ECLI:NL:RBMNE:2026:4075

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/605127 / FO RK 26-10
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:327 BWArt. 1:329 BWArt. 1:334 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging voogdij tante wegens kindermishandeling en benoeming Nidos als voogd

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 10 juni 2026 een beschikking gegeven in een zaak waarbij de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om de voogdij van een minderjarige, die sinds 2023 in Nederland verblijft, te beëindigen ten gunste van stichting Nidos.

De minderjarige, afkomstig uit Sierra Leone, verloor op jonge leeftijd haar ouders en verbleef daarna bij een kennis in Sierra Leone. Na gezinshereniging kwam zij met haar broers en zus naar Nederland, waar haar tante als pleegoudervoogd fungeerde. De Raad signaleerde ernstige zorgen over kindermishandeling tijdens de periode dat de minderjarige bij de tante woonde, waaronder fysieke en emotionele mishandeling en dreigementen.

De tante ontkende de beschuldigingen en gaf aan twijfels te hebben over de identiteit van de kinderen. De rechtbank kon niet vaststellen wat er precies in de thuissituatie is gebeurd, maar stelde vast dat de minderjarige zich zeer onveilig voelde, wat schadelijk is voor haar ontwikkeling. De tante heeft de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding inmiddels niet meer op zich genomen.

