ECLI:NL:RBMNE:2026:4166

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
12217199 \ AV EXPL 26-28
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 3 BWArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke schorsing relatiebeding Clinical Support Specialist

De zaak betreft een kort geding tussen een werknemer, werkzaam als Clinical Support Specialist, en zijn voormalige werkgever, een medisch hulpmiddelenbedrijf. De werknemer trad per 1 maart 2026 in dienst bij een directe concurrent en stelt dat het relatiebeding hem belemmert zijn nieuwe functie uit te oefenen. Hij vordert gedeeltelijke schorsing van het relatiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding.

De kantonrechter oordeelt dat de werknemer een spoedeisend belang heeft bij de vordering en dat het relatiebeding rechtsgeldig is. De werkgever heeft zich niet verzet tegen schorsing van het beding voor tien ziekenhuizen, waardoor de kantonrechter die schorsing toewijst. Voor de overige vier ziekenhuizen is het belang van de werkgever bij handhaving zwaarwegend, omdat de werknemer vanuit zijn functie invloed kan uitoefenen op inkoopbeslissingen en het marktaandeel van de werkgever kan schaden.

De kantonrechter vindt dat de werknemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door handhaving van het beding onbillijk wordt benadeeld. De werknemer kan nog steeds zijn functie bij de concurrent uitoefenen bij andere ziekenhuizen en zijn professionele ontwikkeling wordt niet volledig belemmerd. De schorsing van het relatiebeding en boetebeding wordt daarom beperkt tot de tien ziekenhuizen waarvoor de werkgever geen bezwaar maakt.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het relatiebeding en boetebeding worden gedeeltelijk geschorst voor tien ziekenhuizen, maar gehandhaafd voor vier ziekenhuizen vanwege het zwaarwegend belang van de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12217199 \ AV EXPL 26-28
Vonnis in kort geding van 29 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Cok,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.C.J. van Herpen.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18 van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6 van [gedaagde] ,
- productie 19 van [eiser] ,
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 15 juni 2026,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De kern van de zaak

2.1
Op 19 december 2019 is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde] als Clinical Support Specialist. Op 25 november 2020 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor onbepaalde tijd. In die arbeidsovereenkomst is een concurrentie-, relatie- en daaraan gekoppeld boetebeding opgenomen. Met toestemming van [gedaagde] is [eiser] per 1 maart 2026 in dienst getreden bij [bedrijf 1] [1] , in de functie van Principal EP [2] Mapping Specialist CAS [3] . [bedrijf 1] is een directe concurrent van [gedaagde] . [eiser] stelt dat hij zijn nieuwe functie grotendeels niet kan uitoefenen, omdat [gedaagde] het relatiebeding onverkort handhaaft. Hij wil daarom dat de kantonrechter het relatiebeding en het (daaraan gekoppelde) boetebeding (gedeeltelijk) schorst. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] gedeeltelijk toe, namelijk ten aanzien van de relaties waarvan [gedaagde] heeft gezegd zich niet (langer) te verzetten tegen schorsing van het relatiebeding. Ten aanzien van de overige relaties vindt de kantonrechter het onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter het relatiebeding (en het daaraan gekoppelde boetebeding) zal vernietigen.

3.De beoordeling

Spoedeisend belang
3.1
De kantonrechter moet eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Een vordering in een kort geding kan namelijk alleen worden toegewezen als de eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als een directe voorziening is geboden en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
[eiser] heeft voldoende gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft
3.2
[eiser] stelt dat hij door de handhaving van het relatiebeding het overgrote deel van zijn functie bij [bedrijf 1] niet kan uitoefenen en hij zich niet verder professioneel en wetenschappelijk kan ontwikkelen. Hiermee heeft hij voldoende gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot (gedeeltelijke) schorsing van het relatiebeding (en het daaraan gekoppelde boetebeding). [gedaagde] stelt terecht dat [eiser] al sinds ieder geval 22 januari 2026 weet dat [gedaagde] het relatiebeding niet (volledig) laat vallen en hij dus al veel eerder een kortgeding procedure had kunnen starten. Maar de gemachtigde van [eiser] heeft toegelicht dat door overdracht van het dossier naar een andere gemachtigde de zaak even is blijven liggen. Dat kan [eiser] niet worden aangerekend. Voorts is de proceseconomie erbij gebaat dat in deze procedure ook over de overige vorderingen, die aan de vordering tot (gedeeltelijke) schorsing van het relatiebeding nauw verwant zijn, kan worden beslist. [eiser] is dus in zoverre ontvankelijk in zijn vorderingen.
Het verdere juridische kader
3.3
Voor toewijzing van de vorderingen [eiser] in kort geding is verder vereist dat de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat een corresponderende vordering in een gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Gelet op het voorlopige karakter van de kort geding procedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Het relatiebeding & boetebeding
3.4
Tussen partijen is niet in geschil dat zij in de arbeidsovereenkomst een rechtsgeldig relatiebeding hebben opgenomen. Het relatiebeding luidt als volgt:

