ECLI:NL:RBMNE:2026:3796

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
11984575 \ UC EXPL 25-9502
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:193a lid 1 sub b BWArt. 6:230g lid 1 sub b BWArt. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230t lid 1 BWArt. 6:230t lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenkomst tussen buren vernietigd wegens misleidende omissie en oneerlijke handelspraktijk

In deze civiele zaak tussen buren heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gedaagde, handelend als ondernemer, een abonnement bij Ziggo heeft afgesloten voor de eiser en andere buren. De gedaagde heeft nagelaten essentiële informatie te verstrekken over de duur en prijs van de overeenkomst, waardoor sprake is van een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk.

De eiser heeft de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd en vordert terugbetaling van de betaalde abonnementskosten. De kantonrechter oordeelt dat de vernietiging rechtsgeldig is en wijst de vordering grotendeels toe, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De tegenvordering van de gedaagde wegens vermeende wanprestatie bij stucwerkzaamheden wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een overeenkomst en wanprestatie.

De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelt de gedaagde tot betaling van proceskosten en rente. De beslissing benadrukt het belang van naleving van consumentenrechtelijke informatieverplichtingen en de bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken, ook in burenrelaties.

Uitkomst: De overeenkomst is vernietigd wegens oneerlijke handelspraktijk en de gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van abonnementskosten en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11984575 \ UC EXPL 25-9502
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: D.A. Miedema,
tegen
[gedaagde] V.H.O.D.N. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 15,
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 3,
  • de conclusie van antwoord in reconventie,
  • de e-mail van [gedaagde] van 12 mei 2026 met extra producties.
1.2
Op 18 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig [eiser] met zijn gemachtigde en belangenbehartiger de heer [A] samen met zijn vader. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling verteld dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [gedaagde] voor een aantal buren, waaronder [eiser] , een abonnement afsluit bij Ziggo voor televisie en internet en [eiser] daarvoor € 92,50 per maand aan [gedaagde] betaalt. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem voor het sluiten van deze overeenkomst niet (goed en volledig) geïnformeerd over belangrijke informatie en heeft hij zich (dus) schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. [eiser] heeft daarom de overeenkomst vernietigd. Hij wil dat [gedaagde] onder meer wordt veroordeeld om de door hem betaalde abonnementskosten van € 2.312,50 (terug) te betalen, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] wil dat de vordering wordt afgewezen. Hij stelt dat [eiser] zich zelf schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk bij het tot stand brengen van de uitvoering van stucwerkzaamheden in de woning van onder andere [gedaagde] . Die werkzaamheden zijn bovendien niet goed uitgevoerd. [gedaagde] wil daarom dat [eiser] de € 3.750,00 dat hij heeft betaald voor deze werkzaamheden aan hem (terug)betaalt. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] grotendeels toe en de vordering van [gedaagde] af.

