ECLI:NL:RBMNE:2026:4026

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/4232 en UTR 25/5857
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet geluidhinderArt. 1.2 Besluit geluidhinderArt. 1.3 Besluit geluidhinderArt. 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom voor gebruik pand voor begeleid wonen in strijd met bestemmingsplan

De zaak betreft een geschil tussen Stichting Accuraat Begeleid Wonen en het college van burgemeester en wethouders van Almere over het gebruik van een pand voor begeleid wonen, dat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college legde een last onder dwangsom op om het gebruik te beëindigen, omdat het pand een geluidsgevoelige functie heeft die niet past binnen de bestemming.

De rechtbank oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom het gebruik niet binnen de functieaanduiding maatschappelijk - gezondheidszorg valt. Het college kreeg de gelegenheid dit te herstellen, wat het deed door aanvullende motivering en bijlagen te overleggen.

De rechtbank stelt vast dat het college terecht vasthoudt aan de kwalificatie van het gebruik als begeleid wonen en niet als gezondheidszorg, maar dat dit oordeel niet opnieuw ter discussie mag worden gesteld in deze herstelprocedure. De rechtbank volgt het college in de beoordeling dat het pand een geluidsgevoelige functie heeft en dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat de vergelijkingen met andere panden niet opgaan.

De rechtbank vindt de verhoging van de dwangsom gerechtvaardigd gezien recidive en overlast, en acht de begunstigingstermijn voldoende. De beroepen worden gegrond verklaard wegens het eerdere gebrek, maar omdat het college dit heeft hersteld, blijven de rechtsgevolgen van de besluiten in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de besluiten, maar laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/4232 en UTR 25/5857

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaken tussen

Stichting Accuraat Begeleid Wonen, gevestigd in Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M. Bos).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[derde partij 1]en
[derde partij 2] B.V.te [plaats]
(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming).

Procesverloop

1. Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 18 december 2025 over de
lasten onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd om het met het omgevingsplan gemeente Almere strijdige gebruik van het pand aan de [adres] in [plaats] te beëindigen.
2. Voor een beschrijving van de achtergrond van het geschil en de procedure tot aan de
tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak [1] .
3. In de tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat het college beide dwangsombesluiten
ten onrechte heeft gebaseerd op het standpunt dat het gebruik van het pand niet kan worden aangemerkt als passend binnen de functieaanduiding maatschappelijk - gezondheidszorg. Daardoor zijn beide besluiten onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om dit gebrek in de besluiten te herstellen door alsnog te motiveren waarom het gebruik als maatschappelijk - gezondheidszorg van het pand niet gelegaliseerd kan worden of anderszins geen sprake is van een bijzonder geval om van handhavend optreden af te zien. Het college kon na heroverweging ook besluiten om alsnog van handhavend optreden af te zien.
4. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 11 februari 2026 een aanvullende
motivering ingediend met als bijlagen een controlerapport van 29 januari 2026, een zorgcontract en een “toelichting woon- en leefgroep”. Eiseres heeft hierop op 16 maart 2026 schriftelijk gereageerd en derde-partijen hebben op 11 maart 2026 een reactie ingediend.
5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het
onderzoek op 1 april 2026 gesloten.

