ECLI:NL:RBMNE:2026:3961

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/16/604164 / HL ZA 25-317
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:96 BWArt. 706 RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting commissie op basis van overeenkomst tussen partijen

Partijen sloten op 10 mei 2019 een overeenkomst waarbij de gedaagde een commissie van 10% van de omzet aan de eiseres moest betalen voor diensten geleverd aan een derde partij. De gedaagde stelde dat de betalingsverplichting beperkt was tot een specifiek project dat in 2019 was afgerond, en dat latere commissies vrijwillig waren betaald. De rechtbank oordeelde dat deze beperking niet onderdeel uitmaakte van de overeenkomst.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen, gedragingen en e-mailcorrespondentie tussen partijen, waaruit bleek dat de eiseres redelijkerwijs mocht verwachten dat de commissie over alle diensten aan de derde partij verschuldigd was. De gedaagde had onvoldoende onderbouwd dat de omzet lager was dan door de eiseres gesteld.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van € 25.940,04 aan openstaande commissies inclusief btw, wettelijke handelsrente vanaf 10 augustus 2025, buitengerechtelijke incassokosten van € 1.034,40, beslagkosten van € 1.698,44 en proceskosten van € 3.931,40. De vordering in reconventie van de gedaagde werd niet beoordeeld omdat de voorwaarde niet was vervuld.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande commissies, wettelijke rente, incassokosten, beslagkosten en proceskosten aan de eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/604164 / HL ZA 25-317
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
h.o.d.n.
[handelsnaam 1],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam 1] ,
advocaat: mr. R.G.J.M. Onderdonck,
tegen
[gedaagde] BV,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W. Sleijfer.

1.De procedure

1.1
De volgende stukken zitten in het procesdossier:
- de dagvaarding met 28 producties,
- de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie met 3 producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met 3 producties,
- de door [handelsnaam 1] nagezonden productie 32.
1.2
Op 12 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [handelsnaam 1] en [gedaagde] zijn allebei verschenen met hun advocaten. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[handelsnaam 1] en [gedaagde] hebben op 10 mei 2019 een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [gedaagde] aan [handelsnaam 1] een commissie moet betalen van 10% van de omzet van de diensten die zij door bemiddeling van [handelsnaam 1] aan [onderneming] levert. [handelsnaam 1] vindt dat [gedaagde] op grond van deze overeenkomst aan haar nog een commissie moet betalen van € 27.734,79. [gedaagde] vindt dat zij geen commissie meer hoeft te betalen, omdat de overeenkomst tussen partijen volgens haar alleen betrekking had op een bepaald project dat zij voor [onderneming] deed dat in 2019 is afgerond. De commissies die [gedaagde] sindsdien heeft betaald waren onverplicht en uitsluitend op vrijwillige basis. De rechtbank stelt [handelsnaam 1] in het gelijk. De vorderingen van [handelsnaam 1] worden daarom grotendeels toegewezen.

3.De beoordeling

in conventie en in reconventie
inleiding
3.1
[handelsnaam 1] vordert in deze procedure in conventie dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 37.828,91, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 12 november 2025. Dit bedrag bestaat uit een factuur van € 27.734,79, wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur tot en met 11 november 2025 van € 9.041,77 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.052,35. Daarnaast vordert [handelsnaam 1] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 2.252,80. Tot slot vordert [handelsnaam 1] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
3.2
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [handelsnaam 1] met veroordeling van [handelsnaam 1] in de proceskosten. [gedaagde] vordert in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de vorderingen van [handelsnaam 1] worden afgewezen, dat [handelsnaam 1] wordt veroordeeld om medewerking te verlenen aan het vrijmaken van een bedrag dat door [gedaagde] in depot is gestort ter opheffing van het ten laste van haar door [handelsnaam 1] gelegd conservatoir beslag.
3.3
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
[gedaagde] moet € 25.940,04 aan commissie betalen aan [handelsnaam 1]
3.4
Nadat [handelsnaam 1] in het voorjaar van 2019 [gedaagde] in contact heeft gebracht met [onderneming] , hebben partijen mondeling afgesproken dat [gedaagde] commissies aan [handelsnaam 1] moet afdragen voor diensten die [gedaagde] via [handelsnaam 1] voor [onderneming] zou verrichten. Het volgende is door [gedaagde] bij e-mail van 10 mei 2019 – voor zover van belang – aan [handelsnaam 1] bevestigd:
“Nogmaals dank voor de prettige kennismaking, erg gewaardeerd. Zoals toegezegd een korte presentatie van onze Managed Services activiteiten + de bevestiging dat wij 10% marge afdragen op de diensten die wij voor/via jou mogen leveren.”
