ECLI:NL:RBMNE:2026:4009

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/16/609819 / KG ZA 26-198
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.32 AwArt. 1.4 AwArt. 1.10a AwArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op directe gunning aanbesteding geïntegreerd softwarepakket wegens ontbreken technische mededinging niet aannemelijk

ROC Midden-Nederland was voornemens een geïntegreerd softwarepakket voor E-HRM en Finance zonder aanbesteding direct te gunnen aan haar huidige leverancier, Stichting ROC Midden-Nederland, omdat zij meende dat mededinging om technische redenen ontbrak. [Eiseres] B.V. betwistte dit en vorderde dat ROC de opdracht niet direct zou gunnen en een passende aanbestedingsprocedure zou volgen.

De rechtbank oordeelde dat ROC onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen andere leveranciers zijn die het gevraagde geïntegreerde softwarepakket kunnen leveren. De marktconsultatie waarop ROC zich baseerde, was niet bedoeld om het ontbreken van mededinging vast te stellen en slechts één leverancier reageerde, wat niet betekent dat er geen alternatieven zijn. ROC had ook geen verifieerbaar marktonderzoek overlegd.

Daarnaast was niet voldaan aan de voorwaarde dat er geen redelijk alternatief of substituut bestaat. [Eiseres] en een andere onderneming boden alternatieve systemen aan, die functioneel vergelijkbaar zijn, ook al verschillen ze technisch. ROC had onvoldoende onderbouwd waarom deze alternatieven niet toereikend zouden zijn.

De voorzieningenrechter verbood ROC daarom de opdracht zonder aanbesteding aan [belanghebbende] te gunnen en beval ROC de opdracht aan te besteden via een passende procedure waaraan [eiseres] kan deelnemen. ROC werd veroordeeld tot betaling van proceskosten, evenals [belanghebbende], terwijl de proceskosten tussen ROC en [belanghebbende] werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: ROC wordt verboden de opdracht zonder aanbesteding aan [belanghebbende] te gunnen en moet de opdracht aanbesteden via een passende procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609819 / KG ZA 26-198
Vonnis in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. K.S.A. Rijnders,
tegen
STICHTING ROC MIDDEN-NEDERLAND,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ROC,
advocaat: mr. M.A.M. Snoek,
met als tussenkomende partij
[belanghebbende] B.V.,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,
advocaat: mr. C.A.M. Lombert.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 april 2026 met 8 producties,
- de conclusie van antwoord met 4 producties,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst (primair) en voeging (subsidiair),
- de akte houdende wijziging van eis van [eiseres] ,
- de producties 9 en 10 van [eiseres] ,
- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiseres] ,
- de pleitnota van ROC,
- de pleitnota van [belanghebbende] .
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling is het incident tot tussenkomst subsidiair voeging behandeld. [eiseres] en ROC hebben geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [belanghebbende] om te mogen tussenkomen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat het [belanghebbende] wordt toegestaan om in het kort geding tussen te komen. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd. Dit betekent dat [eiseres] , ROC en [belanghebbende] in het incident ieder hun eigen kosten dragen.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
ROC was vanwege het eindigen van haar huidige contract per 13 december 2026 voornemens een aanbesteding voor de aanschaf en implementatie van een geïntegreerd softwarepakket te houden. Nadat ROC een marktconsultatie had gehouden, heeft zij besloten de opdracht zonder aanbesteding aan [belanghebbende] , haar huidige software leverancier, te willen gunnen omdat volgens haar gebleken is dat er geen andere leveranciers zijn die de gewenste software kunnen leveren. De mededinging zou om technische redenen ontbreken. Volgens [eiseres] is deze voorlopige gunning in strijd met het aanbestedingsrecht. Zij vordert daarom – samengevat – dat het ROC wordt verboden de opdracht aan [belanghebbende] te gunnen en dat ROC, voor zover ROC alsnog de opdracht wenst te geven, wordt geboden de opdracht aan te besteden via een passende aanbestedingsprocedure. De kernvraag is of ROC voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de mededinging om technische redenen ontbreekt. De voorzieningenrechter acht dat niet het geval en stelt [eiseres] in het gelijk.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
Op 20 februari 2025 heeft ROC een marktconsultatie gepubliceerd voor een geïntegreerd softwarepakket voor E-HRM en Finance. Alleen [belanghebbende] heeft inhoudelijk op deze marktconsultatie gereageerd.
