ECLI:NL:RBMNE:2026:3963

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/16/601573 / HA ZA 25-536
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:193b BWArt. 6:193c BWArt. 6:228 lid 2 BWArt. 7:752 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen tekortkoming of vernietiging bij geschil over reparatie auto en facturering

Eiseres sloot met gedaagde een overeenkomst voor de reparatie van haar auto, waarbij zij € 47.601,40 betaalde, terwijl de auto nog niet gereed was. Eiseres vorderde ontbinding of vernietiging van de overeenkomst wegens tekortkoming en dwaling, wat werd betwist door gedaagde.

De rechtbank stelde vast dat eiseres niet als consument handelde, maar namens haar eenmanszaak, waardoor consumentenbescherming niet van toepassing was. Er was geen richtprijs overeengekomen en gedaagde had tijdig geïnformeerd over extra gebreken en kostenstijgingen. De facturering was gebaseerd op regiewerkzaamheden en werd onderbouwd door een deskundigenrapport.

De rechtbank verwierp het beroep op ontbinding wegens tekortkoming en vernietiging wegens dwaling, omdat de hogere kosten het gevolg waren van onvoorziene gebreken die pas tijdens de werkzaamheden aan het licht kwamen. Eiseres moest de openstaande factuur van € 3.581,60 plus wettelijke handelsrente betalen en werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt haar tot betaling van de factuur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601573 / HA ZA 25-536
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. H. Oomen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D.A.E. Potveer.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [gedaagde] met aanvullende producties;
- de akte van [eiseres] met aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is bepaald dat dit vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] heeft met [gedaagde] een overeenkomst gesloten voor de reparatie van haar auto. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden heeft [gedaagde] facturen gestuurd voor het werk dat tot dan toe was uitgevoerd waarvan [eiseres] in totaal € 47.601,40 heeft betaald. [eiseres] stelt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst en vordert dat de overeenkomst wordt ontbonden. Als de overeenkomst niet kan worden ontbonden, moet de overeenkomst worden vernietigd. [gedaagde] betwist dat hij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hij vordert betaling van de laatste factuur van € 3.581,60. [gedaagde] krijgt gelijk: de overeenkomst wordt niet vernietigd of ontbonden en [eiseres] moet de factuur betalen.

3.De beoordeling

[eiseres] heeft niet als consument de overeenkomst gesloten
3.1
[eiseres] stelt dat de overeenkomst moet worden vernietigd omdat er sprake zou zijn van een oneerlijke dan wel misleidende handelspraktijk [1] . De artikelen met betrekking tot oneerlijke dan wel misleidende handelspraktijken zijn bedoeld om consumenten te beschermen. Dit betekent dat [eiseres] als consument de overeenkomst moet hebben gesloten. Daarvoor is nodig dat aan de hand van de omstandigheden van het geval wordt vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan. [2] Dit moet met name worden afgeleid uit de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft. De conclusie is dat [eiseres] niet als consument heeft gehandeld. De redenen daarvoor zijn de volgende:
  • [eiseres] is als advocate werkzaam. Zij heeft haar eigen advocatenkantoor, een eenmanszaak. De facturen van [gedaagde] waren geadresseerd aan het kantoor van [eiseres] .
  • [eiseres] heeft die facturen ook betaald vanaf de zakelijke rekening. Volgens haar was dit op advies van [gedaagde] . Dat zou fiscaal aantrekkelijk zijn.
  • [eiseres] heeft verder niet gesteld en onderbouwd dat de auto geen deel uitmaakte van haar eenmanszaak.
  • Weliswaar stelt [eiseres] dat zij de auto ook voor privé doeleinden zoals een vakantie inzet, maar dat is gebruikelijk bij een zakelijke auto.
  • [eiseres] heeft steeds via haar zakelijke e-mailadres gecorrespondeerd met [gedaagde] .
