ECLI:NL:RBMNE:2026:4174

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6127
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6 EVRMArt. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2.1 Wht
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid en O/GS-kwalificatie

Eiseres verzocht om compensatie in het kader van de Wet hersteloperatie kinderopvangtoeslag (Wht) voor de jaren 2005 en 2013. Dienst Toeslagen wees dit verzoek af, waarna eiseres bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat de terugvorderingen over 2005 gebaseerd zijn op reguliere wijzigingen en niet op institutionele vooringenomenheid. Ook is geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie over 2013, omdat uit het dossier blijkt dat geen persoonlijke betalingsregeling is geweigerd en er geen O/GS-stempel op het BSN van eiseres staat.

De rechtbank wijst het beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Wel wordt een schadevergoeding van €1.000,- toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 10 maanden in de bezwaar- en beroepsprocedure. Een verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het primaire besluit niet is herroepen.

De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen bewijsvoering door de aanvrager en het uitgangspunt dat Dienst Toeslagen mag vertrouwen op gegevens van het Landelijk incassocentrum. Nieuwe beroepsgronden die niet tijdig zijn ingebracht worden buiten beschouwing gelaten. De uitspraak is gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren en griffier T. Mennen op 13 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6127

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Jethoe)
en

Dienst Toeslagen, verw eerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de Wet hersteloperatie kinderopvangtoeslag (Wht).
2. Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie met het besluit van
22 augustus 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en zij heeft de beroepsgronden op 24 februari 2026 en 19 juni 2026 aangevuld. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Dienst Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

