ECLI:NL:RBMNE:2026:3957

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
C/16/610835 / FO RK 26-572
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige naar vader in afwachting van hulpverlening

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 5 juni 2026 een verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van zijn minderjarige kind te wijzigen van de moeder naar hem. De minderjarige had zelf aangegeven bij de vader te willen wonen. De rechtbank besloot de voorlopige hoofdverblijfplaats bij de vader te plaatsen, mede vanwege de lopende hulpverlening en het belang van het kind.

De ouders hebben samen het gezag over de minderjarige, die sinds 27 maart 2026 bij de vader verblijft. De rechtbank wees het verzoek om een Raadsonderzoek te gelasten en een bijzondere curator te benoemen af, omdat de reeds ingezette hulpverlening passend werd geacht. De rechtbank benadrukte het belang van voortzetting van therapeutische gesprekken en het verbeteren van de communicatie tussen ouders.

De definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats, inschrijving in de Basisregistratie Personen en zorgverzekering wordt aangehouden tot 5 november 2026, waarbij de rechtbank een update over de hulpverlening verwacht. De voorlopige beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze ook geldt tijdens een eventueel hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt voorlopig de hoofdverblijfplaats van de minderjarige naar de vader en houdt de definitieve beslissing aan in afwachting van hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers: C/16/610835 / FO RK 26-572, C/16/612246 / FO RK 26-735 en
C/16/612247 / FO RK 26-736
Informele rechtsingang en provisionele voorziening
Beschikking van 5 juni 2026
op de aanvraag (met zaaknummer C/16/610835 / FO RK 26-572) van
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K.R. Koopman,
en
[de moeder],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
en in de zaken (met zaaknummers C/16/612246 / FO RK 26-735 en C/16/612247 / FO RK 26-736) van:
[de vader],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K.R. Koopman,
tegen
[de moeder],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft op 22 april 2026 de brief ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.
1.2
Op 8 mei 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.
1.3
Bij brief van 15 mei 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) is voor deze zitting uitgenodigd.
1.4
Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 28 mei 2026;
  • de bijlagen bij de brief van de moeder, binnengekomen op 29 mei 2026.
1.5
De brief van de moeder die op 29 mei 2026 is binnengekomen heeft de rechtbank weer teruggestuurd naar de moeder, omdat deze brief standpunten van de moeder bevat. Een schriftelijk verweer kan alleen door een advocaat worden ingediend. Zoals hierboven beschreven maken de bijlagen bij deze brief wel onderdeel uit van het dossier.
1.6
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder;
  • de Raad, vertegenwoordigd door [A.] .
1.7
De rechtbank heeft na afloop van de zitting van 5 juni 2026 mondelinge uitspraak gedaan. Deze beschikking is een uitwerking van die beslissing.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.
2.3
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar verblijft vanaf 27 maart 2026 bij de vader.
2.4
[minderjarige] heeft in het kader van de informele rechtsingang aangegeven dat zij graag bij de vader wil wonen.
2.5
De vader heeft de wens van [minderjarige] overgenomen in zijn verzoek. Hij verzoekt de rechtbank:
  • bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de verblijfplaats van [minderjarige] hangende de procedure bij de vader zal zijn;
  • in de bodemprocedure:
 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen van de moeder naar de vader, althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] geraden acht;
 de moeder te bevelen haar medewerking te verlenen aan de inschrijving van [minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van de vader en de inschrijving op de zorgverzekering van de vader, binnen één week na de te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de moeder in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maxium van € 5.000,-;
 subsidiair de vader vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] in de BRP op het adres van de vader en inschrijving op de zorgverzekering van de vader, voor zover medewerking van de moeder vereist is;
- subsidiair een onderzoek te gelasten door de Raad naar de vraag welke verblijfplaats in het belang van [minderjarige] is, dan wel een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen.
2.6
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1
De rechtbank bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de vader is en houdt de verzoeken van de vader in de bodemprocedure aan. Het verzoek van de vader om een Raadsonderzoek te gelasten of een bijzondere curator te benoemen wijst de rechtbank af. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
De informele rechtsingang3.2 De vader heeft naar aanleiding van de wens van [minderjarige] een verzoekschrift ingediend waarin hij het verzoek van [minderjarige] overneemt. Dit betekent dat de procedure nu verder tussen de ouders wordt voortgezet en dat de kinderrechter geen ambtshalve beslissing zal nemen in de informele rechtsingang. De kinderrechter zal de verzoeken van de vader hieronder bespreken.
