ECLI:NL:RBMNE:2026:3977

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/16/581922 / HA ZA 24-495
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 6:119 BWArt. 6:127 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rabobank wint procedure over niet-afgeloste privélening van 275.000 euro

Eiser en Rabobank zijn in geschil over een geldlening van 275.000 euro die in 2001 aan eiser privé is verstrekt. Eiser stelt dat de lening niet aan hem persoonlijk is verstrekt of al is afgelost door zijn bedrijf, maar de rechtbank oordeelt dat uit het financieringsvoorstel van 19 juli 2001 blijkt dat de lening aan eiser privé is verstrekt en dat deze niet is afgelost.

Eiser mocht geen aanvullend bewijs leveren voor zijn stelling dat de lening was afgelost. Zijn vordering tot terugbetaling van rente wordt afgewezen, waarbij een bedrag van 69.749,17 euro wordt verrekend met het openstaande saldo. Eiser krijgt ook geen inzage in gevraagde documenten omdat hij geen rechtmatig belang heeft.

In reconventie wordt eiser veroordeeld tot betaling van 236.312,47 euro aan Rabobank, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 maart 2025, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van 2.956,56 euro. Tevens moet eiser de proceskosten van Rabobank betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande saldo van de lening, rente, incassokosten en proceskosten aan Rabobank.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/581922 / HA ZA 24-495
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W. Schmidt,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Utrecht,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. D.S. Volleberg.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 29,
- de eis in incident van [eiser] ,
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met producties 1 t/m 18,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] en Rabobank verschillen van mening over een in 2001 verstrekte geldlening van € 275.000. [eiser] stelt dat deze lening niet aan hem in privé is verstrekt, en bovendien al is afgelost door zijn bedrijf, [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Daarom vordert [eiser] - kort gezegd - verklaringen voor recht dat de lening is afgelost en vordert hij ook een bedrag van € 192.846,05 terug van Rabobank voor de rente die hij ten onrechte tot 2024 over deze lening zou hebben betaald. Ook vordert hij inzage in verschillende documenten die Rabobank onder zich zou hebben over deze lening op grond van artikel 843a van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Rabobank is het niet eens met de standpunten van [eiser] en stelt een tegenvordering in tot betaling van het openstaande saldo van de lening. [eiser] krijgt ongelijk en de vorderingen van Rabobank worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank tot die conclusie komt.