De hersteloperatie toeslagen
5. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door Dienst Toeslagen toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
6. De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
7. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT.
Feiten en omstandigheden
8. Eiseres heeft zich op 16 juli 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2008, 2009, 2010, 2012 en 2013. In deze herbeoordeling is door Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op vergoeding. Omdat eiseres vindt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor de toeslagjaren 2005 en 2013, heeft eiseres bezwaar gemaakt.
9. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres geen recht op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2005 en 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van hardheid.
10. Wat bij de rechtbank voorligt is het besluit van 22 september 2025 dat betrekking heeft op de toeslagjaren 2005 en 2013.
Institutionele vooringenomenheid
11. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. [1] Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. [2] Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan.
12. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zoals toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de Wht (de MvT). [3] Het uitgangspunt is dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van die compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. [4]
Toeslagjaar 2005
Standpunten van partijen
13. Eiseres stelt dat er voor het toeslagjaar 2005
sprake is van vooringenomen handelen door Dienst Toeslagen, omdat zij in dat jaar het aantal opvanguren hebben verlaagd in strijd met de door eiseres aangeleverde informatie. Daardoor is ten onrechte een terugvordering ontstaan. Voorafgaand aan het doorvoeren van deze verlaging heeft Dienst Toeslagen geen informatie opgevraagd bij eiseres en daarom is sprake van vooringenomen handelen. Eiseres stelt dat zij daarom recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2005.
14. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat er voor wat betreft toeslagjaar 2005 geen sprake is van vooringenomen handelen, omdat de terugvorderingen over dit toeslagjaar het gevolg zijn van reguliere wijzigingen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Dienst Toeslagen de zogeheten XML bestanden van hun interne WKO systeem overgelegd. Volgens Dienst Toeslagen blijkt nergens uit dat het aantal opvanguren in strijd met door eiseres aangeleverde informatie zou zijn doorgevoerd. Uit de bestanden blijkt geen behandelstap waaruit een eventuele mutatie door Dienst Toeslagen zou kunnen blijken die erop wijst dat de mutatie door Dienst Toeslagen is geïnitieerd. Om deze reden moet er vanuit worden gegaan dat eiseres zelf de kinderopvangtoeslag met ingang van 1 november 2005 heeft stopgezet.
Het oordeel van de rechtbank
15. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat over toeslagjaar 2005 geen sprake is van vooringenomenheid omdat de terugvorderingen gebaseerd zijn op reguliere wijzigingen. Het terugvorderingsbedrag over 2005 behelst twee maanden kinderopvangtoeslag. De rechtbank vindt het vanwege de omstandigheid dat eiseres op de zitting heeft verklaard voor het toeslagjaar 2006 bewust geen toeslag meer te hebben aangevraagd vanwege een aflopend contract bij haar werkgever en de omstandigheid dat ze het te veel ontvangen bedrag van € 2.708,- op 2 oktober 2006 in één keer heeft terugbetaald voldoende aannemelijk dat de terugvordering van de laatste twee maanden van toeslagjaar 2005 gebaseerd was op de stopzetting door eiseres zelf. Het had immers niet in de rede gelegen voor eiseres om dit bedrag terug te betalen als zij in de maanden november en december 2005 wél kinderopvang had afgenomen voor haar kinderen. De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande blijkt dat de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2005 niet onterecht is stopgezet of verlaagd vanwege institutioneel vooringenomen handelen of te harde uitvoering van het wettelijke systeem. De beroepsgrond slaagt niet.
O/GS kwalificatie
16. Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen op grond de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke (minnelijke) schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag [5] .
Het standpunt van partijen
17. Eiseres stelt dat zij over toeslagjaar 2013 recht heeft op compensatie vanwege een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (O/GS) in haar dossier. Eiseres stelt dat zij over het jaar 2013 geen persoonlijke betaalregeling mocht treffen, waarna zij twee terugvorderingen over dit jaar heeft terugbetaald in termijnen van 24 maanden. Zij heeft wel om een persoonlijke betalingsregeling verzocht en volgens eiseres is dat aannemelijk gezien het feit dat de terugvorderingen in dit jaar fors inhakten op haar inkomen op bijstandsniveau. Eiseres voert daarbij ook aan dat Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht, omdat er geen stukken zijn verstrekt die betrekking hebben op de beoordeling van het recht op compensatie op grond van een onterechte O/GS kwalificatie. Omdat deze stukken niet zijn verstrekt kan volgens eiseres niet worden vastgesteld dat Dienst Toeslagen bij de voorbereiding van de bestreden beslissing de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen heeft vergaard, zoals hij dat behoort te doen op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres voert in dit kader verder aan dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat in de bezwaarfase door haar uitgebreid is gemotiveerd dat er ten onrechte geen O/GS tegemoetkoming is verstrekt. Daar is door Dienst Toeslagen niet of onvoldoende op gereageerd, aldus eiseres.
18. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat zij op goede gronden de compensatie vanwege een onterechte kwalificatie O/GS hebben afgewezen. Dienst Toeslagen voert aan zelf geen toegang te hebben tot de systemen waarin de onderliggende informatie zit over O/GS kwalificatie, maar enkel en alleen een melding te krijgen van een afdeling van de Belastingdienst, namelijk de Centrale Administratieve Processen Cluster inning, ook genoemd het Landelijk incassocentrum (hierna: LIC) waarin het LIC aangeeft of er sprake is van een O/GS kwalificatie. In deze zaak heeft Dienst Toeslagen van het LIC de melding ontvangen dat geen sprake is van zo’n O/GS kwalificatie. Deze melding is voor Dienst Toeslagen raadpleegbaar in het SAS-overzicht. Hieruit is af te leiden dat het LIC in haar systemen heeft gezocht of er opzet/grove schuld is gesteld bij eiseres, maar daarbij niets heeft gevonden. Uit het onderzoek van het LIC is gebleken dat voor de betreffende jaren geen sprake is geweest van een O/GS kwalificatie. Daarnaast stelt Dienst Toeslagen zich ook op het standpunt dat in het systeem waar Dienst Toeslagen toegang tot heeft er ook geen nadere aanwijzingen bekend zijn waaruit zou blijken dat eiseres heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling of een minnelijke betalingsregeling voor de betreffende toeslagjaren, welke regeling (ook) moet zijn afgewezen als gevolg van de O/GS-kwalificatie. Verwijzend naar jurisprudentie [6] en de Memorie van Toelichting bij de Wht, stelt Dienst Toeslagen dat eiseres het recht op een herstelmaatregel aannemelijk dient te maken. Dienst Toeslagen voert in dat kader aan dat niet is in te zien dat eiseres de door haar gestelde onterechte kwalificatie O/GS voldoende aannemelijk heeft gemaakt door (uitsluitend) te stellen dat het gegeven dat zij heeft terugbetaald op basis van de zogenoemde standaard betalingsregeling (in combinatie met een laag inkomen op bijstandsniveau) zou betekenen dat haar een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. Dienst Toeslagen biedt namelijk twee betalingsregelingen aan: de standaard aangeboden betalingsregeling van 24 maanden waarvan eiseres blijkens het LIC-overzicht 2013 gebruik heeft gemaakt en daarnaast de persoonlijke betalingsregeling waarbij de 24 maanden niet worden gehaald, waarvoor een apart verzoek moet worden ingediend bij het LIC. Van zo’n verzoek is in het dossier van eiseres niet gebleken. Dienst Toeslagen voert daarbij nog aan dat eiseres de terugvorderingsbedragen stipt in 24-maandelijkse termijnen heeft terugbetaald vanaf oktober 2013, aansluitend aan het ontstaan van de terugvordering(en) over 2013. Ook daarom vindt Dienst Toeslagen het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling die door Dienst Toeslagen is geweigerd.