  • Weliswaar heeft [eiseres] naar zij stelt kennelijk geen privé emailadres maar in deze correspondentie schrijft zij ook dat zij de auto snel nodig heeft voor haar werk en dat zij de auto daarvoor gebruikte.
3.2
Omdat [eiseres] bij de overeenkomst met [gedaagde] niet handelde als consument, kan zij ook geen beroep doen op de beschermingsregels die gelden voor consumenten. De overeenkomst wordt niet vernietigd.
[gedaagde] is niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
Wat er is gebeurd
3.3
[eiseres] heeft een Jaguar uit 1998 met een waarde van € 9.500,- (hierna: de auto). Eind 2023 is onder andere roestschade aan de achteras geconstateerd op grond waarvan de auto bij een APK zou worden afgekeurd. Voor reparatie was een reparateur nodig die kon lassen. Op 6 februari 2024 heeft [eiseres] de auto bij [gedaagde] gebracht en hem gevraagd of hij de roestschade kon repareren. [gedaagde] zei dat hij naast het repareren van de roestschade aan de achteras ook de gehele onderkant en de rest van de auto zou controleren, zodat [eiseres] weer een veilige auto zou hebben. [eiseres] ging hiermee akkoord. [gedaagde] heeft vervolgens werkzaamheden aan de auto uitgevoerd waarbij hij de onderdelen van de auto heeft verwijderd en de auto volledig uit elkaar is gehaald. Voor het werk heeft [gedaagde] wekelijks facturen gestuurd die [eiseres] (bijna allemaal) heeft betaald. Het gaat om een bedrag van € 47.601,40. De auto is nog steeds niet klaar. [eiseres] heeft [gedaagde] op 3 juli 2024 gesommeerd om de werkzaamheden te staken. Dat heeft [gedaagde] gedaan. Hij schat dat er nog € 30.000,- tot € 40.000,- nodig is om het
werk af te ronden.
3.4
Volgens [eiseres] kan zij de overeenkomst ontbinden wegens een tekortkoming van [gedaagde] omdat:
Er een richtprijs is afgesproken van € 20.000,-, terwijl [eiseres] al € 47.601,40 heeft betaald en de auto is nog lang niet klaar.
[gedaagde] te veel uren in rekening heeft gebracht.
De kosten voor het herstel niet in verhouding zijn met de waarde van de auto. [gedaagde] heeft daarvoor niet gewaarschuwd.
Het is echter niet komen vast te staan dat er een richtprijs is afgesproken of dat [gedaagde] te veel uren in rekening heeft gebracht. Ook heeft [gedaagde] [eiseres] steeds op de hoogte gehouden van de nieuwe problemen die hij tegenkwam waardoor de kosten opliepen. Dus is er geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en wordt de overeenkomst niet ontbonden. De vordering van [eiseres] wordt afgewezen.