Voorlopige hoofdverblijfplaats3.3 Uit de overgelegde stukken en het gesprek tijdens de zitting is gebleken dat [minderjarige] in het verleden al vaker van hoofdverblijfplaats is gewisseld tussen de ouders. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, is [minderjarige] bij de moeder gaan wonen. Van augustus 2020 tot maart 2022 verbleef [minderjarige] bij de vader met een machtiging tot uithuisplaatsing. Daarna is zij weer teruggeplaatst bij de moeder. Er vond op dat moment een goede samenwerking tussen de ouders plaats. Deze samenwerking is hierna verslechterd. Daar heeft [minderjarige] last van. Zij zit klem tussen de ouders. De ouders hebben tijdens de zitting toegelicht dat zij binnenkort gaan starten met hulpverlening van Opgroeiconsult om hun communicatie te verbeteren. De kinderrechter is het met de Raad eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij tijdens dit hulpverleningstraject bij de vader kan blijven wonen. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat er ook hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet. Zij had eerder gesprekken met een therapeut van Opgroeiconsult. De rechtbank gaat er vanuit dat deze gesprekken op korte termijn weer zullen plaatsvinden, zodat [minderjarige] kan verwerken wat er de afgelopen periode is gebeurd. Ten slotte vindt de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de ouders samen met de hulpverlening onderzoeken hoe de omgang tussen de moeder en [minderjarige] weer opgestart kan worden en hoe [minderjarige] haar broertje en zusje weer kan zien. Voor het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] zal professionele hulp nodig zijn. Op de zitting is een voorval besproken dat heeft plaats gevonden tussen de moeder en [minderjarige] . Net als de Raad heeft de rechtbank zorgen over de manier waarop de moeder daarna richting [minderjarige] , die haar excuses in een brief heeft gemaakt, heeft gereageerd. [minderjarige] heeft haar moeder een open, kwetsbare brief geschreven en de moeder gaf aan daar eigenlijk geen ruimte voor te hebben door haar eigen emoties.
Raadsonderzoek of benoeming bijzondere curator3.4 De rechtbank wijst het verzoek om een Raadsonderzoek te gelasten af. Net als de Raad vindt de rechtbank dit nu eigenlijk te laat. De stappen voor de juiste hulpverlening zijn al gezet en het is belangrijk om dat nu op te pakken zonder verdere vertraging. Ook zal de rechtbank geen bijzondere curator voor [minderjarige] benoemen. Het is inderdaad een goed idee dat [minderjarige] een persoon heef [minderjarige] heeft met wie zij kan praten, maar zij heeft hiervoor al een therapeut van Opgroeiconsult. Deze persoon kent zij al en heeft zij al een band mee. Het is daarom logisch dat dat contact wordt voortgezet. Bij een eventuele vervolgzitting kunnen de ouders verslagen van deze therapeut overleggen, zodat de rechtbank meer zicht krijgt op deze begeleiding.
Bodemprocedure3.5 Het voorgaande betekent dat de rechtbank de overige verzoeken van de vader in de bodemprocedure zal aanhouden in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening van Opgroeiconsult tot
5 november 2026 pro forma. De rechtbank verzoekt de advocaat van de vader en de moeder om voor die datum te laten weten hoe de hulpverlening verloopt.
Kinderalimentatie en kinderbijslag3.6 De ouders hebben tijdens de zitting afgesproken dat de vader gedurende de periode dat [minderjarige] bij hem verblijft geen kinderalimentatie aan de moeder hoeft te betalen en dat de ouders de kinderbijslag van [minderjarige] gedurende deze periode zullen delen. Daarnaast hebben de ouders afgesproken dat de moeder de orthodontie van [minderjarige] zal (blijven) betalen. De rechtbank vindt het positief dat de ouders dit hebben afgesproken. Deze afspraken lenen zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking, maar binden partijen wel.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.7
De rechtbank zal de beslissing over het voorlopige hoofdverblijf uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Brief [minderjarige]3.8 Tegelijk met de beschikking stuurt de rechtbank een brief aan [minderjarige] . Daarin is het volgende opgenomen:
‘’Beste [minderjarige] ,
Een tijdje geleden hebben wij elkaar gesproken omdat je een brief aan de rechtbank had gestuurd. Jij hebt mij toen verteld dat je al een tijdje niet meer bij je moeder, maar bij je vader verblijft en dat je graag bij je vader wil (blijven) wonen.
Na ons gesprek heb ik jouw ouders op 5 juni op de rechtbank gesproken. Jouw vader had een advocaat meegenomen naar dit gesprek. Tijdens het gesprek was er ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig om advies te geven. Jouw vader heeft voor het gesprek een verzoek aan de rechtbank gedaan om te bepalen dat jij bij hem mag blijven wonen. Omdat het verzoek van jouw vader hetzelfde is als jouw verzoek, hoef ik niet meer op jouw verzoek te beslissen, maar kan ik op zijn verzoek beslissen.
Je hebt het misschien al van je vader gehoord, maar mijn beslissing is dat jij voorlopig bij je vader mag blijven wonen. Jouw ouders hebben verteld dat zij gaan starten met hulpverlening om hun communicatie te verbeteren. Ik vind het belangrijk om af te wachten hoe dit gaat voor ik een definitieve beslissing neem over bij wie jij mag wonen. Ik heb tijdens het gesprek met je ouders gezegd dat ik het ook belangrijk vind dat jij weer gesprekken gaat voeren met [B.] zodat jij kan verwerken wat jij de afgelopen tijd hebt meegemaakt. Ook heb ik gezegd dat ik het goed vind dat er gekeken wordt hoe jij weer contact met je moeder kan krijgen. Ik hoop dat dan ook geregeld kan worden dat jij je broertje en zusje weer kunt zien.
Over vijf maanden hoor ik van je ouders hoe het ervoor staat. Dan kijken we of het nodig is om weer een zitting met hen op de rechtbank te plannen. Als dat zo is, dan zal ik jou ook weer uitnodigen om met mij te komen praten. Je mag dan komen, maar het hoeft natuurlijk niet.
Ik wens je voor nu een fijne zomer!’’
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de zaak met zaaknummer C/16/610835 / FO RK 26-572:
4.1
neemt geen ambtshalve beslissing over [minderjarige] ;
in de zaak met zaaknummer C/16/612247 / FO RK 26-736:
4.2
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader;
4.3
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met zaaknummer C/16/612246 / FO RK 26-735:
4.4
houdt de beslissing over definitieve hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , de inschrijving van [minderjarige] in het BRP, de inschrijving van [minderjarige] op de zorgverzekering van de vader en de dwangsom aan tot
5 november 2026 pro forma, in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening, met het verzoek aan de advocaat van de vader en de moeder om tijdig voor die datum te laten weten:
  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of een nieuwe zitting nodig is;
  • of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
4.5
wijst het verzoek van de vader om een Raadsonderzoek te gelasten of een bijzondere curator te benoemen af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. R. Jelicic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 en op schrift gesteld op 18 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.