepalingen en boetebepaling heel bewust aangegaan. Daarbij is nog van belang dat [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat [gedaagden] het boetepercentage in de onderhandelingen juist zelf had aangedragen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagden] het boetepercentage genoemd en daarbij aangegeven dat de hoogte van de boete hem niet uitmaakt, omdat hij toch alles op tijd zou betalen en een boete dus hoe dan ook niet zou spelen. [gedaagden] was niet aanwezig op de mondelinge behandeling en heeft dit niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [eiseres] , leveren de door [gedaagden] aangevoerde omstandigheden zonder verdere uitleg geen misbruik van omstandigheden op. [gedaagden] heeft deze nadere uitleg niet gegeven. Het beroep op vernietiging van de bepalingen over de contractuele rente en de boete slaagt dus niet.
Geen onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
3.8
[gedaagden] heeft daarnaast aangevoerd dat het beroep van [eiseres] op de contractuele rente en boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit verweer deelt hetzelfde lot, nu [gedaagden] daaraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De aangevoerde omstandigheden betreffen geen omstandigheden die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de rente en de boete te vorderen. [gedaagden] heeft in dit kader nog genoemd dat [eiseres] geen vergunning heeft voor het verstrekken van kredieten aan consumenten. Nog daargelaten dat [gedaagden] aan deze stelling geen conclusie heeft verbonden, is geen sprake van een consumentenkrediet. Het is namelijk een lening aan een onderneming ( [gedaagde sub 1] ) voor zakelijke doeleinden (koop van een perceel grond voor projectontwikkeling), waarbij [gedaagden] als de enige bestuurder en aandeelhouder ook hoofdelijk aansprakelijk is. [eiseres] had dus geen vergunning nodig voor het verstrekken van kredieten aan consumenten.
3.9
Dit betekent dat de bepalingen ten aanzien van de rente en de boete in stand blijven en kunnen worden ingeroepen.
[gedaagden] is de contractuele rente over de geldleningen verschuldigd
3.1
Gelet op het voorgaande is [gedaagden] de gevorderde contractuele rente over de geldleningen verschuldigd. Hierop moeten de door [gedaagden] gedane betalingen van de contractuele rente in mindering worden gebracht. Dat gaat volgens [eiseres] (gezien de omschrijvingen van de betalingen) om een bedrag van € 49.955,85 (7 x € 7.136,55) op lening 1 en een bedrag van € 13.300,- (7 x € 1.900,-) op lening 2, zoals ook volgt uit de overgelegde bankafschriften van [eiseres] en [gedaagden] die door [eiseres] tijdens de zitting zijn toegelicht en door [gedaagden] niet zijn weersproken.
De contractuele boete wordt niet gematigd
3.11
Door [gedaagden] is om matiging van de contractuele boete verzocht. Voor matiging van een contractuele boete is van belang dat de rechter daarin terughoudend moet zijn. Alleen als toepassing van de contractuele boete tot een buitensporig en dus onaanvaardbaar resultaat leidt, is er plaats voor matiging.
3.12
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aard van de geldleningen en de strekking en de totstandkoming van het boetebeding geen ruimte bieden voor matiging van de boete. In dit geval gaat het namelijk om twee professionele partijen. De tussen deze partijen gemaakte afspraken zijn daarom in principe leidend. Partijen hebben expliciet over de boetebepaling onderhandeld en volgens [eiseres] heeft [gedaagden] het boetepercentage zelf voorgesteld, wat [gedaagden] niet heeft weersproken. [gedaagden] werd bovendien bijgestaan door zijn financieel adviseur, waardoor hij de reikwijdte en de hoogte van de boete volledig kon inschatten. De formulering van de boetebepaling is duidelijk en ook het doel hiervan, namelijk een financiële prikkel tot terugbetaling van de geldleningen. Verder bieden ook de omstandigheden waaronder [eiseres] het boetebeding heeft ingeroepen geen ruimte tot matiging. [eiseres] heeft op zitting verklaard dat hij zich lange tijd coulant en coöperatief heeft opgesteld. [gedaagden] liet [eiseres] telkens weten dat ‘het’ goed zou komen en dat hij ( [gedaagden] ) zou gaan terugbetalen, maar verdere betalingen bleven sinds halverwege 2025 uit. [gedaagden] heeft nog aangevoerd dat de boete in geen enkele verhouding staat tot de hoofdsom. Maar, de rechtbank is van oordeel dat ook de verhouding tussen de hoofdsom en de boete geen ruimte bieden voor matiging van de boete. De boete loopt door zolang de lening niet volledig is afgelost. Deze boete komt iedere maand bovenop het geleende bedrag dat door [gedaagden] moet worden terugbetaald. Daartegenover staat dat [eiseres] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij voor het verstrekken van deze leningen ook zelf een lening heeft moeten afsluiten waarover hij rente moest betalen, zodat ook hij de nodige financiële risico’s heeft moeten dragen. Onder de gegeven omstandigheden, leidt toepassing van het boetebeding niet tot een buitensporig en dus onaanvaardbaar resultaat. Dit betekent dat de gevorderde contractuele boete over lening 1 wordt toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.13
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 6.775,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Conclusie
3.14
De door [gedaagden] aan [eiseres] te betalen bedragen worden als volgt vastgesteld:
  • € 536.626,67 voor lening 1, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 1 maart 2024,
  • € 15.000,- aan contractuele boete per maand over lening 1 vanaf 1 januari 2025,
  • € 200.000,- voor lening 2, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 1 maart 2024,
  • € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.15
De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen tot het betalen van de bedragen zoals genoemd in 3.14 waarop de terugbetalingen van € 49.955,85 aan rente op lening 1 en een bedrag van € 13.300,- aan rente op lening 2 in mindering moeten worden gebracht, met de bepaling dat artikel 6:44 BW Pro op de betalingen van toepassing is. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in staat zijn aan de hand hiervan zelf te (laten) berekenen welke betalingsverplichting voor [gedaagden] nog resteert.
De beslagkosten
3.16
[eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.280,33 voor kosten deurwaardersexploten. De gevorderde rente over de beslagkosten zal worden toegewezen.
De proceskosten
3.17
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,99
- griffierecht (incl. beslag)
6.861,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
16.424,99
3.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijke veroordeling
3.19
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen zoals opgesomd in de rechtsoverweging 3.14 en 3.15 en bepaalt dat op deze veroordeling artikel 6:44 BW Pro van toepassing is en dat de betalingen die [gedaagden] al heeft voldaan in mindering strekken,
4.2
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.280,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 16.424,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.