3.2
Daarna heeft ROC op 27 mei 2025 de “Aankondiging vrijwillige transparantie vooraf-geïntegreerd softwaresysteem E-HRM en Finance Stichting ROC Midden Nederland” (hierna: de eerste aankondiging) op Tendernet gepubliceerd. Hierin heeft ROC aangekondigd dat zij voornemens is de opdracht aan [belanghebbende] te gunnen. Dat wordt als volgt toegelicht:
“Stichting ROC Midden Nederland doet een beroep op artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 Aw omdat mededinging om technische redenen ontbreekt. Uit de marktconsultatie komt naar voren dat er geen andere leveranciers zijn die een SaaS softwarepakket kunnen leveren waarbij Human Resources (HR) processen en financieel managementprocessen geïntegreerd in een systeem worden aangeboden”.
3.3
[bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), waarvan [eiseres] deel uitmaakt, heeft bij brief van 12 juni 2026 hiertegen bezwaar gemaakt. Ook een andere onderneming heeft dat gedaan. Hierop zijn [bedrijf] en de andere onderneming door ROC uitgenodigd om de vragen van de marktconsultatie te beantwoorden en haar oplossing voor een geïntegreerd softwarepakket voor E-HRM en Finance aan ROC te presenteren, waarna door ROC zou worden bezien of alsnog een openbare aanbestedingsprocedure zou worden georganiseerd. [bedrijf] heeft daarop gereageerd met de mededeling dat zij niet ingaat op deze uitnodiging, omdat zij onvoldoende capaciteit had om mee te doen met de consultatie. De andere ondernemer, die wel van de door ROC geboden gelegenheid gebruik gemaakt heeft, is volgens ROC niet in staat gebleken een geïntegreerd softwarepakket te leveren.
3.4
ROC heeft vervolgens geen overeenkomst gesloten met [belanghebbende] . Op 23 maart 2026 heeft ROC een nieuwe “Aankondiging van vrijwillige transparantie vooraf geïntegreerd softwarepakket e-HRM en Finance” (hierna: de tweede aankondiging) op Tendernet gepubliceerd. Van de tweede aankondiging maakt een “Verdiepende onderbouwing aankondiging van vrijwillige transparantie vooraf” deel uit waarin ROC dieper in gaat op de vereiste functionaliteiten van het geïntegreerd softwarepakket. In de tweede aankondiging heeft ROC haar eerdere voornemen gehandhaafd. De reacties van [bedrijf] en de andere ondernemer hadden het standpunt van ROC niet gewijzigd.
3.5
[eiseres] heeft bij brief van 1 april 2026 van mr. K.S. Rijnders ROC verzocht het voornemen tot gunning in te trekken omdat niet voldaan is aan de uitzondering van artikel 2.32 lid 1 sub b Aw.

4.De beoordeling

[eiseres] heeft belang bij haar vorderingen
4.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiseres] belang heeft bij haar vorderingen. ROC heeft aangevoerd dat [eiseres] geen softwarepakket aan haar zou kunnen leveren dat zou voldoen aan de uitvraag. Echter, los van de vraag of [eiseres] het uitgevraagde softwarepakket zou kunnen leveren, heeft zij hoe dan ook een belang bij haar vorderingen. Bij toewijzing van de vorderingen van [eiseres] is er voor [eiseres] in ieder geval een kans om de opdracht gegund te krijgen doordat zij in dat geval mee zou kunnen doen aan een aanbestedingsprocedure. Die kans heeft zij nu niet gekregen.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
4.2
Het spoedeisend belang van [eiseres] vloeit voort uit de aard van het gevorderde.
