ECLI:NL:RBMNE:2026:3983

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611913 / KG ZA 26-291
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 19 lid 4 van het registratiereglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

SKJ moet registratie jeugdwerker herstellen wegens onvoldoende bewijs fraude en onduidelijke ervaringseis

Eiser werd geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (KJ-register) via een ervaringstraject, maar SKJ beëindigde zijn registratie wegens vermoedens van fraude en het niet voldoen aan een ervaringseis. SKJ baseerde dit op een steekproef waaruit bleek dat veel ervaringstrajecten frauduleus waren, maar kon geen concrete aanwijzingen geven dat eiser betrokken was bij fraude.

Eiser vorderde in kort geding herstel van zijn registratie tot de bodemprocedure is afgerond. De voorzieningenrechter oordeelde dat de beëindiging onaanvaardbaar is en dat de kans groot is dat de bodemrechter de beëindiging zal vernietigen. De verwijten aan eiser, waaronder onjuiste informatie in een cv en vervalste documenten, werden niet bewezen of waren irrelevant.

Ook de ervaringseis was niet duidelijk vastgelegd in de reglementen ten tijde van de aanvraag. SKJ moest daarom de registratie herstellen en werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en een dwangsom bij niet-naleving.

Uitkomst: SKJ wordt veroordeeld om de registratie van eiser in het KJ-register te herstellen en te handhaven tot de bodemprocedure is afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/611913 / KG ZA 26-291
Vonnis in kort geding van 25 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong te Utrecht,
tegen
STICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SKJ,
advocaten: mr. A.E. Goossens en mr. L.E. van Hellenberg Hubar te Amsterdam.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende processtukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 31.
1.2
Op de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 is [eiser] verschenen met zijn advocaat mr. De Jong. Namens SKJ zijn verschenen: mevrouw [A] ( [functie 1] ), mevrouw [B] , ( [functie 2] bij SKJ), mevrouw [C] , ( [functie 3] ), mr. Goossens en mr. Van Hellenberg Hubar.
1.3
Partijen en hun advocaten hebben een verdere toelichting op de zaak gegeven en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Zowel de advocaat van [eiser] als de advocaten van SKJ hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn toegevoegd aan de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is gezegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat heden vonnis wordt gewezen.

2.Waar de zaak over gaat

2.1
[eiser] is per 6 november 2024 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, dat door SKJ wordt beheerd (hierna: het KJ-register). Die registratie brengt mee dat hij als jeugdwerker ook werkzaamheden op hbo-niveau mag uitvoeren. In april 2025 heeft SKJ de
KJ-registratie van [eiser] per direct beëindigd. Die beëindiging is medio juli 2025 opgeschort, in afwachting van de uitkomst van een door [eiser] ingediend herbeoordelingsverzoek. SKJ heeft dit herbeoordelingsverzoek afgewezen en heeft vervolgens, op 29 januari 2026, de registratie weer beëindigd.
2.2
[eiser] vordert in dit kort geding veroordeling van SKJ om de beëindiging van de registratie weer op te schorten en de registratie (dus) te herstellen, tot er in de bodemprocedure tussen partijen een uitspraak is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan, met dwangsom, kosten, rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
2.3
De voorzieningenrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat de beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De gevraagde voorziening wordt dan ook toegewezen, maar slechts voor de duur van de procedure in eerste aanleg. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.

3.De verdere achtergrond van het geschil.

