ECLI:NL:RBMNE:2026:3976

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
11933011 \ AC EXPL 25-2331
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 7:23 BWArt. 7:758 BWArt. 6:86 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende schadevergoeding voor gebreken aan PVC-vloer

De eiser heeft een PVC-vloer laten leggen door de gedaagde voor € 4.000, maar constateerde gebreken zoals loskomende randen, kiervorming, opbollen en opkrullende tegels. Na onderzoek door deskundigen bleek dat de vloer niet voldeed aan de eisen van goed en deugdelijk werk, waarbij de gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

De eiser heeft tijdig geklaagd over de gebreken en de gedaagde is in verzuim geraakt door niet binnen de gestelde termijn de gebreken te herstellen. De eiser heeft vervolgens een omzettingsverklaring gestuurd waarin hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.

De kantonrechter wijst vervangende schadevergoeding toe van € 7.788,18, gebaseerd op redelijke offertes voor herstel door derden, en kent daarnaast € 300 toe voor verblijf elders tijdens herstelwerkzaamheden en € 1.267,23 aan expertisekosten. Tevens worden wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten worden grotendeels aan de gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 9.355,41 aan vervangende schadevergoeding, aanvullende kosten en expertisekosten, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11933011 \ AC EXPL 25-2331 RJ/58605
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: J.M. Rietveld (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.),
tegen
[gedaagde] , STATUTAIR GEVESTIGD TE [plaats],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T. Segers en mr. M.J.A. van Lierop.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 8 oktober 2025 met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord van 7 januari 2026 met producties 1 tot en met 7;
- de aanvullende productie 14 van [eiser] van 12 mei 2026;
- de aanvullende productie 8 van [gedaagde] van 12 mei 2026.
1.2
Op 26 mei 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Hierbij was [eiser] aanwezig, samen met mevrouw [A] (partner) en zijn gemachtigde, de heer J.M. Rietveld. Namens [gedaagde] was de heer [B] (eigenaar) aanwezig, samen met zijn gemachtigden, mr. T. Segers en mr. M.J.A. van Lierop.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] heeft voor € 4.000,00 een PVC-vloer gelegd bij [eiser] . [eiser] is niet tevreden met de vloer, omdat er sprake is van loskomende randen, kiervorming, opbollen en opkrullende tegels. [eiser] wil dat [gedaagde] haar in totaal € 13.863,27 betaalt, bestaande uit vervangende schadevergoeding, aanvullende kosten en expertisekosten, maar [gedaagde] wil de schade en kosten niet betalen. De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk: [gedaagde] moet in totaal € 9.355,41 aan [eiser] betalen.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet € 7.788,18 aan vervangende schadevergoeding betalen
3.1
[eiser] vordert vervangende schadevergoeding van € 9.045,31. Voor toewijzing van vervangende schadevergoeding is vereist dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, [gedaagde] vervolgens in verzuim is geraakt en [eiser] daarna aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. [1]
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
3.2
Er is sprake van een koop/aanneemovereenkomst op grond waarvan [eiser] € 4.000,00 heeft betaald aan [gedaagde] en [gedaagde] een PVC-vloer heeft gelegd in het huis van [eiser] . [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat er sprake is van loskomende randen, kiervorming, opbollen en opkrullende tegels. Dit blijkt uit het rapport van [deskundige 1] van 29 december 2023 [2] en ook uit het rapport van [deskundige 2] (hierna: [deskundige 2] ) van 1 juli 2024. [3] Volgens [gedaagde] worden deze problemen alleen veroorzaakt door een productiefout in de vloer en niet door de manier waarop zij de vloer heeft gelegd, maar uit het rapport van [deskundige 1] blijkt dat “
de algemene indruk van de installatie matig is” en “
ook de installatiewijze kan van invloed zijn op het ontstaan van de klacht”. Ook uit het rapport van [deskundige 2] blijkt dat er meerdere oorzaken mogelijk zijn voor de problemen met de vloer. Bovendien is het hoe dan ook de verantwoordelijkheid van [gedaagde] dat er een nette vloer wordt gelegd. De vloer moet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk en daar is door loskomende randen, kiervorming, opbollen en opkrullende tegels geen sprake van.