De uitzondering van artikel 2.32 Aw is niet van toepassing
4.3
Op grond van artikel 1.4 Aw heeft als uitgangspunt te gelden dat een aanbestedende dienst die voornemens is een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel voor het verrichten van werken, leveringen of diensten te sluiten, de keuze voor de procedure en de deelnemers objectief moet maken. Artikel 1.10a Aw bepaalt vervolgens dat een aanbestedende dienst met inachtneming daarvan geen opdracht ontwerpt met het oogmerk zich te onttrekken aan de toepassing van de Aw of mededinging op kunstmatige wijze te beperken. Van deze laatste beperking is volgens lid 2 van dit artikel sprake indien de opdracht is ontworpen met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen of te benadelen. Hoofdstuk 2.2 van de Aw vermeldt de verschillende procedures voor het plaatsen van opdrachten voor aanbestedende diensten. Van dit hoofdstuk maakt deel uit artikel 2.32 Aw, waarin de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging is uitgewerkt. Deze procedure vormt een uitzondering op de algemene openbare aanbestedingsplicht en biedt feitelijk de mogelijkheid voor onderhandse gunning. Deze uitzonderingsgrond dient daarom restrictief te worden geïnterpreteerd.
4.4
ROC doet een beroep op de grond als opgenomen in onderdeel 2 van sub b van het eerste lid van artikel 2.32 Aw. Deze grond houdt in dat de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging kan worden toegepast indien de overheidsopdracht slechts door een bepaalde ondernemer kan worden verricht, omdat mededinging om technische redenen ontbreekt. Hieraan is in het derde lid van artikel 2.32 Aw toegevoegd dat deze uitzonderingsgrond uitsluitend van toepassing is indien er geen redelijk alternatief of substituut bestaat en het ontbreken van mededinging niet het gevolg is van een kunstmatige beperking van de voorwaarden van de aanbesteding. De aanbestedende dienst die zich beroept op de uitzondering van de technische redenen, moet bewijzen dat er redenen zijn in de zin van die bepaling, maar ook dat die redenen het volstrekt noodzakelijk maken de in geding zijnde opdracht aan de onderneming in kwestie te gunnen. Tevens moet aan alle voorwaarden worden voldaan die aan de uitzondering worden gesteld waarop de aanbestedende dienst zich beroept.
4.5
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aan alle voorwaarden voor de uitzondering van artikel 2.32 Aw is voldaan. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.6
ROC heeft ten eerste onvoldoende aangetoond dat mededinging om technische redenen ontbreekt en de uitzondering van artikel 2.32 Aw dus van toepassing is. ROC heeft haar beroep op artikel 2.32 Aw voornamelijk gebaseerd op de uitkomsten van de door haar uitgevoerde marktconsultatie in januari 2025. Deze marktconsultatie had kort gezegd tot doel inzicht te verkrijgen in de beschikbare oplossingen, informatie te krijgen over de (on)mogelijkheden van een geïntegreerd softwarepakket voor E-HRM en Finance in relatie tot de situatie van ROC en de markt mee te laten denken over mogelijke oplossingen. Gelet op dit doel van de marktconsultatie, kan uit het feit dat alleen [belanghebbende] daarop heeft gereageerd niet worden afgeleid dat mededinging om technische redenen ontbreekt. Dat was ook niet het onderzoekskader van de marktconsultatie. Een van de randvoorwaarden van de marktconsultatie was bovendien dat marktpartijen door deelname aan de marktverkenning in een mogelijk vervolgtraject niet in een bevoordeelde (of benadeelde) positie zouden komen. Om deze redenen rechtvaardigt het feit dat er naast [belanghebbende] geen andere marktpartijen hebben gereageerd op de marktconsultatie, niet de conclusie dat er behalve [belanghebbende] geen andere partijen zijn die een geïntegreerde E-HRM en Finance applicatie kunnen leveren. In de eerste aankondiging wordt die gevolgtrekking echter wel gemaakt. Daar staat immers: “Uit de marktconsulatie komt naar voren dat er geen andere leveranciers zijn die een SaaS softwarepakket kunnen leveren waarbij (…)”.