Klanten- en relatiebeding
Het is Werknemer niet toegestaan, zonder vooraf verkregen schriftelijke toestemming van Werkgever, binnen een periode van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, direct of indirect, in welke vorm dan ook contacten te onderhouden met en/of werkzaam te zijn ten behoeve van bestaande klanten en relaties van Werkgever en/of aan haar gelieerde vennootschappen, dan wel klanten en relaties die op enig moment in de periode van een jaar voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband klant of relatie waren van Werkgever en/of aan haar gelieerde vennootschappen.”
3.5
Tussen partijen is ook niet in geschil dat aan het relatiebeding een boetebeding is gekoppeld. Dit boetebeding luidt als volgt:

Boetebeding
Bij overtreding van het bepaalde in alle genoemde zaken in de artikelen genoemd onder bescherming van (bedrijfs)gegevens, zal Werknemer zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, per overtreding een boete verbeuren ten behoeve van Werkgever ten bedrage van één bruto maandsalaris, onverminderd het recht van Werkgever om volledige schadevergoeding te vorderen. De boete zal worden verhoogd met €2.5000,00 voor iedere dat dag de overtreding voortduurt. Partijen wijken in dit artikel uitdrukken af van het bepaalde in artikel 7:650 leden Pro 3 tot en met 5 BW.”
De reikwijdte van het relatiebeding
3.6
[gedaagde] ontwikkelt en verkoopt medische hulpmiddelen en medische producten in de Nederlandse gezondheidszorgmarkt. Zij ontwikkelt en verkoopt onder meer producten en software die ziekenhuizen kunnen gebruiken bij ablaties. Een ablatie is een behandeling die wordt toegepast bij ernstige hartritmestoornissen. [eiser] was bij [gedaagde] in dienst als Clinical Support Specialist. Het grootste deel van zijn functie bestond uit het trainen van en het bieden van klinische ondersteuning en begeleiding aan artsen in ziekenhuizen die bij ablaties gebruikmaakten van producten en software ontwikkeld door [gedaagde] . Die ziekenhuizen hebben een contract met [gedaagde] op grond waarvan zij gebruik (kunnen) maken van deze door [gedaagde] ontwikkelde producten en software. Deze ziekenhuizen zijn een relatie van [gedaagde] .
3.7
Nederlands heeft 15 ziekenhuizen met een hartafdeling en tussen partijen is niet in geschil dat 14 van de 15 Nederlandse ziekenhuizen met een hartafdeling een relatie zijn van [gedaagde] . Partijen zijn het er over eens dat het relatiebeding inhoudt dat het
[eiser] (zonder de toestemming van [gedaagde] ) niet is toegestaan, binnen een periode van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst contact te onderhouden en/of werkzaam te zijn ten behoeve van deze 14 ziekenhuizen.
Toetsingskader schorsing relatiebeding
3.8
[eiser] wil dat de kantonrechter dit relatiebeding (en het daaraan gekoppelde boetebeding) (gedeeltelijk) schorst, zodat hij zijn nieuwe functie bij [bedrijf 1] , die grotendeels overeenkomt met zijn functie bij [gedaagde] , onbeperkt kan uitoefenen. Uit de wet volgt dat de kantonrechter een concurrentiebeding (waaronder ook een relatiebeding wordt verstaan) geheel of gedeeltelijk kan vernietigen als een werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever. [4] In kort geding kan vooruitlopend daarop een vordering tot schorsing van een dergelijk beding worden toegewezen, als aannemelijk is dat de bodemrechter het beding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] , [eiser] door dat beding onbillijk wordt benadeeld. De belangen van [eiser] enerzijds en [gedaagde] anderzijds moeten dus tegen elkaar afgewogen worden.
De kantonrechter schorst het relatiebeding gedeeltelijk
3.9
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd zich niet te verzetten tegen schorsing van het relatiebeding met betrekking tot 10 ziekenhuizen waarmee zij een relatie heeft. Het is daarom aannemelijk dat de bodemrechter het relatiebeding ten aanzien van deze 10 ziekenhuizen zal vernietigen. Daarom wijst de kantonrechter de schorsing van het relatiebeding in zoverre toe.
