ECLI:NL:RBMNE:2026:3975

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
11990816 \ UC EXPL 25-9618 WMB/61313
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 lid 1 sub a BWArt. 7:49 BWArt. 7:50 BWArt. 7:17 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht authenticiteit Rolex Submariner in ruilovereenkomst

Eiser en gedaagde sloten een ruilovereenkomst waarbij gedaagde een Rolex Submariner en €3.000 aan eiser zou geven in ruil voor een Rolex Yacht-Master 2021. Eiser stelt dat de Submariner nep is en vordert vernietiging van de overeenkomst en teruggave van de Yacht-Master. Gedaagde betwist dit en weigert terug te geven.

De kantonrechter oordeelt dat eiser moet bewijzen dat het horloge geen authentieke Submariner is en dat gedaagde dit horloge aan hem heeft geleverd. Eiser heeft foto’s en toelichtingen overgelegd, maar gedaagde betwist de authenticiteit van deze foto’s en wijst op een deskundigenonderzoek bij overdracht.

De rechter benadrukt dat het onderzoek door de deskundige cruciaal is en dat partijen zich hierover mogen uitlaten. Indien eiser slaagt in zijn bewijs, kan de overeenkomst worden vernietigd, waarna gedaagde mogelijk de €3.000 terugvordert. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en getuigenverhoor.

Uitkomst: Bewijsopdracht aan eiser om authenticiteit namaakhorloge aan te tonen, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11990816 \ UC EXPL 25-9618 WMB/61313
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,H.O.D.N.
[handelsnaam],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.F. van den Ende.