Geen richtprijs van € 20.000,-
3.5
Voordat [eiseres] met de auto bij [gedaagde] kwam, heeft zij [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) gevraagd wat de kosten zouden zijn van de laswerkzaamheden. Op de offerte van 30 januari 2024 heeft [onderneming 1] de werkzaamheden geraamd op € 8.500,- (hierna: de offerte). Vervolgens is [eiseres] naar [gedaagde] gegaan en heeft zij [gedaagde] de opdracht gegeven om de auto te repareren. Op dat moment wist [eiseres] dat het werk door [gedaagde] meer zou kosten dan de offerte van [onderneming 1] omdat [gedaagde] voor het verlenen van de opdracht aan haar vertelde dat hij de auto ook volledig zou nakijken en mogelijk uit elkaar halen. [gedaagde] was een restaurateur van oude auto’s en zou ervoor zorgen dat de auto weer veilig zou zijn. [eiseres] stelt dat [gedaagde] een richtprijs heeft genoemd van € 20.000,-. Uit de verdere stukken blijkt dat [eiseres] uitging van een prijs van € 30.000,- en uiteindelijk heeft zij ruim € 47.000,- betaald. [gedaagde] betwist dat er een richtprijs is afgesproken, want hij kon vooraf niet inschatten wat de kosten zouden zijn voor het volledig herstel van de auto. Het kan in het midden blijven of [gedaagde] wel of geen bedrag heeft genoemd, want als [gedaagde] een bedrag zou hebben genoemd, is onvoldoende gebleken dat dat moet gelden als richtprijs in de zin van artikel 7:752 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dus zou gelden voor het gehele werk dat [gedaagde] zou uitvoeren. [3]
3.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat er na het sluiten van de overeenkomst meerdere gebreken aan de auto bij zijn gekomen. Hij heeft voor het herstel van de achteras de vloer eruit moeten halen en toen kwam hij erachter kwam dat er een laag water op de bodem stond. Ook werden er na het verwijderen van een paar onderdelen meerdere roestplekken zichtbaar. [eiseres] betwist ook niet dat er na het sluiten van de overeenkomst meerdere problemen bij kwamen en dat deze ernstig waren. De nieuwe problemen heeft [gedaagde] ook gemeld bij [eiseres] , waarna hij contact heeft gezocht over het herstel. Hierop heeft [eiseres] akkoord gegeven om de problemen te herstellen. Dus ook al zou er een richtprijs zijn genoemd, dan heeft [gedaagde] tijdig gemeld dat er meer problemen waren dan roest bij de achteras en [eiseres] op de hoogte gesteld van de daaraan verbonden extra kosten. Dit is overigens ook conform de regeling van artikel 7:752 lid 2 BW Pro. [4]
3.7
Daarbij heeft [gedaagde] op verzoek van [eiseres] per week gefactureerd wat hij die week heeft uitgevoerd. Deze facturen heeft [eiseres] op één na, allemaal op tijd betaald. Gelet hierop en de genoemde omstandigheden staat vast dat [gedaagde] de werkzaamheden op basis van regie heeft uitgevoerd. Het is daarom niet van belang om vast te stellen of [gedaagde] een prijs heeft genoemd bij het sluiten van de overeenkomst, omdat deze prijs dan alleen zou zien op het werk voor de achteras en het nakijken van de auto. Ook als het wel een richtprijs zou zijn, heeft [gedaagde] tijdig gewaarschuwd voor extra kosten. Er is daarom geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door het overschrijden van een richtprijs.
Niet te veel uren in rekening gebracht
3.8
Tot 26 mei 2024 heeft [eiseres] niet geklaagd bij [gedaagde] over de manier van factureren en het uitvoeren van het werk. Pas in de e-mail van 26 mei 2024 schrijft [eiseres] dat de kosten inmiddels boven budget zitten en vraagt zij om een indicatie voor de kosten van het spuitwerk en wat er nog aan werkuren gedeclareerd gaat worden. [gedaagde] geeft dit niet. Vervolgens stuurt [eiseres] op 3 juli 2024 een e-mail met een sommatie aan [gedaagde] om geen werk meer aan de auto uit te voeren en dat zij een deskundige wil vragen om de werkzaamheden aan de auto te onderzoeken en of de gefactureerde uren wel kloppen. Hiervoor heeft [eiseres] [onderneming 2] (hierna: [onderneming 2] ) ingeschakeld. In het rapport van [onderneming 2] van 17 juli 2024, is geconcludeerd dat het totaal gewerkte uren aan de auto 306 moet zijn. Op grond van deze conclusie stelt [eiseres] dat [gedaagde] te veel uren in rekening heeft gebracht dan hij mocht doen. Dit is echter niet komen vast te staan.