4.7
In de tweede aankondiging wordt ingegaan op de mogelijkheid die [eiseres] en een andere onderneming gegeven is om te onderbouwen dat zij een “geïntegreerde E-HRM en Finance applicatie kunnen leveren”. [eiseres] heeft daarvan geen gebruik gemaakt, de andere onderneming wel. Volgens ROC bleek de andere onderneming niet in staat te onderbouwen dat zij het geïntegreerde softwarepakket leveren kon. Dat [eiseres] geen gebruik gemaakt heeft van deze mogelijkheid tot onderbouwing en dat de andere onderneming daartoe niet in staat is gebleken, legt ROC ten grondslag aan haar besluit om de voorgenomen gunning aan te handhaven. Ook deze twee feiten kunnen de conclusie dat er behalve [belanghebbende] geen andere partijen zijn die een geïntegreerde E-HRM en Finance applicatie niet rechtvaardigen. De gelegenheid die [eiseres] heeft gekregen om nader te onderbouwen dat zij het uitgevraagde softwarepakket kon leveren is door ROC gedaan in het kader van de marktconsultatie. Dat kader heeft reeds tot gevolg dat ROC uit het feit dat [eiseres] om haar moverende redenen niet van die gelegenheid gebruik gemaakt heeft en het feit de andere onderneming naar het oordeel van ROC niet heeft aangetoond dat zij de oplossing kon leveren, niet heeft kunnen en mogen afleiden dat de mededinging om technische redenen ontbreekt. Door deze conclusie wel te trekken miskent ROC dat het voor toepassing van de uitzondering van artikel 2.32 Aw niet aan [eiseres] is om aan te tonen dat zij het gevraagde leveren kan. Het is aan ROC om aan te tonen dat mededinging om technische redenen ontbreekt.
4.8
Tijdens de zitting heeft ROC nog aangegeven dat zij haar besluit om de opdracht aan [belanghebbende] te gunnen niet alleen op de marktconsulatie heeft gebaseerd maar ook op een eigen onderzoek dat zij van de relevante markt heeft gemaakt. Over de inhoud en het resultaat van dat onderzoek heeft ROC echter geen (met stukken) verifieerbare informatie gegeven. Door dit na te laten heeft ROC haar kennelijk ook uit dat onderzoek getrokken conclusie dat de mededinging om technische redenen ontbreekt, niet onderbouwd. Om die reden kan op dat marktonderzoek geen acht geslagen worden.
4.9
ROC heeft ter onderbouwing van haar standpunt ook een beroep gedaan op de Verdiepende onderbouwing bij de tweede aankondiging. Volgens ROC volgt daaruit de onderbouwing dat enkel [belanghebbende] aantoonbaar in staat is gebleken om de vereiste prestaties te leveren, en klaarblijkelijk over de specifieke kennis beschikt om de geïntegreerde E-HRM en Finance applicatie te leveren. Dat argument gaat echter niet op.
4.1
In de eerste plaats bevat de Verdiepende onderbouwing vooral een gedetailleerde beschrijving van de door ROC vereiste functionaliteiten en het belang van de onderlinge verwevenheid van de diverse componenten ter onderbouwing van haar belang bij een geïntegreerde E-HRM en Finance applicatie. Deze gedetailleerde beschrijving mag dan wel een onderbouwing zijn van het belang van ROC bij een geïntegreerde E-HRM en Finance applicatie, maar dat belang op zichzelf rechtvaardigt niet de conclusie dat mededinging om technische redenen ontbreekt.
4.11
In de tweede plaats blijkt uit de tekst (p. 1) van de Verdiepende onderbouwing dat ROC voornemens is aan [belanghebbende] te gunnen en dat hiervoor: “De belangrijkste reden is dat is gebleken dat [belanghebbende] de enige partij is die een integrale E-HRM en Finance oplossing kan bieden”. Dit is, zo blijkt uit het in 3.2 opgenomen citaat, een conclusie die ROC uit de marktconsultatie heeft getrokken. Die conclusie is, zoals reeds overwegen, onjuist.
4.12
ROC heeft voor haar stelling dat zij op basis van de marktconsultatie heeft geconstateerd dat [belanghebbende] de enige is die de uitgevraagde oplossing kan leveren, nog aangevoerd dat haar mogelijkheden tot bewijslevering in dit kort geding beperkt zijn. Die beperking komt vanwege de stelplicht en bewijslast voor rekening van ROC. De onderbouwing en het bewijs van het om technische redenen ontbreken van mededinging had ROC al moeten hebben op het moment dat zij koos voor een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging.