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 17 oktober 2025 gedagvaard. Op 14 november 2025 heeft hij [gedaagde] opnieuw gedagvaard tegen een nieuwe roldatum. Per e-mail van 2 december 2025 heeft [eiser] aanvullende producties ingediend. Op 28 januari 2026 heeft [gedaagde] een conclusie van antwoord ingediend, met daarin ook een voorwaardelijke eis in reconventie. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 mei 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting. [eiser] is samen met zijn zoon, de heer [A] , bij de zitting verschenen. [gedaagde] is samen met mr. Van den Ende verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] en [gedaagde] hebben op 10 september 2025 een overeenkomst gesloten, die inhield dat [gedaagde] een Rolex Submariner (hierna: de Submariner) en € 3.000,00 aan [eiser] zou geven in ruil voor een Rolex Yacht-Master 2021 (hierna: de Yacht-Master). [eiser] zegt dat de Submariner die [gedaagde] aan hem heeft gegeven, nep is. Hij wil daarom dat de kantonrechter de overeenkomst vernietigt en dat [gedaagde] Yacht-Master teruggeeft, op straffe van een dwangsom. [gedaagde] weigert [eiser] de Yacht-Master terug te geven. Hij ontkent dat de ingeleverde Submariner nep is. In het geval dat hij wordt veroordeeld om de Yacht-Master aan [eiser] terug te geven, wil [gedaagde] dat [eiser] de door hem bijbetaalde € 3.000,00 terugbetaalt. De kantonrechter geeft [eiser] een bewijsopdracht en houdt iedere verdere beslissing aan.
3 De beoordeling
in conventie
[eiser] moet bewijzen dat het horloge dat [gedaagde] hem heeft gegeven, nep is
3.1
[eiser] wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld om hem de Yacht-Master terug te geven. Volgens [eiser] moet [gedaagde] dat doen omdat [eiser] de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk heeft vernietigd of de overeenkomst nu door de kantonrechter moet worden vernietigd. Hij zegt dat hij dat kon doen, omdat [gedaagde] hem onjuiste mededelingen heeft gedaan over de authenticiteit van het ingeleverde horloge en hij daardoor een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet zou hebben gesloten (dwaling). [1] Daarnaast zegt [eiser] dat het horloge niet de eigenschappen heeft die [eiser] daarvan mocht verwachten, omdat het geen authentieke Submariner is (non-conformiteit). [2] Aangezien zijn vordering erop neerkomt dat hij de ruil met [gedaagde] ongedaan wil maken, begrijpt de kantonrechter dat [eiser] daarmee een beroep doet op ontbinding vanwege die non-conformiteit. [3] Uit de Whatsapp-berichten tussen partijen blijkt namelijk ook dat [eiser] [gedaagde] op 26 november 2025 een ontbindingsverklaring heeft gestuurd. De kantonrechter vult die rechtsgrond daarom ambtshalve aan. [4]
3.2
[eiser] kon de overeenkomst alleen vernietigen of ontbinden als het door [gedaagde] ingeleverde horloge geen authentieke Submariner was. Omdat [eiser] zich daarop beroept, is het aan hem om dat te onderbouwen en zo nodig te bewijzen. [5] Als onderbouwing heeft [eiser] zes paar foto’s overgelegd, met daarbij per fotopaar een korte toelichting over de vergelijking tussen de foto aan de linkerkant en de foto aan de rechterkant. Volgens [eiser] zijn dat enerzijds foto’s van een authentieke Submariner (links) en anderzijds foto’s van het horloge dat [gedaagde] hem heeft gegeven (rechts). Uit die vergelijkingen en de toelichting daarbij blijkt volgens [eiser] dat het door [gedaagde] ingeleverde horloge geen authentieke Submariner is.
3.3
[gedaagde] betwist dat hij [eiser] een namaakhorloge heeft gegeven. Hij wijst erop dat hij het horloge met de bijbehorende authenticiteitskaart van een erkende Rolex-deskundige heeft overhandigd en dat het horloge door een deskundige van [eiser] is onderzocht toen hij hem overhandigde op 10 september 2025. Als het om een namaakhorloge ging, had de deskundige dat volgens [gedaagde] moeten zien en had de deskundige dat gelijk moeten melden. Dat is niet gebeurd. Pas een week later is [eiser] bij [gedaagde] teruggekomen met de mededeling dat het horloge geen authentieke Submariner was. [gedaagde] zegt dat hij daardoor niet weet wat er in de tussentijd is gebeurd met het horloge dat hij heeft ingeleverd. Hij betwist daarom dat de foto’s die [eiser] heeft overgelegd, foto’s zijn van de Submariner die hij aan hem heeft gegeven.
3.4
Gelet op de betwisting van [gedaagde] , heeft [eiser] vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat het door [gedaagde] ingeleverde horloge geen authentieke Submariner is. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] zijn betwisting niet met stukken onderbouwd, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat hij wel een authentieke Submariner heeft ingeleverd. De kantonrechter geeft [eiser] daarom de opdracht om te bewijzen (i) dat het horloge geen authentieke Submariner is en (ii) dat [gedaagde] dat horloge aan hem heeft gegeven. Alleen als die beide punten vast komen te staan, kan zijn vordering worden toegewezen. Als [eiser] er dus niet in slaagt om voor die beide punten voldoende bewijs te leveren, zal zijn vordering worden afgewezen.
Partijen moeten zich uitlaten over de vraag of het deskundigenonderzoek deugdelijk was