3.9
Nadat [eiseres] het rapport van [onderneming 2] deelde met [gedaagde] , heeft [gedaagde] een andere deskundige ingeschakeld om het werk te onderzoeken: [onderneming 3] . In het rapport van [onderneming 3] is geconcludeerd dat de gefactureerde uren overeenkomen met het uitgevoerde werk. Daarnaast schrijft [onderneming 3] dat [gedaagde] erom bekend staat om hoogwaardig herstelwerk te leveren en dat dit ook is te zien aan hoe de auto is aangepakt. Het aantal gewerkte uren heeft [onderneming 3] vastgesteld aan de hand van de werkplaatsadministratie van [gedaagde] en deze komen overeen met de uren op de facturen. Het rapport van [onderneming 3] is daarmee beter onderbouwd dan het rapport van [onderneming 2] die de gewerkte uren heeft geschat en niet heeft gebaseerd op bij [gedaagde] aanwezige onderbouwing van zijn werkzaamheden zoals de werkplaatsadministratie. Gelet op de verklaringen van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling over de gebreken die tijdens het werk naar voren zijn gekomen, heeft [gedaagde] gemotiveerd onderbouwd dat hij de gefactureerde uren daadwerkelijk heeft gewerkt. Daarnaast zijn de hoge aantal uren op sommige dagen te verklaren omdat dan meerdere mensen aan de auto werkten. Dit wordt niet betwist door [eiseres] . Dus heeft [eiseres] , gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat [gedaagde] te veel uren heeft gefactureerd. Er is geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
Geen reden tot ontbinding van de overeenkomst
3.1
Tot slot stelt [eiseres] dat [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst al had moeten weten dat de kosten voor het herstel niet in verhouding stonden tot de waarde van de auto. [gedaagde] had haar daarvoor moeten waarschuwen. Op dit moment ligt de auto volledig uit elkaar en kost het nog € 30.000,- tot € 40.000,- om de auto rijklaar te maken. Dit betekent dat de totale kosten voor het herstel van de auto ongeveer € 90.000,- zouden zijn tegen de waarde van € 9.500,-. Het staat vast dat dit niet in verhouding staat tot elkaar, maar dit geeft geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst waardoor [eiseres] de overeenkomst kan ontbinden.
3.11
Hoewel [gedaagde] stelt dat hij [eiseres] heeft gewaarschuwd voor de hoge kosten van het herstel en dat dit niet in verhouding staat tot de waarde van de auto, is dit niet gebleken. [gedaagde] verwijst naar de verklaring van de heer [A] waarin staat dat de heer [A] samen met [gedaagde] naar een andere Jaguar is gaan kijken. Dit zouden zij hebben gedaan omdat het werk aan de auto onbegonnen werk was. Dat [gedaagde] naar een andere Jaguar is gaan kijken, heeft hij echter niet gecommuniceerd met [eiseres] . Daar staat tegenover dat de waarde van de auto (minder dan € 9.500,- [5] ) al niet in verhouding stond met de door [eiseres] geraamde kosten van herstel (€ 20.000,- of € 30.000,-) en uiteindelijk betaalde facturen (ruim € 47.000,-) . Verder heeft [gedaagde] wel steeds de nieuwe gebreken uitgebreid met foto’s aan [eiseres] gemeld. [eiseres] heeft daarop steeds akkoord gegeven om ook die gebreken te herstellen. Pas op 3 juli 2024 heeft zij gezegd dat [gedaagde] per direct moest stoppen met het werk. Dat [gedaagde] niet (bewijsbaar) aan [eiseres] heeft laten weten dat hij het opknappen de auto afraadde, is onvoldoende voor een tekortkoming van [gedaagde] op grond waarvan de overeenkomst kan worden ontbonden. [eiseres] is zelf akkoord gegaan met de extra werkzaamheden en heeft alle facturen, op één na, betaald.
Conclusie
3.12
De conclusie is dat er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De vordering van [eiseres] tot ontbinding van de overeenkomst wordt daarom afgewezen.
