ECLI:NL:RBMNE:2026:4079

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/604609 / JE RK 25-1945
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en onderzoek gefaseerde terugplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin. De kinderrechter heeft eerder de uithuisplaatsing verlengd tot 8 juli 2026 en moest nog beslissen over verdere verlenging.

Tijdens de zitting op 10 juni 2026 werd vastgesteld dat zowel de minderjarige als de moeder positieve ontwikkelingen hebben doorgemaakt en goed samenwerken met hulpverlening. Desondanks is het volgens de GI nog niet verantwoord om de minderjarige terug te plaatsen bij de moeder zonder een gefaseerd plan en nadere beoordeling van de draagkracht en hulpverlening.

De moeder wenst dat de minderjarige vanaf 1 september 2026 weer volledig bij haar woont, gesteund door de wensen van de minderjarige en haar broer. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 september 2026 en houdt de beslissing over de periode daarna aan. Tevens wordt de GI verzocht om uiterlijk 1 september 2026 te rapporteren over de voortgang van de terugplaatsing en hulpverlening.

De kinderrechter benadrukt het belang van een zorgvuldig en stapsgewijs terugplaatsingsproces, waarbij de wensen van de minderjarige en de moeder worden meegewogen, maar ook de stabiliteit en veiligheid voorop staan. Een vervolgzitting is gepland op 4 september 2026 om de stand van zaken te bespreken.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 5 september 2026 en de beslissing over verdere verlenging wordt aangehouden voor een gefaseerd terugplaatsingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/604609 / JE RK 25-1945
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C. Lamphen.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Voor het verloop van de procedure tot 2 januari 2026 verwijst de kinderrechter naar de beschikking van die datum. Bij die beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van zes maanden verlengd en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden.
1.2.
Daarna heeft de kinderrechter het bericht van de GI met bijlagen van 28 mei 2026 ontvangen.
1.3.
Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] als vertegenwoordigers van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 oktober 2025
[minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI voor de duur van drie maanden tot 8 januari 2026. Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 2 januari 2027.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025
een spoedmachtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin tot
23 december 2025. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De kinderrechter moet nog een beslissing nemen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in en pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat er bij zowel [minderjarige] als bij de moeder veel positieve ontwikkelingen zijn. Zij hebben allebei goed samengewerkt met de betrokken hulpverlening om de situatie te verbeteren. Tegelijkertijd heeft de moeder ook nog een weg te gaan met individuele therapie en systeemtherapie. De GI heeft op dit moment onvoldoende inzage in het traject dat de moeder heeft doorlopen, de draagkracht van de moeder en wat er verder nog nodig is qua hulpverlening. De GI vindt een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment nog niet verantwoord en wil de komende tijd daarvoor een plan opstellen. Hiervoor zal een netwerkberaad worden georganiseerd met onder andere de hulpverlening van MetMaya. De GI wil proefondervindelijk ervaren hoe een uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder verloopt en welke eventuele hulpverlening nog moet worden ingezet. De GI wil dat het toewerken naar terugplaatsing van [minderjarige] stapsgewijs en zorgvuldig zal gebeuren.