Het ervaringstraject
3.1
Een KJ-registratie kan worden verkregen door het succesvol afronden van een relevante hbo-opleiding of via een ervaringstraject. [eiser] heeft die tweede route gevolgd. Deze tweede route is in het leven geroepen voor jeugdwerkers die dan wel geen hbo-opleiding hebben afgerond, maar de competenties die nodig zijn om op dat niveau te werken wel al in de praktijk hebben verworven. Die competenties en ervaring moet worden gevalideerd in een ervaringstraject bij een zogenoemde EVC-aanbieder. Dat ervaringstraject houdt kort gezegd in dat de kandidaat zich aanmeldt bij een erkende EVC-aanbieder, waarna in een intakegesprek wordt gekeken of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden om aan een ervaringstraject te beginnen. Vervolgens stelt de kandidaat een portfolio samen met bewijsstukken die onderbouwen dat hij de aan te tonen competenties voldoende heeft ontwikkeld. Een portfoliobegeleider die in opdracht van de EVC-aanbieder werkt, begeleidt dit proces. Wanneer het portfolio compleet is, vinden assessmentgesprekken plaats met de assessor om te bepalen of de kandidaat over de aangevraagde competenties en ervaring beschikt. De assessor legt dit vast in een ervaringscertificaat. Met dat ervaringscertificaat kan de kandidaat zich vervolgens inschrijven in het KJ-register.
3.2
SKJ heeft vanaf begin 2024 signalen ontvangen van grootschalige fraude met ervaringstrajecten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie van het Onderwijs hebben in juni 2024 een verkenning gepubliceerd. [1] SKJ heeft naar aanleiding van deze signalen begin 2025 een steekproef laten uitvoeren, waarin zij van 269 op basis van een ervaringscerificaat ingeschreven geregistreerden (10% van het totaal) het volledige dossier heeft onderzocht. Zij stelt dat er bij 81 van deze 269 dossiers zodanig ernstige onjuistheden zijn aangetroffen (plagiaat, niet-kloppende werkervaring, niet voldoen aan toelatingseisen voor een EVC-traject) dat SKJ de registraties heeft beëindigd. 49 van die 81 registraties, waaronder die van [eiser] , zijn per direct beëindigd. SKJ heeft de mogelijkheid om via een ervaringstraject in het KJ-register te worden geregistreerd afgesloten. Zij heeft ook in de sector gecommuniceerd dat vanwege de ontdekte fraude niet langer kan worden vertrouwd op afgelegde EVC-trajecten, zodat werkgevers vooralsnog zelf zullen moeten controleren of werknemers over voldoende kennis en ervaring beschikken.
Het ervaringstraject van [eiser]
3.3
[eiser] is op 8 januari 2024, kort na het afronden van mbo-opleiding tot Persoonlijke Begeleider Specifieke Doelgroepen, op zzp-basis gaan werken voor jeugdinstelling [organisatie 1] . Medio 2024 is hij een ervaringstraject gaan volgen bij EVC-aanbieder [organisatie 2] (hierna: [organisatie 2] ). [organisatie 2] heeft op 2 juli 2024 in haar eindgesprek met [eiser] besproken dat drie van de zes competenties bij hem voldoende aangetoond waren, maar de andere drie niet. [organisatie 2] heeft voor die drie competenties aanvullende trainingen aangeboden. Van dat aanbod heeft [eiser] geen gebruik gemaakt.
3.4
[eiser] heeft daarna een andere EVC-aanbieder, [organisatie 3] (hierna: [organisatie 3] ), gevraagd hem te beoordelen. [organisatie 3] mocht de drie competities die volgens [organisatie 2] wel voldoende waren aangetoond zonder verder onderzoek overnemen. [organisatie 3] heeft dan ook alleen de drie andere competenties onderzocht. [organisatie 3] heeft geconcludeerd dat ook die competenties voldoende waren ontwikkeld en zij heeft op 25 september 2024 een ervaringscertificaat verstrekt aan [eiser] . Met dat certificaat heeft [eiser] op 5 november 2024 de KJ-registratie aangevraagd bij SKJ, die hem op 6 november 2024 heeft geregistreerd.
Het onderzoek en de doorhaling
3.5
SKJ heeft op 10 februari 2025 [eiser] laten weten dat hij onderdeel was van de steekproef was. Op 16 april 2025 heeft SKJ laten weten dat zijn registratie per direct werd beëindigd en dat zij de beslissing binnen twee weken schriftelijk nader zou onderbouwen. Dat heeft SKJ op 14 mei 2025 gedaan. Uit die brief staat ook dat SKJ een nieuwe registratieaanvraag door [eiser] wegens de ernst van de bevindingen zal weigeren.
3.6
[eiser] heeft heroverweging van de verwijdering uit het KJ-register gevraagd. Omdat de interne regels van SKJ dat voorschrijven [2] is de KJ-registratie van [eiser] hangende dat heroverwegingsverzoek tijdelijk hersteld. Op 12 januari 2026 heeft de commissie heroverweging van SKJ geadviseerd om het heroverwegingsverzoek af te wijzen maar de maatregel dat toekomstige registratieaanvragen worden geweigerd, in te trekken. SKJ heeft [eiser] op 29 januari 2026 bericht dat zij dat advies overneemt en heeft zijn KJ-registratie ook daadwerkelijk beëindigd.