3.De beoordeling

in conventie
3.1
De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stellingen dat:
door Rabobank geen lening aan [eiser] in privé is verstrekt, en
de hoofdsom van die lening van € 275.000 al in 2001 zou zijn afgelost door [bedrijf] .
Deze stellingen zullen hierna worden besproken.
(1) Het leningsdeel van € 275.000 is aan [eiser] in privé verstrekt
3.2
De rechtbank neemt als feitelijk uitgangspunt het door [eiser] zelf als productie 9 bij dagvaarding overgelegde financieringsvoorstel van 19 juli 2001. Uit dit document volgt ondubbelzinnig dat onderscheid wordt gemaakt tussen twee geldleningen:
( a) een geldlening voor [bedrijf] van € 405.000 (met leningsnummer [nummer 1] ) en
( b) een geldlening van € 275.000 (met leningsnummer [nummer 2] ) voor [eiser] .
In de verdere uitwerking van dit voorstel staat op pagina 5 dat de geldlening voor [bedrijf] wordt verstrekt aan [bedrijf] en geadministreerd op naam van [bedrijf] , en dat de geldlening voor [eiser] wordt verstrekt aan [eiser] en geadministreerd op naam van [eiser] . Dit financieringsvoorstel is door drie partijen ondertekend, door [bedrijf] , vertegenwoordigd door [eiser] , door [eiser] in persoon en door Rabobank. Daarmee is dit een schriftelijke overeenkomst die de afspraken tussen Rabobank als geldverstrekker en [bedrijf] en [eiser] als de geld lenende partijen weergeeft.
3.3
Na ondertekening van dit financieringsvoorstel heeft Rabobank een totaalbedrag van € 685.000 aan [bedrijf] ter beschikking gesteld. Daarmee is ook het leningsdeel van € 275.000 aan [bedrijf] uitgekeerd. [eiser] heeft erkend dat het de bedoeling was dat beide leningsdelen via [bedrijf] ter beschikking zouden worden gesteld. Dit volgt uit zijn eigen stellingen in de dagvaarding. In randnummer 3.13 stelt [eiser] namelijk zelf dat het leningsdeel van € 275.000 via [bedrijf] aan hem is verstrekt en daarbij heeft [eiser] ook een machtigingskaart getekend die dit bevestigt. Tegen deze achtergrond gaat de rechtbank voorbij aan de stelling dat de lening van € 275.000 niet zou zijn verstrekt aan [eiser] in privé.
3.4
Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat het ondertekende financieringsvoorstel niet als definitieve overeenkomst kan gelden, omdat daarin passages zouden zijn doorgestreept en handgeschreven aanvullingen zijn aangebracht door hem. Daaruit zou volgen dat de inhoud, in het bijzonder de verstrekking van de geldlening aan hem in privé, niet als overeengekomen kan worden aangemerkt. Er zou geen sprake van wilsovereenstemming zijn geweest. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. De rechtbank acht het zeer onaannemelijk dat [eiser] zijn handtekening onder het voorstel zou plaatsen, indien dit voorstel op zo’n wezenlijk punt wat hem betreft niet akkoord zou zijn. Dit geldt temeer omdat [eiser] met pen aanpassingen heeft gemaakt in het voorstel (die overigens geaccepteerd zijn door Rabobank), terwijl hij kennelijk geen aanleiding heeft gezien om in dit financieringsvoorstel door te strepen dat de geldlening van € 275.000 aan hem in privé zou worden verstrekt. Dit onderdeel heeft [eiser] ongewijzigd laten staan in het voorstel omdat [eiser] kennelijk akkoord was met deze afspraak. Aan dit standpunt van [eiser] kan dus worden voorbijgegaan.
(2) De lening is niet afgelost
3.5
Omdat vaststaat dat Rabobank het door [eiser] in persoon geleende bedrag aan hem ter beschikking heeft gesteld via [bedrijf] , is de stelling van [eiser] dat het bedrag (al in 2001) is terugbetaald, een bevrijdend verweer. Dit betekent dat – gelet op de gemotiveerde betwisting door Rabobank – op [eiser] de stelplicht en de bewijslast rust van de vermeende aflossing van de lening.
3.6
[eiser] stelt in zijn dagvaarding (vanaf paragraaf 3.21) dat [bedrijf] de beide leningsdelen heeft afgelost. Hij verwijst daartoe naar zijn producties 14 en 15. Uit productie 14 zou blijken dat op 9 december 2001 zou een bedrag van € 400.000 zijn afbetaald aan de lening van [eiser] . Uit deze productie blijkt echter dat het gaat om een afbetaling van een hypotheek met leningsnummer [nummer 3] . Deze betaling heeft dus geen betrekking op een van de leningsdelen waar het in deze zaak om gaat. Bovendien gaat het om een bedrag van NLG 400.000, en dus niet om € 400.000. Productie 15 bevat een overzicht van leningsnummer [nummer 1] en gaat om een afbetaling van € 280.681,90 van het leningsdeel van [bedrijf] . Deze afbetaling ziet dus ook niet op het leningsdeel van [eiser] in privé. Rabobank heeft bovendien gemotiveerd gesteld dat het bedrag van € 280.681,90 het restant was van het nog af te lossen leningsdeel van [bedrijf] . Kortom, uit deze overzichten volgt op geen enkele manier dat het leningsdeel van [eiser] is afgelost.
[eiser] mag geen bewijs leveren
3.7
Rabobank heeft, onder verwijzing naar het door partijen ondertekende financieringsvoorstel van 19 juli 2001, voldoende gemotiveerd gesteld dat [eiser] een bedrag van € 275.000 heeft geleend van Rabobank, en dat deze lening opeisbaar is. [eiser] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting door Rabobank, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat zijn leningsdeel in hoofdsom is afgelost. Zijn vorderingen zijn onvoldoend onderbouwd. Hij wordt daarom ook niet toegelaten tot nadere bewijslevering.