Overwegingen

6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de
tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Betekenis van de tussenuitspraak
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat het college in zijn herstelpoging (ook) het oordeel
van de rechtbank dat het college het gebruik van het pand ten onrechte heeft gekwalificeerd als begeleiding bij het zelfstandig wonen, ter discussie stelt. Het college zet daarbij uitvoerig uiteen waarom hij bij zijn standpunt blijft dat geen sprake is van gezondheidszorg maar van (begeleid) wonen. Daarvoor is de bestuurlijke lus echter niet bedoeld en de rechtbank heeft het college ook niet in de gelegenheid gesteld daarover een aanvullende motivering te geven. De rechtbank heeft het college slechts de mogelijkheid gegeven om nader te motiveren waarom het gebruik van het pand, dat kan worden aangemerkt als passend binnen de functieaanduiding maatschappelijk – gezondheidszorg, niet gelegaliseerd kan worden of anderszins geen sprake is van een bijzonder geval om van handhavend optreden af te zien. Dat het college het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van het pand kwalificeert als maatschappelijk - gezondheidszorg maakt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. De rechtbank laat deze nadere motivering van het college en de reacties van eiseres en derde-partijen op dit onderdeel van de herstelpoging dan ook buiten beschouwing in deze einduitspraak.
8. De rechtbank vat wat het college in zijn herstelpoging heeft opgenomen over de
geluidgevoeligheid en het gelijkheidsbeginsel op als motivering waarom er volgens het college nog steeds sprake is van een overtreding en waarom hij geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht om van handhavend optreden af te zien.
Is er sprake van een overtreding?
9. Over de geluidgevoeligheid heeft het college onderbouwd dat het gebruik van het pand
valt onder geluidgevoelig als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Het college volgt de verwijzing van eiseres naar artikel 3.18 van het Bkl niet, omdat in het bestemmingsplan enkel wordt verwezen naar de definitie van geluidsgevoelig uit de Wet Milieubeheer (Wm), die is overgegaan in het Bkl. Eiseres heeft hierover opgemerkt dat het college nog altijd niet motiveert waarom hij de verwijzing naar artikel 3.18 van het Bkl niet volgt.
10. De rechtbank stelt vast dat de motivering van het college waarom hij de verwijzing naar
artikel 3.18 van het Bkl niet volgt, mager is. Het college heeft hierover slechts opgemerkt dat hij uitgaat van de definitie van geluidgevoelig uit de Wm, die is overgegaan in het Bkl. De rechtbank neemt daarbij aan dat het college in plaats van de Wm de Wet geluidhinder (Wgh) bedoelt, nu alleen die laatste wet wordt genoemd in de bestemmingsomschrijving. Daarmee laat het college de vraag van eiseres of sprake is van een geluidgevoelig gebouw dat op een industrieterrein ligt waarvoor afdeling 3.5 niet geldt, onbeantwoord. De rechtbank zal hier echter geen verdere consequenties aan verbinden, nu zij het college kan volgen in het standpunt dat sprake is van een geluidgevoelig gebouw, zowel onder de gelding van de Wgh als die van het Bkl. [2] In beide regelingen wordt een gezondheidszorgfunctie immers als geluidgevoelig bestempeld. Daarnaast heeft het college op de zitting van 11 november 2025 uiteengezet dat weliswaar sprake is van een gebied waar bedrijven zijn toegestaan, maar dat dit geen industrieterrein is als bedoeld in de Wgh of het Bkl. Ook daarin kan de rechtbank het college volgen nu geen sprake is van een gezoneerd industrieterrein onder de Wgh of een industrieterrein met een geluidproductieplafond. Dat betekent dat het college op juiste gronden heeft vastgesteld dat sprake is van een geluidsgevoelige functie die volgens de van toepassing zijnde bestemming niet is toegestaan en dat dit dus een overtreding oplevert.
Had het college van handhavend optreden moeten afzien?
11. Het college heeft in zijn nadere motivering aangegeven dat hij geen aanleiding ziet om
af te wijken van het omgevingsplan. Uitgangspunt van de Visie Werklocaties is om geen economische locaties op te heffen voor andere functies. Het college staat daarom geen nieuwe transformatieplannen toe om de huidige functie om te zetten naar begeleid wonen. Er bestaat dus geen concreet zicht op legalisering. Eiseres heeft op dit punt niet specifiek gereageerd, behalve dan opnieuw erop te wijzen dat het gebruik kan worden aangemerkt als passend binnen de functieaanduiding maatschappelijk – gezondheidszorg.
12. De rechtbank stelt vast dat er geen legaliserende aanvraag is ingediend en dat het
college ook niet bereid is om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Dat betekent dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. [3]