4.De beoordeling

4.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De zaak is voldoende spoedeisend voor kort geding
4.2
SKJ heeft [eiser] registratie geëindigd wegens fraudevermoedens. Als dat – zoals [eiser] stelt – inderdaad onterecht is, kan van [eiser] niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De zaak is dus voldoende spoedeisend voor behandeling in kort geding.
Voldoende aannemelijk dat de beëindiging bij de bodemrechter geen stand houdt
4.3
[eiser] vordert om de beëindiging van zijn registratie hangende de bodemprocedure te schorsen, kort gezegd omdat die beëindiging in strijdt met regels die SKJ zelf heeft opgesteld, en ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Die voorziening kan alleen worden toegewezen als de kans dat de bodemrechter SKJ veroordeelt om die registratie te herstellen zodanig is dat het gerechtvaardigd is om die veroordeling nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, toe te wijzen.
4.4
Uitgangspunt bij die beoordeling is dat de bodemrechter de beslissing van het SKJ om de registratie te beëindigen slechts beperkt kan toetsen. De rechter past met name terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
Geen aanwijzingen dat [eiser] onderdeel is van de grootschalige fraude
4.5
SKJ heeft benadrukt dat recent is gebleken dat er op grote schaal fraude met EVC-certificaten is gefraudeerd en dat die fraude een gevaar is voor de integriteit van het KJ-register. SKJ heeft namelijk niet gesteld dat [eiser] enige betrokkenheid heeft bij die grootschalige fraude en kon tijdens de mondelinge behandeling ook geen enkele concrete aanwijzing geven voor die betrokkenheid. De algemene constatering dat grootschalige fraude is geconstateerd, brengt dan ook op zichzelf niet mee dat SKJ de registratie van [eiser] eerder mocht opzeggen. De ernst van die fraude kan wel rechtvaardigen dat SKJ haar besluit van 16 april 2025 om de registratie van [eiser] door te halen pas op 14 mei 2025 heeft gemotiveerd.
Aannemelijk dat de verwijten die SKJ [eiser] maakt, niet overeind blijven
4.6
SKJ heeft aan de beëindiging de volgende verwijten ten grondslag gelegd:
  • [eiser] heeft een cv ingediend waarin ten onrechte staat vermeld dat hij vanaf september 2021 voor het [organisatie 4] heeft gewerkt (terwijl het [organisatie 4] heeft bevestigd dat hij daar pas per april 2022 is begonnen, dus zes maanden later).
  • In dat cv staat ook ten onrechte dat [eiser] bij het [organisatie 4] de (hbo-)functie Jeugdzorgwerker C Middenveld had (terwijl het [organisatie 4] heeft bevestigd dat hij de (mbo-) functie Jeugdzorgwerker D had.
  • In dat cv staat ook ten onrechte dat [eiser] ook bij [organisatie 1] voornamelijk werkzaamheden op hbo-niveau heeft verricht (terwijl [organisatie 1] heeft bevestigd dat hij daar op mbo-niveau had gewerkt).
  • [eiser] heeft vervalste stukken ingediend, nu in vier documenten die [eiser] ter onderbouwing van zijn werk voor [organisatie 1] had ingediend (twee bejegeningsplannen, gespreksnotulen en een behandelingsevaluatie) een datum in medio 2023 staat, terwijl [eiser] daar pas werkte vanaf 8 januari 2024; en
  • [eiser] is ten onrechte toegelaten tot het ervaringstraject, omdat hij bij aanvang daarvan het ervaringstraject nog niet beschikte over ten minste één jaar relevante werkervaring in een hbo-functie (deze eis hierna: de ervaringseis).
Volgens SKJ is elk van deze verwijten op zichzelf al voldoende voor beëindiging. Zij leidt dat onder meer af uit artikel 17 lid 1 sub c van Pro het Registratiereglement, dat onder meer bepaalt dat de registratie wordt beëindigd “
als aan de aanvraag tot registratie onjuiste of onvolledige informatie ten grondslag heeft gelegen, waarvan de geregistreerde wist of behoorde te weten dat, indien de onjuistheid of ontbrekende gegevens bij de beslissing tot registratie bekend waren geweest, de aanvraag niet zou zijn ingewilligd”.
4.7