4.Het standpunt van de moeder

De moeder vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij vanaf 1 september weer volledig bij haar woont. Het is de wens van de moeder dat de komende periode tot aan de start van het schooljaar wordt gebruikt om [minderjarige] met stapjes terug te plaatsen. Dit is ook de wens van [minderjarige] en haar broer die ook bij de moeder thuis woont. De moeder heeft verteld dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat zij vanaf de start van het schooljaar weer haar leven vanuit thuis kan oppakken. De zorgen zoals die er eerder waren over de thuissituatie bij de moeder, zijn er nu niet meer. De zus van [minderjarige] , [zus] , woont nu niet meer thuis en er wordt goed voor haar gezorgd. Daarnaast is er veel hulpverlening voor de rest van het gezin betrokken: er is hulpverlening vanuit MetMaya voor [minderjarige] en hulpverlening van [C] voor de moeder. De advocaat heeft namens de moeder primair verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 1 september 2026 te verlengen en subsidiair om nog een keer een zitting te planen om de stand van zaken te bespreken.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 5 september 2026 en de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden. Hierna zal de kinderrechter deze beslissing uitleggen.
De toelichting
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Hoewel [minderjarige] en de moeder allebei zeer positieve stappen hebben gezet en de gezinssituatie heel erg is veranderd ten opzichte van het moment van de uithuisplaatsing, is het nog onvoldoende duidelijk of er nog meer nodig is voor een stabiele en zorgvuldige terugplaatsing. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI hiervoor de komende tijd samen met de moeder en [minderjarige] een plan opstelt. Ook zal de GI de komende periode gebruiken om meer zicht te krijgen op de huidige draagkracht van de moeder, welke hulpverlening nog wordt ingezet en waar die zich op zal richten.
5.3.
De kinderrechter is zich ervan bewust dat er bij zowel [minderjarige] als de moeder de grote wens is dat [minderjarige] bij het start van de schooljaar weer grotendeels bij de moeder zal wonen. Zij hoopt dat zij de komende tijd niet te veel druk ervaren om dit mogelijk te maken, maar dat zij vertrouwen op de expertise van de GI.
5.4.
De verzoekt de GI om de kinderrechter – en de moeder–
uiterlijk 1 september 2026te informeren over de stand van zaken en vervolgstappen met betrekking tot de (gedeeltelijke) terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en het verloop van de ingezette hulpverlening voor de moeder en [minderjarige] .
De brief aan [minderjarige]
5.16.
Tegelijk met de beschikking stuurt de kinderrechter een brief aan [minderjarige] .
In de brief aan [minderjarige] is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Op 5 juni 2026 hebben wij elkaar gezien in de rechtbank in Utrecht. Je was uitgenodigd voor dit gesprek, omdat jouw moeder een zitting had op de rechtbank. Die zitting ging over het verzoek van de jeugdbeschermers (gezinsvoogden) om de machtiging tot uithuisplaatsing van jou bij je oom en tante te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 2 januari 2027.
Jij hebt mij tijdens dit gesprek verteld dat je door de gesprekken met je therapeut veel hebt geleerd over jezelf. Jij ziet nog steeds goed wat er speelt bij anderen, maar weet tegelijkertijd ook dat het niet jou verantwoordelijk is om dat op te lossen. Dat doe je nu ook niet meer. Ook heb je verteld dat je ziet dat je moeder positieve stappen heeft gezet en dat zij meer ruimte heeft voor jou. Over je zus [zus] heb je verteld dat er nu goed voor haar wordt gezorgd en dat je de zorgen over haar ook beter kan loslaten.
Het is jouw wens om bij de start van het nieuwe schooljaar weer volledig bij je moeder te wonen. Hoewel je het fijn vindt bij je oom en tante, mis je je moeder en het spontaan kunnen afspreken met vriendinnen.
Op 10 juni 2026 heb ik met moeder gesproken tijdens de zitting. Je moeder had een advocaat meegenomen en mevrouw [B] en mevrouw [A] van Samen Veilig waren ook aanwezig. Ik heb ze verteld wat jij vindt van de situatie, zoals we ook tijdens het gesprek hadden afgesproken.
Ik heb besloten om de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 september 2026 te verlenen en mijn beslissing over de periode van 5 september 2026 tot aan 2 januari 2027 nog uit te stellen. Ik heb gemerkt dat er veel veranderd is in jouw leven. Jij hebt geleerd dat je niet meer voor anderen verantwoordelijk bent. Je moeder heeft ook veel geleerd. Voor je zus wordt gezorgd door anderen. Ik verwacht dat je moeder en jij er binnenkort aan toe zijn dat je weer thuis komt wonen. Ik vind het wel belangrijk dat de jeugdbeschermers samen met je moeder en jou een goed plan op stellen voor jouw terugplaatsing bij je moeder. Daarvoor is het belangrijk dat de jeugdbeschermers goed zicht hebben op de situatie bij je moeder en of er nog aanvullende hulpverlening nodig is. Als het niet zo snel en goed gaat zoals iedereen verwacht en hoopt is het nodig dat er vanuit de goede plek bij je oom en tante tijd en ruimte is om er voor te zorgen dat de situatie voor jou bij je moeder wel goed genoeg is.
Op 4 september 2026 zal ik tijdens een zitting op nieuw met je moeder en de jeugdbeschermers praten over hoe de situatie dan is en of zij vinden dat jij weer volledig bij je moeder kan wonen. Ik zal jou uitnodigen om op een dag vóór deze zitting opnieuw met mij te praten. Je hoeft niet naar dit gesprek te komen, maar kan ook een brief schrijven of niets laten weten.
Ik wens je een fijne zomervakantie!’
Uitvoerbaar bij voorraad
1.1
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht
in het pleeggezin bij oom en tante tot 5 september 2026;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. E.A.A. van Kalveen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in het gerechtsgebouw aan het Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht, op 4 september 2026 te 09.00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.3.
verzoekt de GI om de kinderrechter en de moeder
uiterlijk 1 september 2026te informeren over de stand van zaken en vervolgstappen met betrekking tot de (gedeeltelijke) terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en het verloop van de ingezette hulpverlening voor de moeder en [minderjarige] ;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.