De rentevordering wordt afgewezen en € 69.749,17 wordt verrekend
3.8
[eiser] vordert terugbetaling van door hem betaalde rente van een bedrag van € 192.846,05. Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat geen geldlening aan hem in privé is verstrekt, zodat de door hem betaalde rente onverschuldigd zou zijn betaald. Deze grondslag faalt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de geldlening van € 275.000 wel degelijk aan [eiser] in privé is verstrekt en niet is afgelost.
3.9
[eiser] heeft verder aangevoerd dat Rabobank gedurende de looptijd van de lening ten onrechte een hogere rente in rekening heeft gebracht. [eiser] stelt dat Rabobank ten minste eenmaal de opslag van 1% heeft verhoogd naar 3.49%. Daarom vordert hij de te veel betaalde rente terug. Rabobank heeft deze stelling betwist, maar zich in de conclusie van antwoord wel op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 69.749,17 in mindering zal worden gebracht op het openstaande saldo van de lening. De rechtbank kwalificeert dit als verrekening tussen partijen in de zin van artikel 6:127 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Dat betekent dat een deel van de vordering wordt afgewezen en dat het andere deel van de vordering dat ziet op € 69.749,17 teniet is gegaan door de verrekening.
[eiser] moet de proceskosten van Rabobank betalen
3.1
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.867,00
3.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Incident: [eiser] krijgt geen inzage in de gevraagde documenten
3.12
[eiser] heeft op grond van artikel 843a Rv inzage gevorderd in onder andere de leningsovereenkomsten, bewijs van uitbetaling van de geldlening, bankafschriften en rente-indexen die Rabobank onder zich zou hebben. De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv onder meer vereist is dat [eiser] daarbij een rechtmatig belang heeft.
3.13
Dat rechtmatig belang ontbreekt. Uit het door [eiser] zelf overgelegde en door partijen ondertekende financieringsvoorstel van 19 juli 2001 volgt dat een geldlening van € 275.000 aan [eiser] in privé is verstrekt. Ook volgt uit de stellingen van partijen dat het totale kredietbedrag ter beschikking is gesteld aan [bedrijf] . Het is daarom niet nodig om inzage te krijgen in de overeenkomsten en de uitbetalingsbewijzen omdat dit al vast is komen te staan. Voor wat betreft inzage in de rente-indexen geldt dat Rabobank zich op het standpunt heeft gesteld dat een bedrag van € 69.749,17 in mindering wordt gebracht op het openstaande saldo van de lening. De hoogte van de rente-indexen zijn daarom geen zelfstandig geschil meer in deze procedure waardoor hierbij ook het rechtmatig belang ontbreekt. De vorderingen in het incident worden daarom afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten in incident van Rabobank betalen
3.14
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punten × € 614,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
803,00
3.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
[eiser] moet € 236.312,47 betalen aan Rabobank
3.16
Rabobank vordert in reconventie dat [eiser] € 236.312,47 (inclusief de verrekening in conventie van € 69.749,17) uit hoofde van de privé lening betaald. Aan deze vordering legt Rabobank ten grondslag dat de lening bij brief van 22 januari 2025 is opgezegd wegens een betalingsachterstand en dat [eiser] , ondanks een daartoe gestelde betalingstermijn, niet tot betaling is overgegaan.
3.17
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst bestaat en dat deze lening nog niet is afgelost. Niet in geschil is dat ten tijde van de opzegging sprake was van een betalingsachterstand. [eiser] heeft in de dagvaarding erkend dat hij gestopt is met betalen. Rabobank is daarom bevoegd de lening op te zeggen en het openstaande saldo op te eisen. Dat betekent dat [eiser] € 236.312,47 aan Rabobank moet betalen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf 22 maart 2025. Dat is de datum waarop de betalingstermijn is afgelopen.
[eiser] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.18
Rabobank vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 2.956,56 worden toegewezen.
[eiser] moet de proceskosten van Rabobank betalen
3.19
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- salaris advocaat
2.885,00
(2 punten × factor 0,5 × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.033,00
3.2
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 10.867,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.5
veroordeelt [eiser] om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 236.312,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.6
veroordeelt [eiser] om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 2.956,56 aan buitengerechtelijke kosten,
4.7
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.033,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in incident
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.11
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 803,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.12
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.13
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
LLO 5791