3.5
Vervolgens heeft op 4 juli 2019 een nader gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [onderneming] . De inhoud van dit gesprek is door [gedaagde] aan [onderneming] bevestigd in een verslag. [handelsnaam 1] heeft het verslag als productie 30 in het geding gebracht.
3.6
[gedaagde] heeft bij e-mail van 20 augustus 2019 – voor zover van belang – het volgende aan [handelsnaam 1] bevestigd:
“Zoals afgesproken kun jij de fee (10% over uurtarief van € 85.00) over de facturabele uren die wij bij [onderneming] hebben gemaakt aan ons factureren.”
3.7
Volgens [handelsnaam 1] heeft [gedaagde] over de uren die zij heeft gemaakt voor de dienstverlening aan [onderneming] een omzet van € 473.181,69 gegenereerd. Hoewel [gedaagde] aanvoert dat haar omzet minder was, heeft zij dat niet onderbouwd. Van [gedaagde] had ten minste mogen worden verwacht dat zij het bedrag noemt wat volgens haar aan omzet is gegenereerd. Dat heeft zij niet gedaan, ook niet nadat dit tijdens de mondelinge behandeling aan haar werd gevraagd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om uit te gaan van een lager bedrag aan totale omzet.
3.8
[handelsnaam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij vermoedt dat [gedaagde] mogelijk een hoger bedrag aan omzet heeft gegenereerd dan € 473.181,69. Zij heeft, voor het geval de rechtbank een tussenvonnis wijst, de rechtbank verzocht om [gedaagde] op grond van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te bevelen alle door haar aan [onderneming] verzonden facturen over te leggen.
3.9
Artikel 22 Rv Pro geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid (
“de rechter kan …”) om in een civiele procedure informatie op te vragen bij partijen die hij meent nodig te hebben om te kunnen beslissen in het aan hem voorgelegde geval, waaronder het overleggen van op de zaak betrekking hebbende bescheiden.
3.1
Omdat de rechtbank geen tussenvonnis wijst, hoeft reeds om die reden niet op het verzoek te worden beslist. De rechtbank overweegt ten overvloede dat zij ook overigens geen aanleiding ziet gebruik van artikel 22 Rv Pro te maken. Dat [gedaagde] bij [onderneming] een omzet heeft gegenereerd van € 473.181,69 is door [handelsnaam 1] zelf vastgesteld nadat [onderneming] haar toegang gaf tot haar financiële gegevens. Mede gelet daarop, is een enkel vermoeden van [handelsnaam 1] onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [gedaagde] een hoger bedrag aan omzet heeft gegenereerd.
3.11
[gedaagde] heeft voor een deel van de uren die zij heeft gemaakt voor de dienstverlening aan [onderneming] een commissie aan [handelsnaam 1] betaald van 10 %. Over een omzet van € 258.801.20 heeft zij € 25.880,12 betaald. Hoewel [handelsnaam 1] stelt dat [gedaagde] slechts € 24.396,86 aan haar heeft betaald, heeft [gedaagde] dat voldoende gemotiveerd betwist. [handelsnaam 1] heeft de door haar aan [gedaagde] verzonden facturen als productie in het geding gebracht. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat [handelsnaam 1] bij het optellen van deze facturen een viertal door haar betaalde facturen niet heeft meegerekend. Het gaat om de facturen van januari 2020 van € 289,00, februari 2020 van € 544,00, maart 2020 van € 452,63 en april 2020 van € 197,63. Het totaal van deze facturen bedraagt € 1.483,26.
3.12
[gedaagde] heeft voor het andere deel van de uren die zij heeft gemaakt voor de dienstverlening aan [onderneming] geen commissie betaald. Dat betekent dat over een omzet van
€ 214.380,49 geen commissie is betaald. Als reden daarvoor voert [gedaagde] aan dat zij op grond van de overeenkomst met [handelsnaam 1] alleen verplicht was om een commissie te betalen voor de uren die zij heeft besteed aan een bepaald project bij [onderneming] . Een zogenoemd portalproject, dat volgens [gedaagde] – kort samengevat – neerkomt op het maken van een ‘track-and-trace’-koppeling aan een bestaand RPG softwaresysteem. Het portalproject is eind 2019 afgerond. In de jaren daarna is [gedaagde] diensten blijven leveren aan [onderneming] . [gedaagde] voert daarover aan dat zij over die diensten onverplicht, op vrijwillige basis en enkel vanuit een ‘ecosysteem-gedachte’ een commissie heeft afgedragen aan [handelsnaam 1] . [gedaagde] heeft deze commissie alleen betaald voor de uren die een van haar medewerkers, namelijk [A] (hierna [A] ), bij [onderneming] heeft gemaakt. Naast [A] heeft ook [B] (hierna [B] ) namens [gedaagde] uren gemaakt voor het leveren van diensten aan [onderneming] . [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat zij alleen voor de uren van [A] een commissie betaalde, omdat [A] de medewerker was die ook het portalproject uitvoerde. Volgens [handelsnaam 1] zijn partijen niet overeengekomen dat [gedaagde] alleen een commissie heeft te betalen voor de uren die zij heeft besteed aan het portalproject.