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eerste twee verwijten (de twee beweerdelijke onjuistheden in het cv over de periode en het niveau van zijn werkzaamheden voor het [organisatie 4] ) buiten beschouwing moeten blijven. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij het betreffende cv bij de aanvraag heeft overgelegd. Aan het ervaringstraject heeft [eiser] ook uitsluitend zijn werkzaamheden bij [organisatie 1] ten grondslag gelegd. Hij stelt dat hij dat cv pas in januari 2025 aan SKJ heeft opgestuurd, toen zij hem om stukken had gevraagd in het kader van de steekproef. SKJ heeft het betreffende cv niet in het geding gebracht en heeft ook anderszins niet op deze gemotiveerde betwisting gereageerd. [eiser] heeft dan ook bij zijn aanvraag voor de registratie geen onjuiste gegevens over zijn werk overgelegd.
4.8
Over de volgende twee verwijten heeft de commissie heroverweging in haar advies van 12 januari 2026 onder meer overwogen:
  • dat inmiddels is gebleken dat [eiser] bij [organisatie 1] inderdaad op hbo-niveau heeft gewerkt;
  • dat aannemelijk is dat de vier documenten niet zijn vervalst, maar dat kennelijk de datum dat het cliëntendossier is aangemaakt (dan wel de datum dat de behandeling is aangevangen) per abuis is blijven staan.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat SKJ haar stelling, dat de registratie terecht is beëindigd, niet meer op die twee verwijten kan baseren. Dan zou zij immers terugkomen op haar mededeling van 29 januari 2026, waarin zonder enig voorbehoud aan [eiser] is meegedeeld dat SKJ het advies van de commissie heroverweging overneemt. De voorzieningenrechter volgt SKJ niet in haar betoog dat [eiser] had moeten begrijpen dat SKJ eigenlijk bedoelde om alleen de conclusies van het advies over te nemen maar de motivering waar die op gebaseerd zijn, niet. SKJ had dat dan maar duidelijk in haar beslissing moeten vermelden.
4.9
Ook het laatste verwijt, dat [eiser] niet voldeed aan de ervaringseis, is problematisch. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig is besproken, is gebleken dat ten tijde van de aanvraag de ervaringseis nog niet in de reglementen van SKJ was vastgelegd. Die eis stond toen alleen op de website van het zogenoemde EVC-loket. SKJ heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat [eiser] van deze eis wel op de hoogte moest zijn. Dan is niet aan te nemen dat [eiser] stukken heeft overgelegd waarvan hij wist dat ze onjuist waren. Daar komt het volgende nog bij.
4.1
Op grond van de stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk dat zowel [organisatie 2] als [organisatie 3] [eiser] hebben toegelaten tot het traject. Hij heeft aan [organisatie 2] en [organisatie 3] geen informatie verschaft, waaruit zou kunnen volgen dat hij hen wat zijn werkervaring betreft om de tuin heeft geleid. Hij heeft hen stukken gegeven waaruit blijkt dat hij sinds januari 2024 bij [organisatie 1] werkte; uit die stukken volgt niet dat [eiser] daar al tenminste een jaar werkte. [eiser] heeft, zo neemt de voorzieningenrechter aan, dus open kaart gespeeld. Hij kon niet weten dat hij tenminste een jaar werkervaring op hbo-niveau moest hebben. Het kan hem dan ook niet verweten worden dat hij niet aan de, pas in 2025 in het reglement vermelde, eis voldeed.
4.11
De slotsom is dan ook dat het voldoende aannemelijk is dat de verwijten aan [eiser] – en daarmee de beëindiging van zijn registratie – in de bodemprocedure geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter zal SKJ dan ook veroordelen om de registratie te herstellen.
4.12
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
SKJ krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan [eiser]
4.13
SKJ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.858,94
4.14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt SKJ om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis de registratie van [eiser] in het KJ-register te herstellen en hersteld te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen,
5.2
verbiedt SKJ om haar besluiten van 16 april 2025 en 29 januari 2026 ook anderszins verder uit te voeren,
5.3
veroordeelt SKJ om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen onder 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
5.4
veroordeelt SKJ in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SKJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
veroordeelt SKJ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. O.P. van Tricht.
JO/4972

Voetnoten

1.“Er is meer aan de hand. Verkenning misstanden in het opleiden in de zorgsector.”
2.Artikel 19 lid 4 van Pro het registratiereglement.