ECLI:NL:RBMNE:2026:4070

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/16/605396 / FO RK 26-29
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 BWArt. 1:206 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van erkenning wegens niet-biologische vaderschap ondanks termijnoverschrijding

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de erkenning van haar door de man te vernietigen omdat hij niet haar biologische vader is. De erkenning vond plaats toen verzoekster negen jaar oud was, en zij was toen al op de hoogte dat de man vermoedelijk niet haar biologische vader was. De wettelijke termijn voor het indienen van een verzoek tot vernietiging is echter ruim overschreden.

Verzoekster beroept zich op artikel 8 van Pro het EVRM, dat het recht op respect voor privé- en gezinsleven beschermt, en vraagt de rechtbank om de termijnoverschrijding te negeren. De rechtbank overweegt dat hoewel termijnen in principe noodzakelijk zijn voor rechtszekerheid, in dit geval de toepassing van de termijn een ontoelaatbare inmenging vormt in het familie- en gezinsleven van verzoekster.

De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet eerder van de erkenning wist omdat haar moeder dit niet had verteld. Pas bij het aanvragen van een geboorteakte voor haar huwelijk ontdekte zij de erkenning. De man stemt in met het verzoek tot vernietiging. De rechtbank vernietigt daarom de erkenning en bepaalt dat de man nooit juridisch vader is geweest. Het verzoek om onmiddellijke uitvoerbaarheid wordt afgewezen omdat de geboorteakte pas na onherroepelijkheid kan worden aangepast.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de erkenning van verzoekster door de man ondanks termijnoverschrijding op grond van artikel 8 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/605396 / FO RK 26-29
Vernietiging erkenning
Beschikking van 10 juni 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. L. Kaddouri,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 13 januari 2026;
  • het bericht met bijlage van verzoekster van 19 januari 2026;
  • het bericht met bijlage van verzoekster van 10 april 2026.
1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 13 mei 2026. Daarbij waren verzoekster en haar advocaat aanwezig. De man is ondanks dat hij juist is opgeroepen niet naar de zitting gekomen. Aan de partner van de vrouw de heer [A] is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] .
2.2
De moeder van verzoekster is
[moeder], geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] , Suriname.
2.3
De moeder heeft een relatie gehad met de heer
[B], geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] , Suriname (hierna: de heer [B] ).
2.4
Volgens verzoekster is de heer [B] haar biologische vader. De heer [B] heeft verzoekster echter nooit erkend.
2.5
Vervolgens heeft de moeder een relatie gehad met de heer
[de man], geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] (hierna: de man).
2.6
De man heeft verzoekster erkend op 7 juni 2007 in Utrecht. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Utrecht heeft het Nederlandse recht toegepast op de erkenning.
2.7
Alle partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Verzoek en verweer

3.1
Verzoekster vraagt de rechtbank om de erkenning van haar door de man te vernietigen.
3.2
De man is het eens met het verzoek. Hij heeft een referteverklaring ondertekend.

4.De beoordeling

Conclusie
4.1
De rechtbank zal het verzoek toewijzen en de erkenning van verzoekster door de man vernietigen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Wettelijk kader en ontvankelijkheid
4.2
Op grond van de wet kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind, door het kind zelf bij de rechtbank worden ingediend. Dit verzoek moet door het kind worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend. [1]
4.3
Op het moment van de erkenning was verzoekster negen jaar oud. Toen was ook bekend dat de man niet haar biologische vader was. Omdat verzoekster het verzoek tot vernietiging van de erkenning pas heeft gedaan toen zij 27 jaar oud was, is de wettelijk gestelde termijn ruim overschreden. Verzoekster doet een beroep op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en verzoekt de rechtbank met het oog op de jurisprudentie voorbij te gaan aan deze termijn. De vraag die aan het rechtbank nu voorligt, is of in deze zaak de toepassing van de in artikel 1:205 lid 4 BW Pro gestelde termijn een ontoelaatbare inmenging oplevert in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde familie- en gezinsleven (family life).
4.4
De rechtbank stelt voorop dat uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging is in het familie- en gezinsleven van verzoekster in de zin van artikel 8 EVRM Pro, omdat de in de wet gestelde termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om de rechtszekerheid te waarborgen en ter bescherming van de belangen van het kind. Dit laat onverlet dat onder bepaalde omstandigheden het vasthouden aan een termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel degelijk een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven kan opleveren en in zoverre strijdig kan zijn met artikel 8 EVRM Pro. Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is van strijd met artikel 8 EVRM Pro moet het belang van verzoekster om de biologische en juridische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming te brengen, worden afgewogen tegen het belang van de rechtszekerheid en het belang van derden.
4.5
De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat toepassing van de in artikel 1:205 lid 4 BW Pro gestelde termijn een ontoelaatbare inbreuk oplevert in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde familie- en gezinsleven. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster voldoende heeft onderbouwd waarom zij het verzoek tot vernietiging van de erkenning niet eerder heeft kunnen indienen. Verzoekster heeft verklaard dat zij nooit op de hoogte is geweest van het feit dat zij is erkend door de man omdat haar moeder dit nooit heeft verteld. Pas ongeveer een jaar geleden toen verzoekster ging trouwen en zij daarvoor een geboorteakte moest aanvragen, kwam zij erachter dat zij is erkend door de man. Dit was een grote schok voor verzoekster omdat zij vooral negatieve herinneringen heeft aan de man. Verzoekster heeft vervolgens juridische bijstand gezocht en de mogelijkheden onderzocht om de erkenning te laten vernietigen. Zij kwam er toen ook pas achter dat er een vervaltermijn bestaat voor een verzoek tot vernietiging van de erkenning. Verzoekster was hier eerder niet van op de hoogte. Nu de man schriftelijk heeft verklaard dat hij het eens is met het verzoek, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien hoe de rechtszekerheid en de belangen van hierbij betrokken anderen in deze zaak zullen worden geschaad bij het niet vasthouden aan de wettelijke termijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de termijnstelling in artikel 1: 205 lid 4 BW in dit geval een ongerechtvaardigde inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro in het familie- en gezinsleven van Verzoekster oplevert.
Inhoudelijke beoordeling
4.6
Vaststaat dat de man niet de biologische vader is van verzoekster. Verzoekster heeft al lange tijd geen enkel (direct) contact meer met hem. Verzoekster heeft verklaard dat zij lijdt onder het feit dat zij de juridische dochter is van de man. De man heeft namelijk enorme schade aangericht in het leven van verzoekster.
4.7
Uit de stukken blijkt dat de man het eens is met het verzoek. Hij heeft ook geen verweer gevoerd. De rechtbank vindt het daarom in het belang van verzoekster dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid, oftewel dat in de geboorteakte van verzoekster niet langer de gegevens van de man als vadergegevens staan. Daarom zal de rechtbank de erkenning vernietigen.
Gevolgen van de vernietiging van de erkenning
4.8
Nadat de beschikking over de vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nooit gevolg te hebben gehad. [2] Dit betekent dat de man nooit de juridische vader van verzoekster is geweest. Ook houdt verzoekster de geslachtsnaam van de moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.9
Verzoekster heeft verzocht om de beslissing ‘voor zover mogelijk’ uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.
5 De beslissing
De rechtbank:
5.1
vernietigt de erkenning van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
door:
[de man], geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ;
5.2
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Utrecht;
5.3
wijst het verzoek voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:205 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:206 BW Pro