3.De beoordeling

De vordering van [eiser]
Het consumentenrecht is van toepassing
3.1
Het staat vast dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan [gedaagde] voor [eiser] een abonnement heeft afgesloten bij Ziggo voor internet en televisie en [eiser] daarvoor € 92,50 per maand aan [gedaagde] heeft betaald. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] bij de totstandkoming van deze overeenkomst handelde in de uitoefening van zijn bedrijf. [gedaagde] moet dan worden aangemerkt als handelaar [1] met als gevolg dat op de overeenkomst het consumentenrecht van toepassing is.
3.2
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] moet worden aangemerkt als handelaar. Uit de overgelegde (credit)facturen van Ziggo volgt namelijk dat [gedaagde] (mede) ten behoeve van [eiser] en andere buren een zakelijk abonnement bij Ziggo heeft afgesloten op naam van zijn toenmalige eenmanszaak [handelsnaam] . De bedrijfsactiviteiten van deze eenmanszaak bestonden onder andere uit advisering, ondersteuning en overige dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie en dat komt overeen met de dienstverlenende activiteit die [gedaagde] in dit verband aan [eiser] (en twee andere buren) heeft verleend. Dat partijen buren van elkaar zijn en de afspraken tussen partijen in die context zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Ook het feit dat [gedaagde] , zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling verklaard, niet alleen de kosten die Ziggo bij hem in rekening bracht doorberekende aan [eiser] , maar daarnaast ook kosten voor het inboeken en btw wijst erop dat [gedaagde] handelde in de uitoefening van zijn bedrijf. Dit betekent dat de consumentenbeschermende bepalingen van toepassing zijn op de overeenkomst die tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen.
[gedaagde] heeft zijn wettelijke precontractuele informatieplicht geschonden
3.3
Omdat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen buiten de verkoopruimte had [gedaagde] vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan [eiser] bepaalde informatie moeten verstrekken, bijvoorbeeld over de totale prijs van de dienst en de wijze van betaling, in duidelijke en begrijpelijke taal en in leesbare vorm, op papier, of op een andere duurzame gegevensdrager als [eiser] daarmee had ingestemd. [2] Ook had [gedaagde] een afschrift van de ondertekende overeenkomst, of bevestiging van de overeenkomst aan [eiser] moeten verstrekken op papier, of op een andere duurzame gegevensdrager als [eiser] daar toestemming voor had gegeven. [3] [gedaagde] moet bewijzen dat hij de informatie tijdig en op juiste wijze heeft verstrekt. [4] Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft op geen enkele wijze aangetoond dat hij de betreffende informatie heeft verstrekt, laat staan tijdig en op de juiste wijze. De enkele stelling dat het voor [eiser] wel duidelijk was dat hij via automatische incasso zou betalen is onvoldoende.
[gedaagde] heeft zich schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk
3.4
Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk als een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht. [5] De wet noemt daar verschillende voorbeelden van, zoals de misleidende omissie. Daarvan is sprake als essentiële informatie, die een gemiddelde consument nodig heeft om een weloverwogen keuze te maken, wordt weggelaten, verborgen wordt gehouden of op een onduidelijke, onbegrijpelijke of dubbelzinnige manier wordt gegeven, te laat wordt verstrekt, of als het commerciële oogmerk niet duidelijk wordt gemaakt (tenzij dat al uit de context blijkt), waardoor de gemiddelde consument een besluit neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen. [6]
3.5
[eiser] stelt dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Hij stelt dat [gedaagde] hem onduidelijke informatie heeft gegeven over de duur van de overeenkomst en de prijs, waarbij het commerciële oogmerk niet duidelijk is gemaakt. Het ligt op de weg van [gedaagde] om te bewijzen dat hij wel juiste en volledige informatie heeft verstrekt. [7] Dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter legt dit hierna uit.
3.6
[eiser] stelt dat hij in de veronderstelling was dat [gedaagde] bij Ziggo een eenjarig internet- en televisieabonnement voor hem zou afsluiten. [gedaagde] stelt dat Ziggo alleen onder de voorwaarde dat er een abonnement voor drie jaar zou worden afgesloten, geen kosten voor de graafwerkzaamheden in rekening zou brengen en dat juist dat het abonnement financieel aantrekkelijk maakte. Volgens [gedaagde] heeft hij [eiser] hierover geïnformeerd, maar [eiser] betwist dat en het ligt dan op de weg van [gedaagde] om te onderbouwen dat hij [eiser] daar wel over heeft geïnformeerd, maar dat heeft hij niet gedaan. Het enkele feit dat buren hebben bevestigd dat zíj destijds akkoord zijn gegaan met een looptijd van 36 maanden is onvoldoende, omdat dit niets zegt over de overeenkomst die tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen.
3.7