3.1
[gedaagde] verzet zich wel tegen schorsing van het relatiebeding ten aanzien van de overige vier ziekenhuizen waarmee zij een relatie heeft. Dat zijn het [bedrijf 2] , het [bedrijf 3] , het [bedrijf 4] en het [bedrijf 5] (verder te noemen: ‘de vier ziekenhuizen’). Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet aannemelijk dat de bodemrechter het beding ook ten aanzien van deze vier ziekenhuizen (gedeeltelijk) zal vernietigen. Daarom wijst de kantonrechter het verzoek om schorsing van het relatiebeding wat betreft die ziekenhuizen, af. Dit oordeel legt de kantonrechter hierna uit.
Zwaarwegend belang [gedaagde] bij gedeeltelijke handhaving relatiebeding
3.11
[gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het relatiebeding ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen’. [gedaagde] vreest dat zij marktaandeel verliest wanneer het relatiebeding ten aanzien van deze ziekenhuizen niet (onverkort) wordt gehandhaafd. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is deze vrees gegrond. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] vanuit zijn functie invloed kan uitoefenen op de inkoopbeslissingen van deze ziekenhuizen en het is aannemelijk dat daarmee haar bedrijfsdebiet kan worden geschaad. De kantonrechter vindt het gelet hierop (ook) niet aannemelijk dat de bodemrechter het relatiebeding ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen’, gedeeltelijk zal vernietigen in die zin dat [eiser] zich slechts onthoudt van iedere bemoeienis ten aanzien van commerciële zaken. De kantonrechter legt dit alles hierna uit.
3.12
Het staat vast dat [gedaagde] en [bedrijf 1] directe concurrenten van elkaar zijn. Zij ontwikkelen allebei producten en software die ziekenhuizen kunnen gebruiken bij ablaties, waaronder een 3D-mappingsysteem. Daarbij kan een arts aan de hand van een 3Dscan van het hart op beeld zien hoe de geleiding van het hart eruit ziet en hierop direct een ablatiebehandeling uitvoeren. [gedaagde] en [bedrijf 1] richten zich allebei op de 15 Nederlandse ziekenhuizen met een uitgebreide hartafdeling. De markt waarin [gedaagde] en [bedrijf 1] zich wat betreft hartablaties begeven is in Nederland dus klein.
3.13
[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat [eiser] in de periode dat hij in dienst was bij [gedaagde] voornamelijk voor ‘de vier ziekenhuizen’ heeft gewerkt. Vanuit zijn functie had [eiser] direct contact met de artsen, met wie hij een (vertrouwens)band heeft opgebouwd. Hij trainde, begeleidde en ondersteunde hen bij het gebruik van de producten en software van [gedaagde] bij het uitvoeren van ablaties, hoofdzakelijk bij het gebruik van het door [gedaagde] ontwikkelde 3Dmappingsysteem (Carto). De kantonrechter vindt het aannemelijk dat [eiser] (daardoor) beschikt over uitgebreide technische kennis van het door [gedaagde] ontwikkelde 3D-mappingsysteem en bovendien precies weet waar de voorkeuren en behoeften van (de artsen van) ‘de vier ziekenhuizen’ liggen en daarmee ook waar de commerciële kansen bestaan. [eiser] is bij [bedrijf 1] aangenomen om begeleiding en ondersteuning te bieden aan artsen bij het gebruik van het 3D-mappingsysteem van [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ). Zijn functie komt dus grotendeels overeen met zijn functie bij [gedaagde] . Het is daarmee aannemelijk dat [eiser] met de kennis die hij tijdens zijn functie bij [gedaagde] heeft opgedaan en de (vertrouwens)band die hij met de door hem getrainde en begeleide artsen heeft opgebouwd, (al dan niet bewust) invloed kan uitoefenen op de verkoopbeslissingen, waarmee het bedrijfsdebiet van [gedaagde] kan worden geschaad.
3.14
[eiser] stelt dat ‘de vier ziekenhuizen’ de contracten (voor de komende jaren) al hebben afgesloten en hij dus geen invloed uit kan oefenen op de inkoopbeslissingen. De kantonrechter vindt dat niet aannemelijk. Uit de stellingen van [eiser] zelf volgt dat een contract met een ziekenhuis inhoudt dat een ziekenhuis zich verplicht om een
