ECLI:NL:RBMNE:2026:3947

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/7593
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 eerste lid WhtArt. 2.1 tweede lid WhtArt. 2.1 vierde lid Wht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieverzoek kinderopvangtoeslag wegens niet behalen drempelbedrag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de weigering van Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) vanwege de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zij stelt dat zij recht heeft op compensatie omdat de kinderopvanginstelling te veel ontvangen toeslagbedragen heeft behouden.

De rechtbank stelt vast dat de kinderopvangtoeslag in totaal €1.932,- bedroeg, waarvan één termijnbedrag van €644,- te veel is uitbetaald. Omdat de kinderopvanginstelling het geld ten onrechte heeft behouden, zou dit kunnen neerkomen op een situatie gelijk aan fraude door derden. Echter, de drempel voor compensatie in die situatie is een terugvordering van minimaal €1.500,-.

De rechtbank oordeelt dat de drempel niet wordt bereikt, ongeacht of wordt uitgegaan van 50 of 70 opvanguren. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van bijzondere omstandigheden of hardheidsclausules. Ook is geen sprake van vooringenomenheid of onbillijkheden door de Dienst. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van compensatie wordt ongegrond verklaard omdat de terugvordering onder de drempel van €1.500 blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7593

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.C.N.T van Haren)
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] )

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen (de Dienst) om compensatie toe te kennen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2. Eiseres heeft zich op 18 januari 2021 aangemeld voor een herbeoordeling van de aan haar toegekende kinderopvangtoeslag in 2011, omdat eiseres vindt dat zij gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Met het besluit van 13 mei 2024 heeft de Dienst overwogen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor toekenning van compensatie, nadat de Dienst eerder ook tot die conclusie was gekomen, maar dan in het kader van een ‘lichte toets’. In het bestreden besluit van 24 november 2025 is de Dienst bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
3. Eisers heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde en tolk en vergezeld door haar zoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
5. Na afloop heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering daarvan vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal.

Beslissing

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De Wet hersteloperatie toeslagen

De toeslagenaffaire
7. Vanwege de toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Dienst.
8. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.
9. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een compensatie. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.
Compensatieregeling
10. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. [1] Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. [2]
11. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd. [3]
12. Van hardheid van het stelsel is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
  • een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
  • een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
  • een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
13. Uit het Handboek Integrale Beoordeling- Vaktechniek volgt dat wanneer de kinderopvangtoeslag rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, maar bij de ouder is teruggevorderd omdat het recht op kinderopvangtoeslag lager bleek te zijn, sprake kan zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Als de oorzaak van de terugvordering is gelegen in het aantal uren opvang (doorbetaling na einde opvang, niet tijdige (verwerking van de) stopzetting, minder opvanguren dan aangevraagd) én de kinderopvanginstelling niet het initiatief neemt om de te veel ontvangen kinderopvangtoeslag terug te betalen, maar het geld ten onrechte behoudt, is sprake van een situatie die nagenoeg op één lijn is te stellen met de gevallen van fraude door derden. Voor toepassing van compensatie wegens hardheid is van belang dat het te veel aan de kinderopvanginstelling betaalde én door de kinderopvanginstelling achtergehouden bedrag minstens € 1.500,- bedraagt.