[eiser] stelt verder dat hij in de veronderstelling was dat [gedaagde] alleen de maandelijkse abonnementskosten aan [eiser] zou doorbelasten, zonder enig commercieel oogmerk. Maar toen [eiser] op 21 september 2022 een factuur van Ziggo onder ogen kreeg, werd het hem duidelijk dat de door Ziggo aan [gedaagde] gefactureerde abonnementskosten aanzienlijk lager waren dan wat [eiser] maandelijks aan [gedaagde] betaalde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij naast de abonnementskosten ook kosten voor het inboeken en btw doorbelaste. Dat wijst op een commercieel oogmerk. Dat hij [eiser] hierover duidelijk heeft geïnformeerd, heeft hij niet gesteld en is de kantonrechter ook niet gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [gedaagde] zelfs toen nog geen duidelijkheid kon geven over de precieze samenstelling van de prijs die hij bij [eiser] in rekening bracht.
3.8
Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] onduidelijke informatie heeft gegeven over de duur en de prijs van de overeenkomst, waarbij het financiële oogmerk niet duidelijk is gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit essentiële informatie die een gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen. Dit betekent dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan een misleidende omissie en daarmee aan een oneerlijke handelspraktijk.
[eiser] mocht de overeenkomst vernietigen
3.9
Omdat [gedaagde] zijn informatieverplichtingen niet is nagekomen en hij zich (dus) schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk, heeft [eiser] de overeenkomst op 5 juni 2025 vernietigd. [eiser] mocht dit doen. De geschonden informatieplichten zijn essentiële informatieplichten en raken de kern van de overeenkomst. Een zodanig ernstige schending van de informatieplichten geeft [eiser] het recht om de overeenkomst te vernietigen. [8] Ook de oneerlijke handelspraktijk geeft [eiser] het recht om de overeenkomst te vernietigen, zo volgt uit de wet. [9]
3.1
Het verweer van [gedaagde] dat de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst is verjaard slaagt niet. De schending van de precontractuele informatieverplichting en de oneerlijke handelspraktijk vormen ieder afzonderlijk een zelfstandige grond voor vernietiging van de overeenkomst
.De verjaringstermijn van de vordering tot vernietiging van de overeenkomst vanwege de oneerlijke handelspraktijk begint te lopen op het moment dat de bevoegdheid tot vernietiging [eiser] ten dienst is komen te staan. Dat is het moment waarop [eiser] ermee bekend werd dat [gedaagde] hem onduidelijke informatie had verstrekt over de prijs en de duur en dat was 21 september 2022 (over de prijs) en medio augustus 2023 (over de duur van de overeenkomst) zodat de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst nog niet was verjaard op 5 juni 2025.
3.11
[eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter de overeenkomst tussen partijen door de buitengerechtelijke verklaring van 5 juni 2025 rechtsgeldig vernietigd. Toch wijst de kantonrechter de in dit verband gevorderde verklaring van recht niet toe. [eiser] heeft niet heeft gesteld wat zijn belang hierbij is, nu zijn hieruit voortvloeiende vordering in het navolgende al zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de door [eiser] betaalde abonnementskosten terugbetalen
3.12
Doordat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd, heeft deze achteraf bezien nooit bestaan en heeft [eiser] de abonnementsgelden onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. [10] Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 2.312,50 inclusief btw aan [eiser] moet terugbetalen.
3.13
[gedaagde] stelt hij het niet redelijk vindt dat hij de betaalde abonnementsgelden moet terugbetalen, omdat hij slechts een jonge en startende ondernemer was en het volledig terugbetalen van de abonnementsgelden betekent dat [eiser] gratis diensten van Ziggo heeft genoten en [gedaagde] die diensten voor [eiser] heeft betaald. Dit beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat [gedaagde] geen startende ondernemer was (jaar inschrijving 2015) en een ander oordeel dan volledige terugbetaling van de abonnementsgelden zou onvoldoende doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn en daarmee afbreuk doen aan de consument beschermende strekking van de regeling inzake de oneerlijke handelspraktijken.
3.14
Dit leidt ertoe dat de kantonrechter de vordering om [gedaagde] te veroordelen om de betaalde abonnementsgelden van € 2.312,50 inclusief btw aan [eiser] terug te betalen toewijst. De hierover gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 19 juni 2025 zoals gevorderd. Per die datum is [gedaagde] in verzuim met de (terug)betaling van het bedrag van € 2.312,50inclusief btw.
[gedaagde] hoeft de korting die Ziggo heeft gegeven vanwege internetstoringen niet terug te betalen
3.15