3.5
Als [eiser] erin slaagt om te bewijzen dat het door [gedaagde] ingeleverde horloge nep is, is de vervolgvraag voor wiens rekening dat moet komen. [gedaagde] zegt dat hij in dat geval niet wist dat hij een namaakhorloge aan [eiser] gaf. [eiser] heeft dat tijdens de zitting niet betwist en de kantonrechter ziet geen reden om dat te betwijfelen. Dat zou betekenen dat er sprake is geweest van wederzijdse dwaling. [6] In dat geval kon [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigen, tenzij die wederzijdse dwaling voor rekening van [eiser] moet komen. [7] Dwaling moet voor iemands eigen rekening blijven als dat naar de algemene opvattingen in het handelsverkeer of de omstandigheden van het geval redelijk is. [gedaagde] vindt dat de dwaling in dit geval voor rekening van [eiser] moet blijven, omdat [eiser] zich profileert als professionele expert op het gebied van luxe horloges.
3.6
Uit zijn stellingen begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] dezelfde argumenten aanvoert tegen het beroep op non-conformiteit. Om beroep te kunnen doen op non-conformiteit moet het vaststaan dat [eiser] voldoende onderzoek heeft gedaan naar de eigenschappen van het horloge voordat hij het horloge aannam. [eiser] had dus een onderzoeksplicht. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat hij vindt dat [eiser] in dit geval niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan, gelet op het feit dat [eiser] zelf een professionele verkoper van luxe horloges is.
3.7
Zowel tegen het beroep op dwaling, als tegen het beroep op non-conformiteit slagen de argumenten van [gedaagde] niet zonder meer. Het uitgangspunt is namelijk dat [eiser] af mocht gaan op de mededelingen die [gedaagde] over het horloge heeft gedaan. Het staat vast dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] aan [eiser] een authentieke Submariner zou leveren en dat [gedaagde] heeft gezegd dat het ingeleverde horloge een authentieke Submariner was. In principe moest [gedaagde] daarom instaan voor zijn mededeling dat het horloge authentiek was en maakt het niet uit dat hij niet wist dat het nep was. [8]
3.8
Tegelijkertijd mag van [eiser] als professionele expert wel meer en grondiger onderzoek worden verwacht dan van de gemiddelde wederpartij, zeker als hij een tweedehands Rolex overneemt van een leek als [gedaagde] . Het is algemeen bekend dat er veel namaakhorloges van dure merken als Rolex in de omloop zijn. Van [eiser] mocht daarom worden verwacht dat hij als handelaar maatregelen trof om zeker te stellen dat hij geen nephorloge aannam. [eiser] heeft dat willen doen door een deskundige het horloge te laten onderzoeken bij de overhandiging. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij heeft vertrouwd op de expertise van die deskundige en blij was met zijn aanwezigheid, omdat er dan later geen discussie zou kunnen ontstaan over de authenticiteit van het horloge.
3.9
Gelet op de stellingen van partijen, komt het daarom aan op de vraag of het onderzoek door de deskundige deugdelijk is uitgevoerd. Als de deskundige steken heeft laten vallen en toen partijen bij elkaar zaten om de horloges aan elkaar over te dragen had moeten zien dat het horloge nep was of daar gelijk al meer onderzoek naar had moeten doen, dan komt dat voor rekening van [eiser] . Als de deskundige toen in redelijkheid niet had kunnen vaststellen dat het horloge nep was, dan komt dat voor rekening van [gedaagde] . Partijen mogen zich daarom over en weer uitlaten over die vraag.
3.1
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in reconventie
3.11
[gedaagde] heeft een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld tot terugbetaling van de € 3.000,00 die [gedaagde] aan [eiser] heeft betaald. Die vordering hoeft alleen te worden beoordeeld als de kantonrechter de overeenkomst tussen partijen vernietigt, zoals [eiser] in conventie heeft gevorderd. Ook in reconventie wordt daarom iedere verdere beslissing aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
4.1
draagt [eiser] op te bewijzen dat het door [gedaagde] aan hem gegeven horloge geen authentieke Rolex Submariner is,
4.2
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 22 juli 2026voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
4.3
bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
4.4
bepaalt dat, als [eiser]
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
septembertot en met
novemberdan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
4.5
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. M.S. Koppert, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1,
4.6
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
in conventie en reconventie
4.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:228 lid 1 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 7:49 samen Pro met artikel 7:50 en Pro 7:17 BW.
3.Artikel 6:265 BW Pro.
4.Artikel 25 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
5.Artikel 150 Rv Pro.
6.Artikel 6:228 lid 1 sub c BW Pro.
7.Artikel 6:228 lid 2 BW Pro.
8.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5211, r.o. 4.13 e.v.