De rechtbank oordeelde dat de tante niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn voor de minderjarige te zorgen en besloot daarom de voogdij te beëindigen en Nidos als nieuwe voogd te benoemen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de voogdij van de tante wegens kindermishandeling en benoemt stichting Nidos als nieuwe voogd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/605127 / FO RK 26-10
Voogdij
Beschikking van 10 juni 2026
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,
locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad
betreffende het kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] (Sierra Leone).
tegen
[voormalige tante en voogd],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: (voormalig) tante en voogd
met als belanghebbenden
stichting NIDOS,
gevestigd in Utrecht,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI of Nidos.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, binnengekomen op 6 januari 2026;
  • het bericht met bijlage van de Raad van 17 februari 2026;
  • het bericht van de Raad van 19 februari 2026.
1.2
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] gevraagd om haar mening over het verzoek. Op 6 mei 2026 heeft de rechtbank van [minderjarige] een e-mail ontvangen.
1.3
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de tante;
  • mevrouw [A] namens Nidos;
  • mevrouw [B] en mevrouw [C] namens de Raad;
  • mevrouw M.V. Babkina als tolk voor de tante.
2 De feiten
2.1
De ouders van [minderjarige] zijn overleden.
2.2
[minderjarige] verblijft sinds 2023 in Nederland.
2.3
Bij beschikking van 1 februari 2024 is voor recht verklaard dat wordt erkend de beslissing zoals vervat in de Court Order van 10 juli 2019, afgegeven door [D] , dat [voormalige tante en voogd] (geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] , (Sierra Leone)) naar het recht van Sierra Leone voogdes is geworden van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] (Sierra Leone).
2.4
[minderjarige] verblijft sinds 10 september 2024 in een pleeggezin (bij familie [pleeggezin] ).
2.5
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025 is Nidos met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast.
2.6
[minderjarige] en de tante hebben de Sierra Leoonse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt de rechtbank om de tante als voogd van [minderjarige] te ontslaan en Nidos met de voogdij over [minderjarige] te belasten.
3.2
Nidos heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.
3.3
De tante is het eens met het verzoek van de Raad.
3.4
[minderjarige] is het ook eens met het verzoek.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1
De tante en [minderjarige] hebben niet de Nederlandse nationaliteit. Daarom moet de rechtbank eerst beoordelen of de Nederlandse rechter wel bevoegd is om te beslissen op het verzoek. Ook moet de rechtbank beoordelen van welk land de rechtsregels worden toegepast.
4.2
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift van de Raad had [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter komt daarom op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter rechtsmacht toe om op het verzoek te beslissen. [1] Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996) is op het verzoek Nederlands recht van toepassing.
Conclusie
4.3
De rechtbank wijst het verzoek van de Raad toe en ontslaat de tante als voogd over [minderjarige] ten gunste van Nidos.
Het wettelijk kader
4.4
De rechtbank kan op verzoek van de Raad de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. [2] Na beëindiging van de voogdij voorziet de rechtbank in het gezag. [3] Daarbij kan de rechtbank de voogdij ook opdragen aan een gecertificeerde instelling. [4]
Beëindiging voogdij
4.5
De rechtbank is van oordeel dat aan bovenstaand criterium is voldaan. Uit het rapport van de Raad volgt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is afkomstig uit Sierra Leone waar zij op jonge leeftijd haar beide ouders is verloren. Zij heeft hierdoor al vroeg meerdere ingrijpende traumatische ervaringen opgedaan. Na het overlijden van haar ouders heeft [minderjarige] circa tien jaar samen met haar broers en zus bij een kennis (tantes vriendin) gewoond, bij wie zij het naar eigen zeggen fijn heeft gehad. Vervolgens is [minderjarige] samen met haar broers en zus naar Nederland gekomen op basis van gezinshereniging met haar tante, die als pleegoudervoogd fungeerde. De Raad denkt dat het voor [minderjarige] ingrijpend is geweest om weg te gaan uit haar vertrouwde omgeving bij de vriendin van de tante en te moeten wennen aan een vreemd land waar zij de taal niet sprak. Bovendien ging het niet goed bij de tante thuis. De Raad heeft ernstige zorgen over signalen van kindermishandeling in de periode dat [minderjarige] bij de tante verbleef. [minderjarige] heeft verklaard dat zij en haar broers en zus structureel fysiek en emotioneel mishandeld zijn door de tante. De kinderen werden geslagen, moesten huishoudelijke taken uitvoeren en er was sprake van dreigementen, waaronder de dreiging om teruggestuurd te worden naar Sierra Leone indien zij niet zouden luisteren. [minderjarige] beschrijft dat zij zich in deze periode zeer onveilig heeft gevoeld.
4.6
De tante ontkent de beschuldigingen van kindermishandeling en stelt dat slechts sprake is geweest van stemverheffingen. Verder heeft de tante verklaard dat zij twijfels heeft over de identiteit van [minderjarige] en haar broers en zus en dat zij nu van mening is dat [minderjarige] en haar broers en zus niet de kinderen zijn van haar broer. De tante wil de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet meer dragen. Sinds dat [minderjarige] niet meer bij de tante woont is de tante ook niet meer betrokken geweest bij [minderjarige] .
4.7
De rechtbank kan op basis van de stukken niet vaststellen wat er in de thuissituatie van de tante is gebeurd, maar duidelijk is wel dat [minderjarige] zich bij de tante zeer onveilig heeft gevoeld. Dit is heel schadelijk voor haar ontwikkeling. [minderjarige] heeft ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en hierdoor juist behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tante niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn te dragen. Nu de tante afstand heeft genomen van [minderjarige] is het ook niet de verwachting dat de situatie op korte termijn zal veranderen.
Voogdij naar Nidos
4.8
Omdat de voogdij van de tante wordt beëindigd, is het nodig dat er een andere voogd wordt benoemd. Er is ook geen ander natuurlijk persoon aanwezig die de voogdij op zich zou kunnen nemen. De rechtbank vindt het daarom in het belang van [minderjarige] dat Nidos wordt belast met de voogdij. Nidos heeft ook veel ervaring in het begeleiden van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
beëindigt de voogdij van
[voormalige tante en voogd]over het kind
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] (Sierra Leone);
5.2
belast stichting Nidos met de voogdij over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] (Sierra Leone);
5.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (hierna: Brussel II-ter).
2.Artikel 1:327 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 1:329 BW Pro
3.Artikel 1:334 BW Pro
4.Artikel 1:302 BW Pro