Gebreken ontstonden (ook) na oplevering
3.3
Het beroep van [gedaagde] op artikel 7:758 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slaagt niet. Op grond van dit artikel is de aannemer ( [gedaagde] ) ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ( [eiser] ) redelijkerwijze had moeten ontdekken ten tijde van de oplevering. Volgens [gedaagde] was de vloer opgeleverd, heeft [eiser] het werk (stilzwijgend) aanvaard en is [gedaagde] daarom niet aansprakelijk. [eiser] betwist dit en wijst naar de whatsappcorrespondentie. [4] Hieruit blijkt in ieder geval dat rond de oplevering problemen met de vloer zijn ontdekt en onmiddellijk gemeld aan [gedaagde] . Uit niets kan worden opgemaakt dat [eiser] de gebreken in de vloer bij de oplevering voor lief heeft genomen of zelf na de oplevering de gebreken heeft veroorzaakt en zich dus terecht op ontslag uit aansprakelijkheid zou kunnen beroepen. Zo laat [eiser] al op 1 maart 2023 weten dat er twee tegels “echt omhoog liggen” en dat hij na diverse keren dweilen een snee heeft gezien bij de entree. Ook op 22 mei 2023 bericht [eiser] dat er tegels omhoog zijn gekomen en dat er ook in de keuken een tegel met een snee is en in de woonkamer een tegel waar de hoek af is. Uit niets blijkt dat [eiser] dezegebreken eerder had kunnen en moeten ontdekken. Dat maakt ook dat [gedaagde] uit de betaling van de restfactuur [eiser] op 9 maart 2023 niet erop heeft mogen vertrouwen dat hij uit zijn aansprakelijkheid was ontslagen. Voor en na het betalen van deze factuur zijn namelijk problemen met de vloer ontstaan en gemeld.
[eiser] heeft op tijd geklaagd
3.4
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] niet op tijd geklaagd en kan [eiser] zich daarom niet beroepen op hetgeen dat is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Op grond van artikel 7:23 BW Pro kan [eiser] geen beroep meer doen op dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, als hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Wat als bekwame tijd geldt, hangt af van de omstandigheden van het geval, maar in beginsel moet er binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking van de gebreken worden geklaagd bij de verkoper. De vloer is op 24 februari 2023 opgeleverd. Zoals hiervoor is besproken heeft [eiser] op 1 maart 2023 al aan [gedaagde] laten weten dat er twee tegels omhoog zijn gekomen en dat hij na diverse keren dweilen een snee heeft gezien. Dit is één week na oplevering. Van schending van de klachtplicht is dan ook geen sprake.
[gedaagde] is in verzuim
3.5
Op 31 januari 2024 heeft [eiser] per aangetekende post en per e-mail een ingebrekestelling aan [gedaagde] gestuurd met het verzoek om de gebreken aan de vloer binnen twee weken na de datum van deze brief te herstellen. Omdat [gedaagde] niet binnen twee weken de gebreken aan de vloer heeft hersteld, is zij op 15 februari 2024 in verzuim geraakt. [gedaagde] stelt dat zij haar verzuim heeft gezuiverd door, nog geen week later, een redelijk aanbod tot herstel te doen, maar de kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Op grond van artikel 6:86 BW Pro kan een schuldeiser een na het intreden van het verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten. [gedaagde] heeft aangeboden om kosteloos een nieuwe vloer leveren en te leggen bij [eiser] of de herlegvergoeding (die [gedaagde] zou krijgen van de leverancier van de vloer) aan [eiser] geven zodat hij door iemand anders de vloer opnieuw zou kunnen laten leggen. [gedaagde] heeft geen betaling aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en kosten. Dit gaat bijvoorbeeld om de aanvullende kosten (zie punt 3.10) en de op dat moment verschuldigd geworden buitengerechtelijke incassokosten. Daarom mocht [eiser] het aanbod van [gedaagde] weigeren en is er geen sprake van, zoals [gedaagde] betoogt, schuldeisersverzuim. Er is dan ook geen einde gekomen aan het verzuim van [gedaagde] .