Het geschil

14. Eiseres heeft op 29 december 2009 kinderopvangtoeslag aangevraagd voor haar beide kinderen voor 70 uur per maand met een uurtarief van € 5,-. De kinderopvangtoeslag werd rechtstreeks overgemaakt naar de kinderopvanginstelling. Op 26 maart 2011 heeft eiseres verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 maart 2011. Hierdoor heeft de Dienst het voorschot van de kinderopvangtoeslag herzien.
15. Eiseres heeft zich bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling over toeslagjaar 2011. Eiseres stelt dat zij in de eerste twee maanden van 2011 niet 70, maar 50 opvanguren per maand heeft afgenomen. De opvangkosten zijn volgens eiseres € 1.000,- geweest en niet € 1.400,-, wanneer wordt uitgegaan van 70 opvanguren per maand. Omdat uit het LIC-overzicht (Landelijk Incasso Centrum) volgt dat in januari en februari 2011 € 2.576,- aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, is een bedrag van € 1.567,- te veel uitbetaald dat door de kinderopvanginstelling is achtergehouden. Dit bedrag is meer dan € 1.500,-, waardoor eiseres vindt dat zij recht heeft op compensatie.
16. De Dienst stelt zich op het standpunt dat het betaal- en verrekenoverzicht van
27 juni 2023 (het LIC-overzicht), waaruit volgt dat op 15 december 2010, 17 januari 2011, 16 februari 2011 en 16 maart 2011 € 644,- aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, op 29 juli 2025 is gecorrigeerd. Uit het gecorrigeerde LIC-overzicht blijkt dat de laatste termijn van de kinderopvangtoeslag op 16 februari 2011 is uitbetaald. Op 16 maart 2011 heeft dus geen uitbetaling plaatsgevonden. In plaats daarvan is het termijnbedrag afgeboekt. Dat betekent dat in totaal (€ 644,- x 3) € 1.932 aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, waarvan één termijnbedrag te veel is uitbetaald als gevolg van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door eiseres per 1 maart 2011. Wanneer dit bedrag wordt afgetrokken van de opvangkosten van € 1.400, dan heeft de kinderopvanginstelling € 532,- te veel ontvangen. Omdat dit bedrag minder is dan € 1.500,- heeft eisers geen recht op compensatie.
17. Bij de berekening is de Dienst uitgegaan van 70 opvanguren, omdat eiseres op het antwoordformulier over de kinderopvangtoeslag in 2011 heeft aangegeven voor de maanden januari en februari in totaal € 1.400,- aan opvangkosten te hebben gehad. Dat eiseres niet 70, maar 50 opvanguren voor beide kinderen zou hebben afgenomen, heeft eiseres op geen enkele manier aannemelijk gemaakt en kan bovendien niet tot een andere conclusie leiden. Ook wanneer immers wordt uitgegaan van 50 opvanguren, wordt niet voldaan aan het vereiste van een terugvordering van ten minste € 1.500,-, aldus de Dienst. Bij 50 opvanguren is een bedrag van € 932,- te veel door de Dienst aan de kinderopvanginstelling uitbetaald.

De beoordeling door de rechtbank

18. De rechtbank stelt met de Dienst vast dat in totaal € 1.932,- aan kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, zoals volgt uit het gewijzigde LIC-overzicht. Eiseres heeft geen begin van bewijs geleverd dat op ook 16 maart 2011 een bedrag van € 644,- aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald. Omdat eiseres alleen kinderopvang over januari en februari 2011 heeft afgenomen, staat daarmee vast dat de Dienst één termijnbedrag te veel aan de kinderopvanginstelling heeft uitbetaald, namelijk op 16 februari 2011 (over de maand maart). Omdat de kinderopvanginstelling niet het initiatief heeft genomen om de te veel ontvangen kinderopvangtoeslag terug te betalen, maar het geld ten onrechte heeft behouden, is mogelijk sprake van een situatie die nagenoeg op één lijn is te stellen met de gevallen van fraude door derden. In die situatie geldt de eis dat de terugvordering van kinderopvangtoeslag bij de ouder minimaal € 1.500,- moet bedragen. De rechtbank is van oordeel dat die grens hier niet wordt bereikt, ongeacht of wordt uitgegaan van 50 of 70 opvanguren. Het geschil over hoeveel opvanguren zijn afgenomen doet daarom niet ter zake. Omdat de drempelgrens van € 1.500,- niet wordt bereikt, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling of in het geval van eiseres sprake is van een bijzondere omstandigheid in het kader van de hardheidsregeling.
19. Ook is de rechtbank niet gebleken van vooringenomen handelen door de Dienst of andere onbillijkheden op grond waarvan eiseres in aanmerking komt voor compensatie. De Dienst heeft volgens de systematiek van de kinderopvangtoeslag een voorschot aan eiseres toegekend en dat voorschot als gevolg van de stopzetting van kinderopvangtoeslag door eisers met een beschikking herzien. De Dienst heeft aldus een reguliere correctie binnen de systematiek van de kinderopvangtoeslag verwerkt. Het is eigen aan de systematiek van de kinderopvangtoeslag dat een correctie tot een terugvordering kan leiden. De beroepsgrond slaagt gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen niet.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. De Dienst mocht de aanvraag van eiseres om compensatie afwijzen. Daarom blijft het bestreden besluit in stand.
21. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1 eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
3.Artikel 2.1 vierde lid, van de Wht.