Het oordeel van de rechtbank

19. Bij de beoordeling of iemand aanspraak maakt op deze tegemoetkoming wordt gekeken naar de uitkomst van het onderzoek van het LIC. Blijkt uit dit onderzoek door het LIC dat geen sprake is van O/GS, dan volgt géén O/GS stempel en heeft de aanvrager geen recht op de tegemoetkoming. Uit het door Dienst Toeslagen overgelegde screenshot van één van zijn systemen blijkt dat onder het BSN van eiseres geen sprake is van een O/GS stempel. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat Dienst Toeslagen had moeten concluderen dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid hiervan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat Dienst Toeslagen in beginsel mag uitgaan van de gegevens van het LIC. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat Dienst Toeslagen hier niet van kon uitgaan. De enkele stelling van eiseres dat zij heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling is daarvoor onvoldoende. Op de zitting heeft eiseres verklaard dit verzoek ook schriftelijk te hebben gedaan, maar de rechtbank ziet hiervoor geen verdere aanknopingspunten of onderbouwingen en eiseres heeft haar standpunt ook niet met stukken onderbouwd waar die aanknopingspunten zijn terug te vinden.
20. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegestuurd en daarom onvoldoende blijkt van een gedegen en grondige zoekopdracht. Uit het door Dienst Toeslagen overgelegde screenshot van één van zijn systemen blijkt dat onder het BSN van eiseres geen sprake is van een O/GS stempel. De rechtbank ziet niet in wat Dienst Toeslagen meer had kunnen overleggen om hier inzicht in te verschaffen. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
21. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting nog aangevoerd dat ook zonder dat sprake is van een geweigerde persoonlijke betalingsregeling door Dienst Toeslagen ambtshalve een O/GS stempel werden geplaatst in dossiers. Omdat deze beroepsgrond pas op de zitting voor het eerst naar voren is gebracht en Dienst Toeslagen heeft aangegeven daar niet ter plekke op te kunnen reageren, acht de rechtbank deze grond in strijd met de goede procesorde aangevoerd. Zij zal deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing laten. Dat betekent dat er ook geen aanleiding is om op het aanhoudingsverzoek van Dienst Toeslagen te beslissen.
Verzoek om vergoeding proceskosten in bezwaarfase
22. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de door haar in de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten, omdat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze in te dienen voorafgaand aan het primaire besluit. Op de zitting is door de gemachtigde van Dienst Toeslagen erkend dat dit inderdaad verkeerd is gegaan en eiseres ten onrechte niet de mogelijkheid daartoe is geboden.
23. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding af. Uit artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in combinatie met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgt dat de rechtbank het bestuursorgaan kan veroordelen in de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken als het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In deze zaak is het primaire besluit niet herroepen. Om die reden bestaat er geen basis voor vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten in de bezwaarprocedure.
Verzoek om schadevergoeding
24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
24. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
26. Het bezwaarschrift is door Dienst Toeslagen ontvangen op 27 september 2023. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dag van deze uitspraak zit, naar boven afgerond, 2 jaar en 10 maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met 10 maanden is overschreden. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
27. De overschrijding is in zijn geheel te wijten aan Dienst Toeslagen. De bezwaarprocedure heeft, naar boven afgerond, 2 jaar geduurd. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade € 1.000,-.

Conclusie en gevolgen

28. Het beroep is ongegrond. Dienst Toeslagen mocht de aanvraag om compensatie afwijzen. Daarom blijft het bestreden besluit in stand.
29. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
30. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er in zoverre voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek van eiseres om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in bezwaar af;
  • veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van €1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
2.Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
3.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
4.Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
5.Dit volgt uit artikel 2.6, eerste lid van de Wht.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087.