[eiser] heeft medegedeeld dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert
3.6
Tot slot is voor het kunnen toewijzen van vervangende schadevergoeding vereist dat [eiser] een omzettingsverklaring aan [gedaagde] heeft gestuurd. Iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst is voldoende voor een omzetting als bedoeld in art. 6:87 lid 1 BW Pro. [eiser] heeft op 20 mei 2025 een omzettingsverklaring aan [gedaagde] gestuurd. [5] Uit deze brief valt namelijk af te leiden dat [eiser] schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. In plaats van de werkzaamheden nog te mogen uitvoeren moet [gedaagde] daarom vervangende schadevergoeding aan [eiser] betalen.
[gedaagde] moet € 7.788,18 aan vervangende schadevergoeding betalen
3.7
De hoogte van de vervangende schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de waarde van de uitgebleven en/of ondeugdelijk verrichte prestatie waarbij de vervangende schadevergoeding [eiser] in staat moet stellen de gemiste prestatie door een derde te laten uitvoeren.
3.8
[eiser] vordert vervangende schadevergoeding van € 9.045,31. Dit is het gemiddelde van twee mogelijkheden voor herstel, namelijk herstel door [bedrijf 1] (€ 10.302,45) of herstel door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (in totaal € 7.788,18). [gedaagde] begrijpt niet waarom er een gemiddelde van twee mogelijkheden is genomen en vindt de offerte van [bedrijf 1] onredelijk hoog. Daarbij komt dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dezelfde vloer te willen, maar [bedrijf 1] bied niet dezelfde vloer, maar een soortgelijke vloer aan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de offerte van [bedrijf 1] .
3.9
De vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 7.788,18, gebaseerd op de offertes van [bedrijf 2] (€ 4.996,10) en [bedrijf 3] (€ 2.792,08), wordt wel toegewezen. Het verweer van [gedaagde] dat deze kosten niet redelijk zijn omdat het niet nodig is om de gehele ondervloer te verwijderen gaat niet op. Het klopt dat [deskundige 2] de kosten lager heeft begroot, omdat [deskundige 2] ervan uitgaat dat bij een zorgvuldige verwijdering van de vloer het niet nodig zal zijn de hele ondervloer te verwijderen, maar [eiser] heeft aangegeven dat hij verschillende partijen heeft benaderd om de vloer te laten herstellen, maar dat deze het “besmette” werk van een ander niet op de voorgestelde wijze van [deskundige 2] willen herstellen. Ook [deskundige 2] houdt met die optie rekening. In zijn rapport staat namelijk “
Daarbij dient echter opgemerkt te worden dat het in de praktijk zeer lastig zal blijken om een derde partij te vinden die besmet werk wil herstellen voor het totaal van de begrote herstelkosten.” en “
Ook wordt niet in alle gevallen het hersteladvies gevolgd zoals dat in het rapport beschreven staat en zal een derde, bij het offreren van de werkzaamheden, meerwerk begroten en mogelijk een andere methodiek volgen dan de hier beschreven werkwijze. Ook dat kan uiteraard leiden tot verschillen tussen onze calculatie en die van derden.” en “
Hoewel er sprake is van een marktconforme opgave zal dus in de praktijk kunnen blijken dat dit anders beschouwd wordt en in dergelijke gevallen is het verstandig om twee of meerdere hersteloffertes op te vragen.” [eiser] heeft in ieder geval twee offertes opgevraagd en de kosten van de gecombineerde offerte van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (€ 7.788,18) komen de kantonrechter redelijk voor. Daarom wordt dit bedrag toegewezen.
