ECLI:NL:RBMNE:2026:4197

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
12081517 \ UC EXPL 26-834
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling tankbedrag en bijkomende kosten na tanken zonder betalen

In deze zaak vordert Stichting Serviceorganisatie Directe Aansprakelijkstelling (SODA) betaling van het tankbedrag, vermeerderd met schadevergoeding, wettelijke rente en incassokosten van gedaagde die brandstof heeft getankt zonder te betalen.

Gedaagde stelt dat het niet betalen een vergissing was door een administratieve fout en dat hij alleen voor snacks en sigaretten heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat het verweer van vergissing onvoldoende is onderbouwd.

SODA heeft gedaagde meerdere aanmaningen gestuurd, waaronder een brief waarin de forfaitaire schadevergoeding is gematigd. Gedaagde heeft niet betaald en ook niet aannemelijk gemaakt dat hij de aanmaningen niet heeft ontvangen.

De kantonrechter wijst de vordering toe tot een totaalbedrag van €155,01 plus wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025, €40 aan buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten van €367,28. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van tankbedrag, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten wegens tanken zonder betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12081517 \ UC EXPL 26-834 BJvd/61199
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
STICHTING SERVICEORGANISATIE DIRECTE AANSPRAKELIJKSTELLING (SODA),
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: SODA,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] heeft getankt zonder te betalen. SODA vordert in deze procedure betaling van het tankbedrag, vermeerderd met een schadevergoeding, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [gedaagde] gaat het om een vergissing en hoeft hij daarom het bedrag niet (meer) te betalen. [gedaagde] stelt dat hij wilde betalen voor het tanken, maar door een administratieve fout alleen heeft afgerekend voor de snacks en sigaretten. De kantonrechter wijst de vordering van SODA toe.

3.De beoordeling

[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst die tussen partijen is ontstaan
3.1
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] 12,83 liter brandstof heeft getankt voor € 20,00 bij tankstation BP Voordaan op 4 juni 2021. Met het tanken van [gedaagde] is er tussen partijen een overeenkomst ontstaan, waarbij aan de zijde van [gedaagde] de verplichting is ontstaan om te betalen voor de brandstof. Vast staat dat [gedaagde] niet heeft betaald voor de brandstof. Hiermee is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
Het verweer van [gedaagde] gaat niet op
3.2
[gedaagde] stelt dat er sprake is van een vergissing en dat hij daarom de vordering van SODA niet hoeft te betalen, hooguit dat hij alleen voor de brandstof en niet alle andere bijkomende kosten hoeft te betalen. Het niet betalen van [gedaagde] is in eerste instantie door SODA aangemerkt als vergissing, waarschijnlijk omdat [gedaagde] in de shop van het tankstation € 12,95 heeft afgerekend voor snacks en sigaretten en daarbij om onbekende een reden niet voor de tankbeurt heeft betaald. [gedaagde] stelt dat de reden voor het niet betalen een pinstoring of administratieve fout aan de zijde van SODA was. Volgens [gedaagde] mocht hij erop vertrouwen dat met zijn betaling aan de kassa de transactie was afgerond en dat de pompmedewerker ook de tankbeurt had aangeslagen aan de kassa. Dat [gedaagde] de overeenkomst niet is nagekomen is daarom volgens hem niet verwijtbaar. Ook vindt [gedaagde] het onredelijk dat hij nu alle bijkomende kosten moet betalen.
3.3
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de tankkosten en de schadevergoeding moet betalen. [gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn verplichting om de afgenomen brandstof te betalen. Dat het misschien niet zijn bedoeling is geweest om de brandstof niet te betalen, doet daar niet aan af. Op [gedaagde] rust namelijk de verantwoordelijkheid om na het tanken te zorgen dat hij betaalt voor de afgenomen brandstof. Dat er sprake was van een pinstoring of administratieve fout is niet gebleken. Van [gedaagde] had mogen verwacht dat hij deze stelling beter had onderbouwd, gelet op zijn verweer. Daar komt bij, dat SODA [gedaagde] de kans heeft gegeven om de vordering zonder onredelijke bijkomende kosten te betalen. Op 19 mei 2025 heeft SODA een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin hij wordt gesommeerd om alsnog voor de tankbeurt te betalen. Omdat het zou gaan om een vergissing is de forfaitaire schadevergoeding van € 131,00 door SODA in de brief gematigd tot € 29,50. Dit zijn de kosten die SODA namens het tankstation heeft moeten maken om de identiteitsgegevens van [gedaagde] te achterhalen en hem aan te schrijven. [gedaagde] heeft ook na deze sommatie niets betaald.
3.4
[gedaagde] stelt dat hij de brieven van SODA nooit heeft ontvangen, maar dat gaat niet op. SODA heeft gemotiveerd gesteld dat zij de herinneringen aan het bij haar bekende adres van [gedaagde] heeft verzonden. [gedaagde] staat op dit adres ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen. SODA mocht er daarom op vertrouwen dat [gedaagde] op dit adres te bereiken was en dat haar brieven [gedaagde] hebben bereikt. Ook de dagvaarding is op dit adres aan [gedaagde] betekend en heeft [gedaagde] bereikt. Andere omstandigheden waarom de brieven [gedaagde] niet zouden hebben kunnen bereikt zijn door [gedaagde] niet aangevoerd.
[gedaagde] moet de hoofdsom en de wettelijke rente daarover betalen
3.5
Aangezien betaling vanuit [gedaagde] uitbleef, heeft SODA de procedure doorgezet waarbij zij betaling van de tankkosten van € 20,00 en de volledige forfaitaire schadevergoeding van € 131,00 vordert. SODA heeft voldoende onderbouwd dat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. Volgens [gedaagde] is dit bedrag onvoldoende concreet en niet van toepassing op zijn situatie, maar uit de stukken van SODA blijkt dat zij onderzoek heeft gedaan naar het specifieke geval van [gedaagde], waarbij ook camerabeelden zijn opgevraagd en bekeken. Algemene kostenposten zoals het vaststellen van de brandstofdiefstal, aangifte doen en de administratieve handelingen die daarmee gepaard gaan zijn ook toewijsbaar, omdat aannemelijk is dat SODA deze kosten heeft gemaakt. Het forfaitaire bedrag is bovendien gematigd van € 187,50 naar € 131,00 en daarom niet onredelijk. De hoofdsom van € 151,00 zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.
3.6
Omdat [gedaagde] in verzuim is met betaling van de vordering, moet hij ook de wettelijke rente daarover betalen. Volgens SODA is de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot 20 augustus 2025 € 4,01 en [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025 zal worden toegewezen op de wijze zoals is genoemd in de beslissing.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.7
SODA vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. SODA heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Hierboven is al geoordeeld dat onvoldoende is gesteld dat [gedaagde] geen van de aanmaningen van SODA heeft ontvangen. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.8
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SODA worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
367,28
3.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan SODA te betalen een bedrag van € 155,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 151,00, met ingang van 20 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan SODA te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 367,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.