ECLI:NL:RBMNE:2026:410
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot machtiging verkoop gemeenschappelijke woning niet-ontvankelijk verklaard
Partijen zijn in 2002 gescheiden en hebben in 2007 gezamenlijk een woning gekocht. Verzoeker is in 2017 naar Marokko vertrokken en verzoekt de rechtbank om hem te machtigen de woning te verkopen via een makelaar, met medewerking van verweerder en veroordeling van verweerder in de kosten.
Verzoeker baseert zijn verzoek op artikel 3:174 BW Pro, stellende dat hij wil worden ontslagen uit mede-eigendom en hypotheekschuld. Verweerder verzet zich en verzoekt om toewijzing van het aandeel van verzoeker aan haar, met ontslag van verzoeker uit hypotheekverplichtingen.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek niet ontvankelijk is omdat het ontbreken van een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW Pro. De noodzaak tot verdeling is geen gewichtige reden. Verzoeker moet een dagvaardingsprocedure starten op grond van artikel 3:185 BW Pro. Ook de zelfstandige tegenverzoeken van verweerder zijn niet ontvankelijk wegens procedurele regels.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. R.M. Berendsen.
Uitkomst: Verzoek tot machtiging verkoop woning en zelfstandige tegenverzoeken worden niet-ontvankelijk verklaard.