minimaalaantal ablatieprocedures per jaar af te nemen én de ziekenhuizen met meerdere fabrikanten een contract afsluiten voor producten en software voor een ablatie, zodat een arts steeds per ablatie naar eigen inzicht een bepaald product kan kiezen. Er is dus geen sprake van een exclusief afnamecontract tussen [gedaagde] en de ziekenhuizen waarmee zij een relatie heeft. De contracten laten ruimte voor het gebruik van producten en software van andere fabrikanten, waardoor er wel mogelijkheden zijn om ook ná gesloten contracten de inkoopbeslissingen voortdurend te beïnvloeden. Daarnaast behoort, zoals [gedaagde] heeft gesteld en [eiser] niet heeft weersproken, tot de functie van [eiser] ook het begeleiden van trials. In dat kader worden nieuwe producten geïntroduceerd waarvoor nog geen contracten zijn gesloten en wordt het gebruik daarvan tijdens de trial door [eiser] begeleid. Dit is een van de manieren waarop invloed kan worden uitgeoefend op inkoopbeslissingen.
3.15
Dat een arts zijn/haar keuze uitsluitend baseert op zijn/haar eigen ervaringen, zoals [eiser] stelt, vindt de kantonrechter niet waarschijnlijk, omdat de arts bij het gebruik wordt begeleid en ondersteund door een klinisch specialist, zoals [eiser] , met wie door het samenwerken een (vertrouwens)band ontstaat. [eiser] stelt bovendien ook zelf dat hij in zijn contacten met artsen/ziekenhuizen bepaalde producten en software af- of aanraadt en het staat vast dat de functie van [eiser] ook een salescomponent had/heeft. Als
[eiser] überhaupt geen invloed zou kunnen uitoefenen op de inkoopbeslissingen van de artsen, zou dat het salescomponent van zijn functie zowel bij [gedaagde] als bij [bedrijf 1] volledig teniet doen.
3.16
Volgens [eiser] wordt het bedrijfsbelang van [gedaagde]
bij handhaving van het relatiebeding ook gediend door het geheimhoudingsbeding. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter wordt het risico dat [eiser] in de uitoefening van zijn functie bij [bedrijf 1] invloed uitoefent op de inkoopbeslissingen van artsen/ziekenhuizen hiermee niet weggenomen. Het geheimhoudingsbeding behelst het verbod om vertrouwelijke informatie van [gedaagde] te openbaren en ziet niet op het voorkomen van de invloed die [eiser] in zijn contact met artsen in verband met het uitvoeren van ablaties kan uitoefenen op inkoopbeslissingen.
3.17
Volgens [eiser] is de duur van het relatiebeding onredelijk lang. Maar [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het relatiebeding ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen' voor de duur van een jaar. Zij verwacht dat de producten en klantenrelaties (waaronder de (vertrouwens)band die [eiser] tijdens zijn dienstverband met [gedaagde] met artsen van deze ziekenhuizen heeft opgebouwd) na dat jaar zo ontwikkeld zijn, dat [eiser] zijn bij [gedaagde] opgedane kennis en relaties niet langer op dezelfde wijze ten behoeve van [bedrijf 1] kan inzetten. Deze zijn dan grotendeels verwaterd. Dit is door [eiser] niet weersproken.
[eiser] wordt niet onbillijk benadeeld door gedeeltelijke handhaving relatiebeding
3.18
[eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] , door handhaving van het relatiebeding ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen’ onbillijk wordt benadeeld. [eiser] stelt dat hij door de handhaving van het relatiebeding ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen’ alleen in het Antonius ziekenhuis zijn specialisme (het 3D-mappingsysteem) kan uitoefenen. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] graag in meerdere ziekenhuizen zijn specialisme zou willen uitoefenen en hij daarvoor ook is aangenomen bij [bedrijf 1] , maar anders dan