13. Over het beroep dat eiseres heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel heeft het college
zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen. Bij het pand dat wordt gebruikt door [derde partij 2] gaat het om een kinderdagverblijf, waar in de nachtelijke uren niemand verblijft, terwijl het in het pand van eiseres gaat om de tijdelijke huisvesting van jongeren, die ook in de nachtelijke uren in het pand verblijven. Ook wijst het college erop dat voor [derde partij 2] specifiek de afweging is gemaakt om een kinderdagverblijf toe te staan. Verder ligt het pand van [derde partij 2] op de rand van het bedrijventerrein en grens het aan de woonwijk, terwijl het pand van eiseres midden in het bedrijventerrein ligt. Voor het pand van Familysupporters geldt dat het gaat om minder kamers dan bij eiseres en dat ook sprake is van een andere doelgroep. Familysupporters beschikt daarnaast over een omgevingsvergunning en ten tijde van de vergunningverlening was de Visie Werklocaties nog niet van kracht. Eiseres heeft in haar reactie aangevoerd dat deze argumentatie (te) summier blijft. Met name wordt volgens haar niet duidelijk waarom het verschil in doelgroep planologisch relevant zou zijn, terwijl het bestemmingsplan primair ziet op ruimtelijke effecten.
14. De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake
is van gelijke gevallen. Een aantal argumenten rust op de foutieve veronderstelling van het college dat bij het pand van eiseres sprake is van een woonfunctie. Die argumenten houden dus geen stand. Voor de vergelijking met [derde partij 2] blijft in iedere geval overeind dat het daarbij niet gaat om een 24/7 opvang zoals bij eiseres wel het geval is. Voor Familysupporters geldt dat een omgevingsvergunning is verleend en in het geval van eiseres niet. Dat maakt dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Hieraan voegt de rechtbank toe dat voor de andere panden geen handhavingsverzoek is ingediend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Tussenconclusie
15. De rechtbank oordeelt dat het college met de aanvullende motivering het gebrek in de
besluitvorming heeft hersteld.
Overige nog niet besproken gronden
16. Eiseres heeft nog aangevoerd dat de tweede dwangsom te hoog is en de
begunstigingstermijn te kort.
17. De rechtbank stelt vast dat het college in het besluit van 8 juli 2024 een dwangsom van
€ 500,- per overtreding met een maximum van € 4.000, - heeft opgelegd om eiseres te bewegen de overtreding te beëindigen. Die dwangsom heeft er niet toe geleid dat eiseres die overtredingen ongedaan heeft gemaakt. In het tweede besluit van 1 september 2025 heeft het college een dwangsom van € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 40.000, - opgelegd. De rechtbank vindt dit een forse verhoging, maar vindt dat het college in het besluit voldoende heeft gemotiveerd dat en waarom dit bedrag redelijk is. Zo heeft het college onder andere gewezen op de recidive, het financieel voordeel, de door de omgeving ervaren overlast en het niet voldoen aan de brandveiligheidseisen. Het betoog slaagt daarom niet.
18. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn is het uitgangspunt dat die
termijn niet wezenlijk langer is dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn komt het bestuursorgaan vrijheid toe. De rechtbank moet deze vrijheid respecteren, wat betekent dat de rechtbank het gebruik van die bevoegdheid terughoudend toetst. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn mag (ook) rekening worden gehouden met de tijd die een overtreder heeft gehad voorafgaand aan de lastgeving om de strijdige situatie op te lossen.
19. Het college heeft de begunstigingstermijn voor de tweede last onder dwangsom
opgeschort tot zes weken na de uitspraak in deze zaken. De rechtbank is van oordeel dat deze termijn eiseres voldoende gelegenheid biedt om de overtreding tijdig op te heffen. Eiseres heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom deze termijn te kort is.

Conclusie en gevolgen

20. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen gegrond. De
rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand.
21. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet het college in beide zaken aan
eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift [4] , 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 770,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door rechter mr. ing. A. Rademaker, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 1 Wet Pro geluidhinder, artikelen 1.2 en 1.3 van het Besluit geluidhinder en artikel 3.21 van het Bkl.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
4.Vanwege de samenhang tussen beide zaken wordt 1 punt toegekend.