3.13
Om vast te stellen of de door [gedaagde] gestelde beperking onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomst, is een uitleg van de overeenkomst nodig. Voor de uitleg van een overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij op basis daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank betrekt bij deze uitleg niet alleen de tekst van de overeenkomst, maar ook alle door partijen aangevoerde omstandigheden voorafgaand, tijdens en na het sluiten van de overeenkomst.
3.14
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de door [gedaagde] gestelde beperking onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dat partijen deze beperking expliciet zijn overeengekomen is niet gebleken. [handelsnaam 1] hoefde deze beperking evenmin af te leiden uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] . Integendeel, door de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] heeft [handelsnaam 1] redelijkerwijs mogen begrijpen dat [gedaagde] over alle aan [onderneming] verrichte diensten 10% commissie moest betalen.
3.15
[gedaagde] heeft in haar e-mailbevestigingen van 10 mei 2019 en 20 augustus 2019 niet vermeld dat zij alleen een commissie zal afdragen voor de uren die zij besteedt aan het uitvoeren van een bepaald project voor [onderneming] . Dat had wel voor de hand gelegen als partijen dat waren overeengekomen. Partijen hebben vervolgens ná de afronding van het portalproject, in december 2019, overleg gehad over de overeenkomst. Tijdens dat overleg bespraken partijen over welke diensten [gedaagde] aan [handelsnaam 1] een commissie moet afdragen. Partijen waren het erover eens dat [gedaagde] een commissie moet afdragen over louter uren die zij maakt voor het leveren van diensten aan [onderneming] en niet over licenties en producten die zij aan [onderneming] levert. Als [gedaagde] , gelet op de afronding van het portalproject, meende niet langer verplicht te zijn om een commissie te betalen aan [handelsnaam 1] , dan lag het op haar weg om dat tijdens dit overleg ter sprake te brengen. Maar dat heeft zij niet gedaan, zo heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd. [gedaagde] is in de periode van 2020 tot en met 2025 commissies blijven betalen aan [handelsnaam 1] voor de uren die zij maakte voor het leveren van verschillende diensten aan [onderneming] . Het standpunt van [gedaagde] dat zij dat deed vanuit een ‘ecosysteem-gedachte’ en alleen voor de uren van één van haar medewerkers, kan geen afbreuk doen aan de verwachting die [handelsnaam 1] inmiddels mocht hebben over de (inhoud van de) overeenkomst tussen partijen. Dat [handelsnaam 1] ermee bekend was dat [gedaagde] commissies bleef betalen vanuit een ‘ecosysteem-gedachte’ is niet gebleken. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij slechts voor de uren van [A] een commissie betaald kreeg. De rechtbank wijst in dit verband op de e-mailwisseling tussen partijen van respectievelijk 7 mei 2025 en 9 mei 2025. Bij e-mail van 7 mei 2025 heeft [handelsnaam 1] aan [gedaagde] – voor zover van belang – het volgende bericht: “
Uit de financiële analyse van [onderneming] blijkt over de afgelopen 6 jaar door [handelsnaam 2](dit is een vroegere handelsnaam van [gedaagde] ; toevoeging rechtbank)
een omzet te zijn gerealiseerd van € 473.181,69. Dit staat in schril contrast tot de opgave die [handelsnaam 1] kreeg voor facturatie (…).”Bij e-mail van 9 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [handelsnaam 1] – voor zover van belang – het volgende bericht:
“Met betrekking tot hetgeen jij in jouw mail claimt, heb ik begrepen dat de initiële intentie en afspraak met [handelsnaam 1] voor een marge afdracht over de werkzaamheden van [gedaagde] (voorheen [handelsnaam 2] ) bij [onderneming] , 100% beperkt zijn tot de inzet van [A] . Een andere afspraak dan deze is niet gemaakt en is ook niet reëel”. Bij e-mail van 9 mei 2025 heeft [handelsnaam 1] aan [gedaagde] – voor zover van belang – het volgende bericht:
“(…) dat kun je lezen op de bijgevoegde mail van [C (voornaam)] dat er nooit sprake is geweest van commissie op basis van de werkzaamheden van een bepaald persoon.”Volgens [handelsnaam 1] heeft [gedaagde] in haar e-mail van 9 mei 2025 voor het eerst laten weten dat zij alleen een commissie betaalt voor de uren van [A] . [gedaagde] heeft dat onvoldoende weersproken.
