ECLI:NL:RBMNE:2026:4192

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
12052419 \ UC EXPL 26-317
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 156 RvArt. 157 RvArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling aanbetaling financial lease en vergoeding schade vrijwaringsbewijs

Partijen sloten een financial leaseovereenkomst voor de aankoop van een Volvo V60 waarbij een aanbetaling van €4.605,00 door eiser was overeengekomen. Eiser stelde dat deze aanbetaling was voldaan via verrekening van de overwaarde van zijn Audi A4, maar gedaagde leverde tegenbewijs dat dit niet het geval was.

De kantonrechter oordeelde dat de akte weliswaar dwingend bewijs oplevert, maar dat gedaagde voldoende tegenbewijs had geleverd. Eiser moet de aanbetaling alsnog voldoen. Daarnaast was het vrijwaringsbewijs van de Audi A4 later verstrekt, waardoor eiser schadevergoeding eiste voor motorrijtuigenbelasting en verzekeringskosten.

De rechter begrootte deze schade op €1.282,79 en kende deze toe, maar verrekende dit met de aanbetaling zodat eiser uiteindelijk €3.322,21 aan gedaagde moet betalen. Eiser werd veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De vorderingen van eiser in conventie werden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de aanbetaling en bijkomende kosten aan gedaagde, vorderingen van eiser worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12052419 \ UC EXPL 26-317
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,handelende onder de naam
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Legal Advice Wanted B.V.,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. D. Gobes en mr. S. van Kuijk.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 8
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 4
  • de brieven aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2
Op 29 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn partijen met hun gemachtigden verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. [eiser] heeft mondeling een conclusie van antwoord in reconventie genomen.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen sloten een schriftelijke financial lease overeenkomst ten behoeve van de aankoop van een auto door [eiser] . Daarin staat dat een vereiste aanbetaling door [eiser] is gedaan, maar volgens [gedaagde] klopt dat niet en heeft [eiser] nog niet betaald.
[gedaagde] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. [eiser] moet de aanbetaling alsnog voldoen.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
[eiser] is in oktober 2025 in onderhandeling getreden met autobedrijf [gedaagde] . Hij wilde zijn Audi A4 verkopen aan [gedaagde] en vervolgens, via financial lease, een Volvo V60 kopen. De verkoopprijs van de Audi A4 was vastgesteld op € 32.000,00 en de aankoopprijs van de Volvo V60 was € 27.395,01. Er was dus een prijsverschil van € 4.605,00 tussen de beide auto’s. Dit prijsverschil wordt de overwaarde genoemd.
3.2
Vaststaat dat partijen tijdens de onderhandelingen de bedoeling hadden om deze overwaarde van de Audi A4 te gebruiken als aanbetaling. Afgesproken was dat [eiser] bij de aankoop van de Volvo V60 een aanbetaling van € 4.605,00 zou doen.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