4.13
Bovendien heeft ROC onvoldoende onderbouwd gesteld dat er geen redelijk alternatief of substituut bestaat zoals artikel 2.32 lid 3 Aw vereist voor toepassing van de uitzondering die artikel 2.32 Aw biedt. ROC heeft in de marktconsultatie en ook ter zitting toegelicht dat zij een geïntegreerd softwarepakket voor E-HRM en Finance wil en dat [belanghebbende] dat kan leveren. [eiseres] heeft daartegenover aangevoerd dat zij en andere leveranciers een vergelijkbaar systeem kunnen leveren. Volgens [eiseres] is haar oplossing ook een geïntegreerd systeem, maar is haar systeem op een technisch andere wijze ingericht. Zij heeft toegelicht dat haar systeem niet werkt met één, maar met meer bronverzamelingen die aan elkaar gekoppeld zijn door middel van API’s. Haar systeem zou hierdoor functioneel gelijk zijn aan het systeem van [belanghebbende] dat met één bronverzameling werkt. ROC heeft dit bestreden. Volgens haar is het gebruik van dergelijke koppelingen meer risicovol mede vanwege de essentiële functies van het geïntegreerde systeem zoals dat bij haar functioneert en waarmee zij kennelijk voorop loopt.
4.14
Het is aan ROC om te stellen en te bewijzen dat er geen redelijk alternatief of substituut bestaat. In kort geding en gelet op de restrictieve toepassing van artikel 2.32 Aw dient zij dat in aanzienlijke mate aannemelijk te maken. Daarin is ROC niet geslaagd. Zij heeft daar wel beschouwd weinig over gesteld. Dat zij een systeem met API’s problematischer en risicovoller vindt dan het systeem van [belanghebbende] , betekent niet dat een dergelijk systeem geen redelijk alternatief of substituut is. ROC en [belanghebbende] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er voor hetgeen [belanghebbende] aanbiedt als E-HRM en Finance systeem geen redelijk alternatief of substituut bestaat.
4.15
Tenslotte kan het door ROC aangevoerde en in haar ogen zwaarwegende belang bij afwijzing van de vorderingen, hoe begrijpelijk ook vanuit haar perspectief, niet leiden tot toepassing van artikel 2.32 Aw.
Conclusie: de vorderingen van [eiseres] worden toegewezen
4.16
Dit alles heeft tot gevolg dat het ROC wordt verboden de opdracht definitief te gunnen aan [belanghebbende] of met [belanghebbende] een overeenkomst te sluiten, en dat ROC wordt geboden om het voornemen om de opdracht te gunnen aan [belanghebbende] in te trekken. Als ROC de opdracht nog wenst te gunnen dan wordt zij geboden de opdracht aan te besteden door middel van een procedure waaraan [eiseres] kan deelnemen.
ROC moet de proceskosten betalen
4.17
ROC is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten dagvaarding
128,65
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.766,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.818,65
4.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De vorderingen van [belanghebbende] worden afgewezen
4.19
[belanghebbende] heeft kort gezegd gevorderd [eiseres] niet ontvankelijk te verklaren althans haar vorderingen af te wijzen.
4.2
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [belanghebbende] worden afgewezen.
[belanghebbende] moet de proceskosten betalen
4.21
[belanghebbende] moet als verliezende partij de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] on betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.766,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.955,00
4.22
De proceskosten tussen [belanghebbende] en ROC worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. Omdat ROC geen verweer heeft gevoerd tegen het standpunt van [belanghebbende] , heeft ROC geen kosten gemaakt.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.23
De voorzieningenrechter zal het vonnis uitvaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat dit vonnis moet worden uitgevoerd, óók als een van de partijen hoger beroep instelt. Dit vonnis geldt dan totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
verbiedt ROC de opdracht definitief te gunnen aan [belanghebbende] B.V. dan wel
[belanghebbende] B.V. of met [belanghebbende] B.V. dan wel [belanghebbende] B.V. een
overeenkomst te sluiten, en gebiedt ROC het voornemen om de opdracht te gunnen
aan [belanghebbende] B.V. dan wel [belanghebbende] B.V. in te trekken,
5.2
gebiedt ROC de opdracht alsnog aan te besteden met een passende aanbestedingsprocedure waaraan [eiseres] kan deelnemen, voor zover ROC alsnog de opdracht wenst te gunnen,
5.3
veroordeelt ROC in de proceskosten van € 2.818,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ROC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
veroordeelt ROC tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5
veroordeelt [belanghebbende] in de proceskosten van € 1.955,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [belanghebbende] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7
compenseert de proceskosten tussen [belanghebbende] en ROC, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Wachter op 26 juni 2026.
WM (5442)