3.16
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [handelsnaam 1] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat de betalingsverplichting van [gedaagde] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet beperkt was tot de uren die zij heeft besteed aan een bepaald project bij [onderneming] en evenmin beperkt was tot het werk van alleen [A] . Dat betekent dat [gedaagde] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst verplicht was om aan [handelsnaam 1] een commissie te betalen over alle uren die zij, althans [A] en [B] namens haar, heeft gemaakt voor de dienstverlening aan [onderneming] . [handelsnaam 1] moet daarom ook een commissie betalen van 10 % over de omzet van € 214.380,49 aan uren, wat neerkomt op een bedrag van € 21.438,05.
3.17
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] over de door haar verschuldigde commissies 21% btw moet betalen. Het bedrag dat [gedaagde] nog aan [handelsnaam 1] moet betalen, zal daarom worden vastgesteld op (€ 21.438,05 + 21% =) € 25.940,04.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen vanaf 10 augustus 2025
3.18
Anders dan gevorderd, zal de vordering van [handelsnaam 1] tot betaling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW worden toegewezen vanaf 30 dagen nadat [gedaagde] de nagezonden factuur van 10 juli 2025 heeft ontvangen. Gelet op de betwisting door [gedaagde] staat namelijk niet vast dat partijen de betalingstermijn op de factuur zijn overeengekomen. [handelsnaam 1] heeft haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd.
3.19
Dat [gedaagde] de factuur op 10 juli 2025 heeft ontvangen staat tussen partijen niet ter discussie. Daarom zal als ingangsdatum van de wettelijke handelsrente 10 augustus 2025 worden gehanteerd.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.2
De vordering van [handelsnaam 1] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [handelsnaam 1] heeft voldoende – en onweersproken – gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [handelsnaam 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag is hoger dan volgt uit het Besluit bij een hoofdsom van € 25.940,04. Daarom zal een bedrag van € 1.034,40 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de beslagkosten betalen
3.21
De vordering van [handelsnaam 1] tot betaling van beslagkosten kan op grond van artikel 706 Rv Pro worden toegewezen. Anders dan [gedaagde] stelt, gelden deze kosten niet als nodeloos veroorzaakt. [gedaagde] wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat het door [handelsnaam 1] gelegde conservatoir beslag onnodig was. Dat zou het geval zijn als er voor [handelsnaam 1] geheel geen vrees voor verduistering zou zijn, als er voldoende dekkende alternatieve zekerheid zou zijn, als het beslag buitenproportioneel zou zijn of als [handelsnaam 1] niet of nauwelijks belang zou hebben bij het beslag. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat van een of meer van deze gevallen sprake is. Dat [gedaagde] ten tijde van de beslaglegging een goede vermogenspositie had en voldoende verhaal bood is op zichzelf onvoldoende reden om het beslag als onnodig aan te merken. Een vermogenspositie op een bepaald moment biedt tenslotte geen zekerheid voor de toekomst.
3.22
De beslagkosten worden vastgesteld op € 786,00 voor gevorderd salaris advocaat,
€ 581,44 voor kosten gerechtsdeurwaardersexploten en € 331,00 voor griffierecht, wat neerkomt op een bedrag van € 1.698,44. Dat [handelsnaam 1] € 752,80 aan deurwaarderskosten heeft moeten betalen is niet gebleken. De stukken waarnaar [handelsnaam 1] verwijst ter onderbouwing van haar stelling heeft zij als productie 28 bij de dagvaarding in het geding gebracht. Daarin zijn drie exploten aangetroffen, waarvan de kosten in totaal € 581,44 bedragen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.23
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
1.043,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.931,40
3.24
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
op de vordering in reconventie wordt niet beslist
3.25
Nu de vorderingen van [handelsnaam 1] in conventie (grotendeels) worden toegewezen, is de voorwaarde voor de vordering van [gedaagde] in reconventie niet vervuld. Deze vordering behoeft daarom geen beoordeling meer.
3.26
Omdat de vordering in reconventie niet wordt beoordeeld, kan geen van beide partijen als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Een proceskostenveroordeling in reconventie moet daarom achterwege blijven.
de veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.27
De rechtbank zal dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren in de zin van artikel 233 Rv Pro.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 25.940,04, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 10 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 1.034,40 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 1.698,44 aan beslagkosten,
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.931,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
4.8
verstaat dat de voorwaarde voor indiening van de eis in reconventie niet is vervuld.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
5932