Het staat vast dat Ziggo, vanwege storingen op het adres van [eiser] , een korting heeft gegeven ter hoogte van € 184,56 inclusief btw. Dit bedrag heeft Ziggo verrekend met de door [gedaagde] - ten behoeve van [eiser] - te betalen abonnementskosten. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld dit bedrag aan hem te betalen, omdat [gedaagde] dit bedrag niet in mindering heeft gebracht op het bedrag dat [eiser] maandelijks aan [gedaagde] moest betalen. [eiser] stelt echter (terecht) in zijn dagvaarding dat wanneer de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om alle betaalde abonnementsgelden terug te betalen, de korting al is verrekend. De vordering om [gedaagde] te veroordelen het bedrag van € 184,56 inclusief btw aan [eiser] te betalen wordt daarom afgewezen.
De expertisekosten van € 240,00 hoeft [gedaagde] niet te vergoeden
3.16
De vordering om [gedaagde] te veroordelen de kosten (€ 240,00) te betalen voor het opschonen van een computer wordt afgewezen. [eiser] heeft een deskundige ingeschakeld om zijn computer op te schonen. [eiser] vreesde dat [gedaagde] bij de installatie van het internet- en televisie(abonnement) mogelijk illegale software op zijn computer had geïnstalleerd. Maar [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat het nodig was zijn computer op te schoenen. De enkele stelling dat andere gedupeerden soortgelijke problemen hebben ondervonden is daarvoor onvoldoende. Bovendien blijkt uit de overgelegde factuur slechts dat er onderhoudswerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten vergoeden
3.17
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Gelet op de toewijsbare hoofdsom is een vergoeding van € 346,88 aan buitengerechtelijke incassokosten redelijk. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om dit aan [eiser] te betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.18
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,13
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.035,63
3.19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De tegenvordering van [gedaagde]
[eiser] hoeft geen € 3.750,00 aan [gedaagde] (terug) te betalen
3.2
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] in 2022 voor hem geregeld dat er stucwerkzaamheden in zijn woning zijn uitgevoerd, maar heeft [eiser] zich daarbij schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk en zijn de stucwerkzaamheden niet goed uitgevoerd.
Geen oneerlijke handelspraktijk
3.21
De regeling over de oneerlijke handelspraktijk ziet op de situatie dat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Allereerst is het de kantonrechter onvoldoende gebleken dat tussen partijen, wat betreft de stucwerkzaamheden, een overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens [eiser] heeft hij alleen het contact tussen [gedaagde] en het stucadoorsbedrijf tot stand gebracht en de betaling gefaciliteerd. [gedaagde] heeft daartegenover onvoldoende onderbouwd gesteld dat (daarmee) een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Maar, zelfs als aangenomen wordt dat daarmee wel een overeenkomst tot stand is gekomen, heeft [gedaagde] niet onderbouwd dat [eiser] daarbij heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Geen wanprestatie
3.22
Ook de stelling dat de stucwerkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd, leidt er niet toe dat de vordering kan worden toegewezen. Ook hierbij geldt dat onvoldoende is gebleken dat voor de stucwerkzaamheden tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Maar, zelfs als dat aangenomen zou worden, heeft [gedaagde] in zijn geheel niet onderbouwd dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.23
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
253,00
(2 punten × € 253,00)
Totaal
506,00
3.24
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de vordering van [eiser] en in de tegenvordering van [gedaagde]
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.25
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in de vordering van [eiser]
4.1
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 2.312,50 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening aan [eiser] te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 346,88 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,63, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
in de tegenvordering van [gedaagde]
4.5
wijst de vordering af,
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in de vordering van [eiser] en in de tegenvordering van [gedaagde]
4.8
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.9
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 tot en met 4.5 en 4.7 en 4.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.1
wijst het meer of anders gevorderde af
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. V.E.J.A. Boots op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 6:193a lid 1 sub b BW en artikel 6:230g lid 1 sub b BW
2.Dit volgt uit artikel 6:230m lid 1 BW jo. artikel 6:230t lid 1 BW
3.Artikel 6:230t lid 2 BW
4.Artikel 6:230n BW
5.Artikel 6:193b onder a BW
6.Artikel 6:193d BW
7.Artikel 6:193j lid 1 BW
8.Op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro
9.Artikel 6:193j lid 3 BW
10.Artikel 6:53 jo Pro 6:203 van het BW