De overeenkomst wordt niet vernietigd
3.13
Naast het beroep op ontbinding van de overeenkomst, eist [eiseres] dat de overeenkomst wordt vernietigd. [eiseres] stelt dat zij heeft gedwaald, omdat zij de opdracht niet had verstrekt aan [gedaagde] als zij had geweten dat de kosten voor de reparatie rond de € 50.000,- en € 90.000,- zouden kunnen vallen. Hoewel [eiseres] blijkbaar bij het aangaan van de overeenkomst dacht dat het werk voor een lagere prijs kon worden uitgevoerd, is dit geen grond voor vernietiging van de overeenkomst. Deze dwaling betreft een uitsluitend toekomstige omstandigheid waarop de vernietiging niet kan worden gegrond. [6]
3.14
Dat de kosten voor het herstel van de auto hoger zijn geworden dan [eiseres] van te voren had gedacht, is te wijten aan de vele problemen aan de auto. Deze problemen konden bij het aangaan van de overeenkomst niet worden geconstateerd, doordat de problemen pas naar voren komen na het uit elkaar halen van de auto. Het kan niet van een reparateur worden verwacht dat hij vóór het sluiten van een overeenkomst al kosten maakt voor het uit elkaar halen van de auto om de precieze schade en kosten voor het werk te bepalen. Vernietiging op grond van deze onjuiste voorstelling van zaken zou betekenen dat [eiseres] van deze overeenkomst af kan terwijl zij de opdracht geeft voor het herstel van een auto en de auto blijkt iets slechter dan gedacht. Dit maakt dat deze onjuiste voorstelling van zaken een toekomstige gebeurtenis betreft waar de vernietiging niet op kan worden gegrond. De vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen.
[eiseres] moet de factuur van [gedaagde] betalen
3.15
Als tegeneis vordert [gedaagde] betaling van de factuur van 19 juni 2024 van in totaal € 3.581,60. [eiseres] heeft niet betwist dat [gedaagde] het werk uitgevoerd heeft. Zoals hiervoor geoordeeld, heeft [gedaagde] de gewerkte uren voldoende onderbouwd. Daardoor staat vast dat [gedaagde] het werk waarop de offerte ziet, heeft uitgevoerd. Dit betekent dat [eiseres] de factuur van [gedaagde] , € 3.581,60, moet betalen.
3.16
Over dit bedrag moet [eiseres] de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW betalen omdat er sprake is van een handelsovereenkomst. Op 19 juni 2024 heeft [gedaagde] de factuur per e-mail aan [eiseres] gestuurd met een betaaltermijn van 14 dagen. Daarom moet [eiseres] vanaf 4 juli 2024 de wettelijke handelsrente over € 3.581,60 betalen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.17
[eiseres] krijgt zowel in conventie als in reconventie ongelijk. Daarom moet zij de proceskosten van deze procedure aan [gedaagde] betalen.
3.18
De kosten aan de kant van [gedaagde] in conventie worden begroot op:
- griffierecht € 2.995,-
- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten x € 1.290,-)
Totaal € 5.575,-
3.19
De kosten van [gedaagde] in reconventie worden begroot op € 554,- aan salaris advocaat (2 punten x € 554,- x 0,5).
3.2
De nakosten ten slotte bedragen € 296,-, eventueel vermeerderd met de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De rechtbank
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.575,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 3.581,60, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 4 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 554,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.5
veroordeelt [eiseres] in de nakosten van € 296,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 4.2 tot en met 4.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
5718 (MM)

Voetnoten

1.Artikel 6:193b en artikel 6:193c BW.
2.HvJEU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538, punt 21-23.
3.Als er sprake is van een richtprijs dan bepaalt dit artikel dat het richtbedrag in beginsel maar met 10% mag worden overschreden ‘
4.Zie noot 3
5.Het gaat om een taxatie van 28 maart 2022 waarbij geen rekening is gehouden met de gebreken die in 2023 zijn vastgesteld.
6.Artikel 6:228 lid 2 BW Pro.