Afwijzing verklaring van recht dat aanbetaling is voldaan
4.1
[eiser] eist in conventie een verklaring van recht dat hij de verschuldigde aanbetaling van € 4.605,00 heeft voldaan door middel van verrekening van de overwaarde van de Audi A4.
4.2
In de financial leaseovereenkomst van 20 oktober 2025 staat:
“U heeft al een aanbetaling gedaan van € 4.605,00. (…)
De Leverancier heeft van u een aanbetaling ontvangen van € 4.605,00. (…)
Leverancier verklaart dat: (…) hij instaat voor de juistheid van de in dit contract opgenomen aankoopprijs en aanbetaling”
4.3
Volgens [eiser] blijkt hieruit dat hij die aanbetaling heeft voldaan. Volgens de hoofdregel van artikel 156 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dit een onderhandse akte die tot bewijs kan dienen. De overeenkomst is immers door beide partijen ondertekend. Artikel 157 Rv Pro bepaalt dat zo’n akte dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. Dat betekent dat wat in zo’n akte staat ook echt klopt.
4.4
Maar in dit geval is [gedaagde] geslaagd in het leveren van tegenbewijs en gaat de kantonrechter niet uit van de (papieren) waarheid van de akte. [gedaagde] heeft uitgelegd dat de Audi A4 door middel van een financial leaseovereenkomst was betaald en dat het voor [eiser] onmogelijk was om het openstaande krediet bij zijn financier zelf in te lossen. Daarom is afgesproken dat [gedaagde] het krediet voor de Audi A4 zou inlossen namens [eiser] waarna de Audi A4 aan [gedaagde] kon worden overgedragen. De geldstromen die hierbij plaatsvonden heeft [gedaagde] met betalingsbewijzen inzichtelijk gemaakt. [eiser] erkent dat deze betalingen zo hebben plaatsgevonden. De conclusie daaruit is dat de aanbetaling van € 4.605,00 niet is gedaan, ondanks dat in de overeenkomst staat dat dat wel gebeurd is.
4.5
Tijdens de mondelinge behandeling wijst [eiser] op een arrest van de Hoge Raad waaruit zou blijken dat de juridische realiteit van de overeenkomst prevaleert boven de feitelijke situatie, in die zin dat de redelijkheid en billijkheid zich in dat geval verzetten tegen het vorderen van nakoming. Die regel zou volgens [eiser] gelden in een situatie waarin beiden partijen tijdens het sluiten van de overeenkomst voorzien waren van juridische bijstand. Dat was hier echter niet het geval, zo is tijdens de mondelinge behandeling besproken. Verder is tijdens de mondelinge behandeling vastgesteld dat de door [eiser] genoemde vindplaats van dit arrest niet klopt; de door [eiser] genoemde vindplaats ziet op een arrest van Hoge Raad dat over een ander onderwerp gaat. De kantonrechter is niet bekend met deze door [eiser] gestelde rechtsregel en een andere vindplaats heeft [eiser] niet genoemd. De kantonrechter verwerpt daarom dit verweer van [eiser] .
[eiser] moet de aanbetaling nog voldoen
4.6
Omdat [gedaagde] tegenbewijs heeft geleverd tegen de inhoud van de financial leaseovereenkomst (de onderhandse akte) wat betreft de passage over de aanbetaling en [eiser] niet heeft gesteld dat hij de aanbetaling op een andere manier heeft betaald, moet [eiser] de aanbetaling van € 4.605,00 dus nog voldoen. [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag zoals [gedaagde] in reconventie vordert. De hiermee samenhangende vordering in conventie tot het verklaren voor recht dat deze aanbetaling (wel) is gedaan en [gedaagde] geen vordering meer heeft op [eiser] , wordt afgewezen.
Vrijwaringbewijs verstrekt, vordering tot afgifte op straffe van een dwangsom ingetrokken
4.7
[eiser] heeft bij de verkoop van de Audi A4 aan [gedaagde] niet direct bij het overdragen van het economisch eigendom het vrijwaringsbewijs gekregen. [eiser] eist daarom in conventie dat het vrijwaringsbewijs alsnog aan hem wordt verstrekt op straffe van verbeurte van een dwangsom. [gedaagde] stelt in haar conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie dat zij inmiddels op 13 januari 2026 het vrijwaringsbewijs aan [eiser] heeft verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat dat juist is en voormelde eis in conventie daarom ingetrokken.
Schadevergoeding van € 1.282,79 vanwege later verstrekken vrijwaringsbewijs
4.8
[eiser] eist in conventie vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat hij niet direct het vrijwaringsbewijs van [gedaagde] kreeg. Deze schade bestaat uit de motorrijtuigenbelasting en de verzekeringskosten die zijn betaald voor de Audi A4. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat dit in totaal een bedrag was van € 442,34 per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] ook laten zien dat hij deze bedragen daadwerkelijk op verschillende data heeft betaald. [eiser] vordert in conventie betaling van dit bedrag vanaf 16 oktober 2025. Op 13 januari 2026 is het vrijwaringsbewijs aan hem verstrekt. De kantonrechter begroot het schadebedrag over deze periode op € 1.282,79. Dit is als volgt berekend. Het zijn nagenoeg drie maanden: dus (3 maal € 442,34) – (3/30e van € 442,34) = € 44,23.