[eiser] in de dagvaarding heeft doen voorkomen, is er geen sprake van dat hij 80% van zijn werktijd niets kan doen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard niet 80% van zijn tijd thuis te zitten niksen, maar dat hij op dit moment vanuit huis trainingen geeft/werkt. Daarnaast heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat [bedrijf 1] ook met andere ziekenhuizen met een hartcentrum een contract heeft en
[eiser] daar als clinical support specialist begeleiding en ondersteuning kan bieden bij ablaties. De overstap van [eiser] van [gedaagde] naar [bedrijf 1] belet hem dan ook niet in zijn doel om ondersteuning bij ablaties te blijven bieden. Bovendien is niet uitgesloten dat [bedrijf 1] op (korte) termijn met een van de ziekenhuizen die niet (langer) onder het relatiebeding valt een contract voor gebruik van het door haar ontwikkelde 3Dmappingsysteem sluit. De kantonrechter begrijp dat de reistijd voor [eiser] een grote belemmering vormt om voor de andere ziekenhuizen te werken waar ablaties worden uitgevoerd, maar [gedaagde] heeft terecht opgemerkt dat reistijd voor clinical support specialisten onvermijdelijk is, omdat er maar 15 ziekenhuizen in Nederland ablaties uitvoeren. Mogelijk duurt het langer voordat [eiser] het 3Dmappingsysteem van [bedrijf 1] beheerst omdat hij minder ‘vlieguren’ kan maken doordat hij dat systeem alleen in het Antionis Ziekenhuis kan praktiseren, maar dat zijn professionele en academische ontwikkeling volledig stagneert zolang het relatiebeding ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen’ wordt gehandhaafd, heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Onderdeel van zijn functie bij [bedrijf 1] is namelijk ook het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek/het zelfstandig leidinggeven geven aan wetenschappelijke onderzoeksprojecten. Dat hij dat nu niet kan uitvoeren, is de kantonrechter niet gebleken. Verder behoort kennelijk tot het takenpakket van [eiser] bij [bedrijf 1] ook het geven van trainingen. Dit duidt er ook niet op dat [eiser] op onbillijke wijze in zijn ontwikkeling wordt belemmerd.
Conclusie
3.19
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter het concurrentiebeding gedeeltelijk schorst, in die zin dat het relatiebeding slechts geldt ten aanzien van ‘de vier ziekenhuizen’. Omdat het boetebeding is gekoppeld aan het relatiebeding, schorst de kantonrechter het boetebeding dienovereenkomstig.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
3.2
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat de incassowerkzaamheden waarvoor vergoeding wordt gevraagd gericht waren op het relatiebeding voor zover die betrekking heeft op ‘de vier ziekenhuizen’. [eiser] ging er immers van uit dat partijen over de overige 10 ziekenhuizen die een relatie van [gedaagde] zijn, al overeenstemming hadden in de zin dat [eiser] wel ablaties/werkzaamheden voor die 10 ziekenhuizen mag verrichten binnen de duur van het relatiebeding, omdat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure – in het kader van de schikkingsonderhandelingen - had aangegeven bereid te zijn het relatiebeding te laten vallen voor die 10 ziekenhuizen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.21
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [5] Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] aan haar moeten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.22
De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter en recht doende in kort geding:
4.1
schorst het relatiebeding gedeeltelijk en het boetebeding dienovereenkomstig zodat dit relatiebeding slechts geldt ter zake van de volgende vier relaties van [gedaagde] : het [bedrijf 2] , het [bedrijf 3] , het [bedrijf 4] en het [bedrijf 5] ,
4.2
veroordeelt [eiser] in de kosten; hij moet de proceskosten van [gedaagde] van € 1.009,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.

Voetnoten

1.[bedrijf 1] B.V.
2.Dit is een verkorting van electrophysiology.
3.Dit is een verkorting van Cardiac Ablation Solutions.
4.Artikel 7:653 lid 3 BW Pro
5.Zie artikel 237 lid 1 Rv Pro.