[gedaagde] moet € 300,00 aan aanvullende kosten betalen
3.1
[eiser] vordert € 3.550,73 aan aanvullende kosten, bestaande uit het huren van en een vergunning voor een container (€ 717,00), werkzaamheden met betrekking tot de keuken (€ 520,00), nieuwe plinten en zijpaneel (€ 850,00), een nieuwe wc-deur (€ 299,00) en verblijf elders tijdens de uitvoering van de werkzaamheden (€ 1.164,73). [6] De kantonrechter wijst € 300,00 toe voor verblijf elders en wijst de andere vorderingen af. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.11
[gedaagde] heeft de noodzakelijkheid van de gevorderde kosten betwist. Dat betekent dat het op de weg van [eiser] lag om (de noodzakelijkheid van) de kosten (nader) te onderbouwen. Met betrekking tot de container heeft [eiser] dat onvoldoende gedaan. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de vorige keer de meubels onder haar overkapping heeft kunnen opslaan. De kantonrechter ziet daarom ook nu de noodzaak niet in van het huren van een container. Ook de kosten voor de werkzaamheden met betrekking tot de keuken worden afgewezen, omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat [eiser] , net als de vorige keer, de keuken zelf kan ontmantelen. Met betrekking tot de kosten voor nieuwe plinten, zijpaneel en een nieuwe wc-deur lag het, gelet op de betwisting door [gedaagde] , op de weg van [eiser] om deze kosten, bijvoorbeeld aan de hand van schriftelijke stukken, nader te onderbouwen, maar dit heeft hij niet gedaan. Daarom worden ook deze kosten afgewezen.
3.12
De kantonrechter zal wel € 300,00 toewijzen voor verblijf elders tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. [eiser] vordert € 1.164,73 voor zes werkdagen, maar volgens [gedaagde] is verblijf elders überhaupt niet nodig en als verblijf elders wel nodig zou zijn, dan komt het gevorderde bedrag neer op tien nachten, terwijl het maar voor drie dagen nodig zou zijn. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] de vorige keer tijdens de werkzaamheden ook in een vakantiehuis heeft verbleven, maar dat [eiser] onvoldoende de duur van een verblijf elders heeft onderbouwd. De kantonrechter sluit daarom aan bij de door [gedaagde] gestelde drie dagen voor de werkzaamheden en schat op grond van artikel 6:97 BW Pro de kosten hiervan op € 300,00.
[gedaagde] moet de expertisekosten van € 1.267,23 betalen
3.13
De gevorderde kosten voor het deskundigenonderzoek van € 1.267,23 worden toegewezen. Deze kosten zijn onderbouwd met een factuur van [deskundige 2] . [7] De kantonrechter acht dit redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro komen dergelijke kosten voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
3.14
Gelet op het voorgaande wordt in totaal het volgende bedrag toegewezen:
- Vervangende schadevergoeding
- Aanvullende kosten
7.788,18
300,00
- Expertisekosten
1.267,23
+
Totaal
9.355,41
3.15
Wat in deze zaak niet duidelijk is geworden, is wie de betaling heeft ontvangen die de producent van de vloer heeft toegezegd uit te betalen naar aanleiding van de klachten. Beide partijen stellen die betaling niet te hebben ontvangen. Het is dus aan [gedaagde] om achter die betaling aan te gaan, want daar heeft zij recht op omdat zij ook aansprakelijk is voor de vloer en de voormelde schade moet vergoeden.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.16
[eiser] vordert de wettelijke rente. [eiser] heeft in de brief van 20 mei 2025 een termijn van 15 dagen na ontvangst van deze brief gegeven voor het betalen van de vervangende schadevergoeding, de aanvullende kosten en de expertisekosten. [gedaagde] heeft op 29 mei 2025 de ontvangst van deze brief bevestigd. [8] Dat maakt dat [gedaagde] op 14 juni 2025 met de betaling van deze kosten in verzuim geraakt. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen met ingang van 14 juni 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.17
[eiser] vordert vergoeding van € 1.090,16 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Aangezien een totaalbedrag van € 9.355,41 wordt toegewezen, zullen de buitengerechtelijke kosten in overeenstemming met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten hierover worden berekend. Een bedrag van € 1.019,75 wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.18
[gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dit betekent dat zij haar eigen kosten moet dragen en de proceskosten van [eiser] aan hem moet betalen. Omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 257,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiser] te blijven. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.269,04
3.19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.2
De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9.355,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.019,75 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.269,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:87 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Productie 3 van [eiser] .
3.Productie 6 van [eiser] .
4.Productie 14 van [eiser] .
5.Productie 7 van [eiser] .
6.Productie 13 van [eiser] .
7.Productie 9 van [eiser] .
8.Productie 8 van [eiser] .