Toewijsbare hoofdsom aan [gedaagde] is € 3.322,21
4.9
[gedaagde] wil die schade van € 1.282,79 aan [eiser] vergoeden. [gedaagde] heeft zich beroepen op verrekening met het openstaande bedrag van de openstaande aanbetaling van [eiser] . Dat betekent dat de door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde hoofdsom van € 4.605,00 wordt verrekend met de door [gedaagde] te betalen schadevergoeding van € 1.282,79, zodat overblijft voor [eiser] om aan [gedaagde] te betalen: € 3.322,21.
Over de gevorderde rente
4.1
Over de verschuldigde bedragen in conventie en in reconventie is rente gevorderd. Vanwege de verrekening is alleen in reconventie de gevorderde wettelijke handelsrente toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. [eiser] had de aanbetaling van € 4.605,00 op 14 oktober 2025 moeten voldoen. Immers, op die datum kreeg [eiser] van [gedaagde] de factuur voor betaling van de Volvo V60 met een vervaldatum op dezelfde dag. De verrekening door [gedaagde] werkt terug tot dat moment [1] : 14 oktober 2025. Dat heeft tot gevolg dat:
 [gedaagde] geen rente over de aan [eiser] verschuldigde bedragen verschuldigd is. Door de terugwerkende kracht van de verrekening heeft [gedaagde] alle na 14 oktober 2025 door [eiser] betaalde motorrijtuigenbelasting en verzekeringskosten, die
[gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is, ‘direct’ aan [eiser] betaald;
en
 [eiser] over het bedrag van € 4.605,00 de wettelijke handelsrente met ingang van 15 oktober 2025 aan [gedaagde] verschuldigd is totdat dat bedrag is betaald, waarbij met de tussentijdse ‘betalingen’ van [eiser] rekening moet worden gehouden; Dus met de verschillende bedragen en data waarop [eiser] de motorrijtuigenbelasting en de verzekeringskosten heeft betaald die [gedaagde] aan hem moet vergoeden.
[eiser] eisen in conventie worden afgewezen
4.11
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen.
[eiser] moet de door [gedaagde] gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden
4.12
[gedaagde] vordert in reconventie vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 457,22 toegewezen dat is berekend aan de hand van de in reconventie toegewezen hoofdsom.
[eiser] moet de proceskosten in conventie en in reconventie betalen
4.13
[eiser] is in conventie het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [2] Dit betekent dat [eiser] zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] aan haar moet betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 720,00 (= 2 punten × € 360,00) aan salaris gemachtigde.
4.14
[eiser] is in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 288,00 (= 2 punten × € 288,00 x factor 0,5 vanwege de samenhang in conventie en reconventie).
4.15
Tot de proceskosten behoren ook de nakosten (kosten die na het vonnis ontstaan). Omdat er sprake is van samenhang tussen de zaken in conventie en in reconventie worden die kosten vastgesteld op € 144,00 aan salaris gemachtigde. Als [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna moet worden betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van de betekening betalen.
4.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.17
De kantonrechter verklaart de veroordelingen van [eiser] uitvoerbaar bij voorraad [3] , zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2
veroordeelt [eiser] in de kosten; hij moet de proceskosten van [gedaagde] van € 720,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.3
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 3.322,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a van het BW en beschreven onder 4.10, tot de dag van volledige betaling,
5.4
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 457,22 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5
veroordeelt [eiser] in de kosten; hij moet de proceskosten van [gedaagde] van € 288,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.6
veroordeelt [eiser] tot betaling van de nakosten van € 144,00 aan [gedaagde] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.7
veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten (inclusief nakosten) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9
verklaart wat onder 5.2. tot en met 5.8. van dit vonnis staat uitvoerbaar bij voorraad,
5.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1006

Voetnoten

1.Zie artikel 6:129 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Zie artikel 137 lid 1 Rv Pro.
3.Zie artikel 233 lid1 Rv.